Minister Schouten (LNV) en Staatssecretaris Yeşilgöz-Zegerius (EZK) geven antwoord op vragen over de eindrapporten van de evaluatie van en de toekomstverkenning over de ODE. De vragen zijn gesteld door de leden van de PvdA-fractie in de vaste commissie Financiën van de Eerste Kamer. De vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit ontvangt apart een kopie van de reactie op de brief van Glastuinbouw Nederland (GTNL) van 27 mei 2021. Een soortgelijke brief is naar de Eerste Kamer verzonden.

Hierbij stuur ik uw Kamer de beantwoording van de vragen van de leden van de PvdA-fractie in de vaste commissie Financiën van de Eerste Kamer van 21 mei 20211. Separaat ontvangt de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit een kopie van de reactie op de brief van Glastuinbouw Nederland (GTNL) van 27 mei 2021, zoals verzocht in de procedurevergadering van 16 juni 2021.
Op 23 april 2021 hebben de minister van Economische Zaken en Klimaat (EZK) en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) een brief aan uw Kamer verstuurd waarin de contouren geschetst worden van de inzet van de aanvullende middelen om bedrijven in de industrie en landbouw tegemoet te komen in de energiekosten (Kamerstuk 30 196, nr. 755). Middels deze brief wordt uw Kamer geïnformeerd over de voorgenomen verdere invulling hiervan.
Bij Miljoenennota 2021, heeft het kabinet voor 2 jaar € 25 miljoen per jaar aan aanvullende middelen beschikbaar gesteld om bedrijven die geraakt worden door de significante lastenstijging in de genoemde sectoren tegemoet te komen in de energiekosten. Daarbij is overeengekomen dat van de € 25 miljoen jaarlijks € 11 miljoen beschikbaar zal worden gesteld voor de glastuinbouwsector en € 14 miljoen voor de industriële sectoren. Aangezien de behoeften van de glastuinbouwsector en de industrie van elkaar verschillen en lastig te verenigen zijn in één regeling, zijn aparte trajecten ingesteld.
Het kabinet heeft met de Miljoenennota 2021 middelen beschikbaar gesteld voor Warmtesysteem Westland en CO2-levering (respectievelijk € 15 miljoen en € 23 miljoen) en ophoging van het SDE++-budget onder andere ten gunste van warmte. Naar aanleiding van de recente ontwikkeling in de energieprijzen is recent een incidentele aanpassing van de energiebelasting in 2022 aangekondigd (kenmerk 2021Z18173) waarmee in totaal € 500 miljoen lastenverlichting aan het bedrijfsleven geboden wordt. Daarnaast wordt een deel van de middelen via de motie Hermans (Kamerstuk 35 925, nr. 13) gebruikt voor de verlaging van de ODE op elektriciteit in de tweede en derde schijf ter bevordering van de elektrificatie in het midden- en kleinbedrijf vanaf 2023. Het effect hiervan voor de glastuinbouw en de industrie hangt af van de nadere uitwerking van deze motie.
De extra middelen en aanpassingen in de energiebelastingen mitigeren de toename in de lasten door de verhoging van de ODE gedeeltelijk en dragen bij aan het bieden van nader perspectief op reductie van CO2-uitstoot. Het zijn concrete stappen waarmee de Rijksoverheid tracht de route te bestendigen naar een klimaatneutrale, toekomstbestendige glastuinbouw en industrie.
De transitie naar een glastuinbouwsector zonder CO2-uitstoot vraagt een omschakeling van eenvoudige inkoop van aardgas naar de nu vaak nog complexe en soms instabiele inkoop van zowel warmte, elektriciteit als CO2. Het is nodig perspectief te houden op die klimaatneutrale glastuinbouw en het is van belang dat de overheid die toekomst onderschrijft en faciliteert. De wijze waarop we daar komen zullen we met alle verantwoordelijke en betrokken partijen samen moeten vormgeven. Ten aanzien van de compensatie van de ODE-tariefstijging blijkt een directe compensatieregeling achteraf niet passend te maken voor de doelgroep van tuinders die sterk getroffen zijn door de ODE-tariefsverhoging in de 3e schijf elektriciteit. Ik, de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, ga het gesprek aan met het ministerie van Financiën om dit proces een stimulans te geven op een andere wijze dan compensatie van individuele tuinders voor hun hogere elektriciteitsrekening. Daarbij kijk ik logischerwijs ook naar de lijn die voor de industrie is gevolgd bij de besteding van de gereserveerde ODE-middelen. Over de uiteindelijke invulling en overheveling van de middelen naar de LNV-begroting worden de Eerste en Tweede Kamer geïnformeerd.
De verhoogde ODE-heffing is een prikkel om te investeren in procesefficiëntie. Er zijn echter bedrijven die onvoldoende tijd hebben gehad om zich voor te bereiden op deze verhoging. Om het handelingsperspectief van deze bedrijven te verbeteren is het belangrijk dat investeringen in procesefficiëntie met een terugverdientijd van meer dan vijf jaar aantrekkelijker worden gemaakt. Hiervoor is twee keer € 14 miljoen beschikbaar gesteld aan de industrie vanuit de ODE-compensatiemiddelen. Voor 2021 is dit aangevuld met € 47,5 miljoen uit de Urgenda-middelen voor investeringen in energiebesparing in de industrie.
