Wereldwijd groeit het oppervlak aan zonnepanelen, maar daarmee ook een onverwacht bij-effect: de panelen trekken waterinsecten aan die vervolgens verbranden. Er zijn eenvoudige oplossingen, schreef bioloog Menno Schilthuizen in juni 2025 in NRC, maar de industrie besteedt er nog geen aandacht aan.

Dit artikel is een publicatie uit de septembereditie (2026) van PONT, vakblad energie en duurzaamheid. Schrijf je hier gratis in voor het vakblad.
Die aantrekkingskracht heeft te maken met een optische eigenschap van zonnepanelen, schrijft Schilthuizen, waardoor ze voor de insecten lijken op een strak wateroppervlak. En dat zien waterinsecten graag.
Al in de jaren negentig werd ontdekt dat libellen en haften massaal stierven in de olieplassen die ontstonden in de Koeweitse woestijn nadat Iraakse troepen tijdens de Eerste Golfoorlog oliebronnen opbliezen. En in 2016 werd ontdekt dat libellen hun eitjes legden op gepolijste grafstenen. Op autodaken, een nog veel groter en sterk toenemend oppervlak, worden eveneens waterinsecten aangetroffen die door de zon verbranden.
Waterinsecten vertonen een grotere neiging eitjes te leggen op zonnepanelen dan op echt water, ongeacht of die panelen horizontaal of diagonaal staan. De panelen lokken waterinsecten dus weg van hun natuurlijke habitat en dragen daardoor bij aan de wereldwijde achteruitgang van insecten.
Het oppervlak aan zonnepanelen groeit met sneltreinvaart (de mondiale productie van zonne-energie is in de afgelopen twee decennia verdrievoudigd) waardoor dit probleem de komende jaren alleen maar groter dreigt te worden.
Het Horváths onderzoekslaboratorium in Budapest nam al bijna twintig jaar geleden het voortouw om technieken te ontwikkelen die het lichteffect voor insecten op de panelen kunnen verminderen. Een experiment met stroken witte tape die kruislings op de zonnepanelen werden gemonteerd, toonde aan dat hiermee grotendeels te voorkomen is dat insecten het oppervlak als water interpreteren. Hoewel de witte banen de zonnecellen gedeeltelijk afdekken, reduceert dit de elektriciteitsopbrengst met slechts enkele procenten.
Toch heeft deze ontdekking niet geleid tot een aanpassing in het ontwerp van zonnepanelen, ook niet nadat in 2020 werd vastgesteld dat zelfs lijnen van één of enkele millimeters breed de aantrekking van insecten met meer dan 90 procent verminderen. Bovendien bleek een opening tussen de draden van twintig bij twintig centimeter al voldoende. Het moet dus mogelijk zijn om het raster in het zonnepaneelontwerp zodanig te integreren dat het geen schaduw werpt op de zonnecellen.
In Duitsland zijn er inmiddels folies ontwikkeld die op de panelen kunnen worden geplakt, waardoor zowel het schittereffect van de panelen als het lichteffect op de insecten afneemt.
In theorie zou het mogelijk moeten zijn om een folie uit te vinden die alle drie de opties goed doet: lichtopbrengst verhogen, schittering wegnemen en het lichteffect voor insecten verminderen, misschien in combinatie met een raster van witte lijnen.
Maar zolang de impact van zonnepanelen op de achteruitgang van waterinsecten nog niet is doorgedrongen tot het algemene publiek, tot de industrie en noch tot de politiek, zal er weinig veranderen. De noodzaak is er, maar de toepassing van deze innovaties in zonnepanelen komt nog nauwelijks van de grond. Werk aan de winkel dus.
