Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:CRVB:2026:641

Beëindiging ZW-uitkering van werkneemster per 18 februari 2023 omdat ze meer dan 65% kan verdienen van het loon voordat ze ziek werd. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat het Uwv de uitkering terecht heeft beëindigd. Voldoende medische onderbouwing. Geen beperking op het uiten van eigen gevoelens. Dat werkneemster de Engelse taal niet voldoende beheers is niet aannemelijk gemaakt....

Centrale Raad van Beroep 27 May 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:CRVB:2026:641 text/xml public 2026-05-27T12:01:24 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-05-13 24/2777 ZW Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:641 text/html public 2026-05-27T11:37:29 2026-05-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:641 Centrale Raad van Beroep , 13-05-2026 / 24/2777 ZW
Beëindiging ZW-uitkering van werkneemster per 18 februari 2023 omdat ze meer dan 65% kan verdienen van het loon voordat ze ziek werd. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat het Uwv de uitkering terecht heeft beëindigd. Voldoende medische onderbouwing. Geen beperking op het uiten van eigen gevoelens. Dat werkneemster de Engelse taal niet voldoende beheers is niet aannemelijk gemaakt.

Het Uwv heeft voldoende en inzichtelijk gemotiveerd dat de geduide functies passend zijn voor werkneemster.

24/2777 ZW, 24/2784 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 november 2024, 23/1727 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

[werkgeefster B.V.] te [vestigingsplaats] (werkgeefster)

[werkneemster] te [woonplaats] (Turkije) (werkneemster)

Datum uitspraak: 13 mei 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of de rechtbank terecht heeft bepaald dat het Uwv een nieuw besluit moet nemen over het recht van werkneemster op een ZW-uitkering. Volgens het Uwv heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat een extra beperking moet worden aangenomen en dat een van de geselecteerde functies dient te vervallen. De Raad volgt dit standpunt en komt tot het oordeel dat het Uwv de ZW-uitkering terecht heeft beëindigd.
PROCESVERLOOP
Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld en stukken ingediend. Namens werkneemster heeft mr. M.J. Meijer, advocaat, verweerschriften ingediend.

Namens werkgeefster heeft mr. M. Bockting eveneens hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 1 april 2026. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M Sluijs. Werkgeefster is niet verschenen. Namens werkneemster zijn haar ouders via videobellen verschenen. Zij zijn bijgestaan door mr. B.W.H. Meijer, kantoorgenoot van mr. Meijer.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Werkgeefster is eigen risicodrager voor de Ziektewet (ZW). Werkneemster heeft bij werkgeefster gewerkt als pedagogisch medewerker voor gemiddeld 23,91 uur per week. Op 22 maart 2021 heeft zij zich ziekgemeld met psychische klachten. Werkneemster heeft een uitkering op grond van de ZW ontvangen. In het najaar van 2011 is werkneemster met familie geëmigreerd naar Turkije.
1.2.
In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling heeft een videospreekuur van een arts van het Uwv met werkneemster plaatsgevonden. Deze arts heeft werkneemster per 10 augustus 2022 belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 11 augustus 2022. Na ontvangst van medische informatie van de psychiater in Turkije heeft de arts de FML gehandhaafd. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat werkneemster niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor werkneemster functies geselecteerd en geconcludeerd dat werkneemster niet ten minste 65% van haar maatmaninkomen kan verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 8 september 2022 de ZWuitkering van werkneemster voortgezet, omdat werkneemster per 10 augustus 2022 niet ten minste 65% van haar maatmaninkomen kan verdienen.
1.3.
Bij besluit van 15 februari 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door werkgeefster gemaakte bezwaar gegrond verklaard. Het Uwv heeft daarbij de ZW-uitkering van werkneemster met ingang van 18 februari 2023 beëindigd omdat zij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Hieraan ligt een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