Met deze middelen is de regeling Versnelde Klimaatinvestering Industrie (VEKI) met verbeterde voorwaarden en extra budget van € 54 miljoen per 1 september 2021 opengesteld. De VEKI is een investeringssubsidie voor CO2-reducerende investeringen in de industrie met een langere terugverdientijd dan vijf jaar. Hiermee worden bedrijven tegemoet gekomen in het versnellen en naar voren halen van investeringen in procesefficiëntie en energiebesparende maatregelen. Met deze investeringen kunnen bedrijven hun energieverbruik verlagen en daarmee besparen op de energierekening en hun ODE-lasten. De regeling zorgt ervoor dat het rendement van de investeringen verbetert en de kans op financiering groter is.
Daarnaast worden bedrijven in de industrie gestimuleerd om grootschalige investeringsplannen te maken voor energiereductie en procesefficiëntie. De regeling TSE-studies is uitgebreid met een budget van € 6 miljoen in 2021 ter ondersteuning van een module procesefficiëntie waarmee de inhuur van externe experts voor 50% wordt gesubsidieerd. De regeling is per 15 september opgesteld. Voordat een bedrijf investeert in nieuwe duurzame energie installaties is een gedegen haalbaarheidsonderzoek nodig waarmee het bedrijf en eventueel externe financiers zekerheid hebben over de economische haalbaarheid en de verwachte CO2-reductie. Het is aan een nieuw kabinet om te besluiten over aanvullende openstellingen in 2022.
Naar aanleiding van twee moties (Kamerstuk 35 304, nr. F en Kamerstuk 35 302, nr. 42), aangenomen door het parlement, is in 2020 nader onderzoek gedaan door CE Delft(2) en WEcR(3) naar de gevolgen voor de industrie en de glastuinbouw van de in het Klimaatakkoord afgesproken aanpassingen van de ODE. In deze onderzoeken is geconstateerd dat het totaal van de EB en de ODE voor enkele sectoren, waaronder de glastuinbouw en kleinere industrieën zoals voeding (bakkers, chips en snoepwarenfabrikanten), geen prikkel geeft voor elektrificatie, terwijl dat wel gewenst is met het oog op CO2-reductie. Specifiek voor de glastuinbouw concludeert WEcR dat de aanpassing van de ODE-tarieven op elektriciteit een negatieve stimulans geeft voor de benodigde elektrificatie en tot 0,5 – 0,7 Mton additionele CO2-emissie leidt in 2030, op het moment dat de overige ontwikkelingen buiten beschouwing worden gelaten.
CE Delft concludeert dat er voldoende reductiepotentieel beschikbaar is in de industrie om een deel van de ODE te vermijden, maar dat het handelingsperspectief op de korte termijn (tot 2022) beperkt is vanwege de abrupte invoering van de ODE-aanpassingen. De ODE-verhoging kan daardoor per saldo een positief effect hebben op de energietransitie. Geschat wordt dat er als gevolg van de ODE-verhoging in 2020 een additionele CO2-reductie in de onderzochte sectoren mogelijk is van 0,02 – 0,2 Mton CO2–eq. tot 2025 en van 0,1 – 0,5 Mton CO2–eq. tot 2030. Onderstaande tabellen presenteren het effect van de ODE-schuif in 2020 op de energiebesparing en CO2-reductie per industrie sector in 2025 en 2030.
De EB en ODE geven nog niet de prikkels die de energietransitie en meer specifiek de gewenste omslag van aardgas naar elektriciteit ondersteunen. Daarom zijn voor de langere termijn opties in kaart gebracht voor structurele hervormingen in het fiscale kader. Recent is een interdepartementaal beleidsonderzoek naar de financiering van de energietransitie (Kamerstuk 32 813, nr. 689) aan uw Kamer gestuurd en daarnaast is er een evaluatie van en een toekomstverkenning over de ODE (Kamerstuk 35 304, I) uitgebracht. Door de staatssecretaris van Financiën heeft er daarnaast een evaluatie van de EB (Kamerstuk 31 239, nr. 330) plaats gevonden. Oplossingsrichtingen die hierin geschetst worden zijn bijvoorbeeld een aanpassing van de tariefstructuur in de energiebelastingen, het afbouwen van vrijstellingen of de tarieven aanpassen zodat elektriciteit in verhouding tot aardgas minder zwaar belast wordt. Gezamenlijk bieden deze rapporten een brede basis ter ondersteuning van toekomstige beleidsopties door een volgend kabinet met betrekking tot het fiscale stelsel en de verhouding met de energietransitie.
Naast het fiscale stelsel hebben het bredere overheidsinstrumentarium en marktontwikkelingen ook impact op de prikkel om te verduurzamen. Hierbij kan gedacht worden aan de SDE++-subsidie en de recente ontwikkeling van de prijzen voor aardgas, elektriciteit en CO2(-emissierechten).
Effect van de ODE-aanpassing op energiebesparing en CO2-reductie in 2030
Hoogachtend,
D. Yeşilgöz-Zegerius
Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat – Klimaat en Energie
1) Kenmerk 165884.02U
2) ODE-impact op industrie – Effecten op kosten en verduurzaming, CE Delft, april 2020.
3) Tariefstijging ODE inkoop elektriciteit: effecten op kosten en CO2-emissie glastuinbouw, Wageningen Economic Research, juni 2020.