Uitspraak van de rechtbank

2. Werkneemster is in beroep gegaan tegen het bestreden besluit. Het Uwv heeft aanleiding gezien nader medisch onderzoek te verrichten. Een arts bezwaar en beroep heeft een expertise laten verrichten door psychiater J.K. van der Veer. Vervolgens heeft werkneemster het spreekuur van de arts bezwaar en beroep bezocht. Deze arts heeft de FML van 11 augustus 2022 onderschreven.
2.1.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, bepaald dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen en heeft het Uwv veroordeeld in de proceskosten en het betaalde griffierecht van werkneemster.
2.2.
De rechtbank heeft werkneemster niet gevolgd in haar standpunt dat de arts bezwaar en beroep is uitgegaan van een onjuiste diagnose. De arts bezwaar en beroep heeft erop gewezen dat (voor het aannemen van beperkingen) niet de duur, maar de ernst van de klachten van belang is. De door werkneemsters behandelend psychiater gestelde diagnose is niet eenduidig. Psychiater Van der Veer kan die diagnose niet reproduceren en heeft gerapporteerd dat werkneemsters presentatie vaag en aangezet is en theatraal aandoet. De arts bezwaar en beroep en psychiater Van der Veer hebben voldoende toereikend gemotiveerd waarom zij de diagnose van de behandelend psychiater niet hebben gevolgd.
2.3.
De rechtbank is van oordeel dat er aanleiding is een beperking aan te nemen op het beoordelingspunt het uiten van eigen gevoelens (2.7). Psychiater Van der Veer heeft in zijn rapport meerdere keren opgemerkt dat zijn onderzoek wordt belemmerd door de houding van werkneemster. Hij noemt haar afwachtend, passief en weinig gemotiveerd. Hij heeft verder beschreven dat werkneemster, als gevraagd wordt naar de oorzaak van haar klachten, plots reageert met een overmatige emotionele reactie en schreeuwt. Vervolgens zwijgt ze, wendt ze haar blik af en trekt ze zich terug uit het contact. Psychiater Van der Veer heeft gesteld dat een betrouwbare beoordeling van werkneemsters persoonlijkheid niet mogelijk is gebleken. In de basisinformatie van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) staat hierover dat als iemand nauwelijks of geen uiting kan geven aan gevoelens, terwijl de context van het contact daarom vraagt, dit als een beperking moet worden beschouwd. Ook staat er dat iemand beperkt moet worden geacht in het uiten van gevoelens als diegene gevoelens uit op een ongecontroleerde wijze. Uit de conclusie van psychiater Van der Veer dat zijn onderzoek is belemmerd door de houding van werkneemster, moet volgens de rechtbank juist volgen dat werkneemster moeite heeft met het uiten van haar gevoelens. De rechtbank vindt het onaannemelijk dat werkneemster in een werksituatie wel haar gevoelens zou kunnen uiten.
2.4.
De rechtbank heeft werkneemster gevolgd in haar standpunt dat zij niet geschikt is voor de functie van productiemedewerker industrie (SBC-code 111180). Werkneemster heeft over deze functie aangevoerd dat zij geen Engels spreekt en daarom niet in staat is een interne opleiding in het Engels te volgen. De rechtbank heeft overwogen dat werkneemster er terecht op heeft gewezen dat de arbeidsdeskundige in zijn rapport van 6 september 2022 heeft vastgesteld dat werkneemster geen Engels spreekt.

Het standpunt van het Uwv

3. Het Uwv is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Het Uwv heeft tegen die uitspraak het volgende aangevoerd.
3.1.
Psychiater Van der Veer heeft desgevraagd vermeld zich te kunnen vinden in de gestelde beperkingen, waaronder eigen gevoelens uiten. Als de rechtbank twijfels had over de door psychiater Van der Veer bevestigde beperkingen, had het op de weg van de rechtbank gelegen om daar nadere vragen over te stellen (via het Uwv) aan deze psychiater. Volgens de arts bezwaar en beroep zijn al behoorlijk forse beperkingen aangenomen in het persoonlijk en sociaal functioneren van werkneemster. Het beeld dat Van der Veer beschrijft van werkneemster, geeft geen aanleiding om meer beperkingen aan te nemen. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft het Uwv verwezen naar rapporten van 7 januari 2025 en 24 juni 2025 van de arts bezwaar en beroep.
3.2.
Werkneemster heeft pas op de zitting van de rechtbank aangevoerd dat zij geen Engelse taalvaardigheid heeft. Volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is de functie van productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) wel passend voor werkneemster. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft het Uwv verwezen naar rapporten van 17 januari 2025 en 23 juni 2025 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.

Het standpunt van werkgeefster

4. Werkgeefster is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat een beperking moet worden aangenomen op eigen gevoelens uiten. Voorts heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de functie van productiemedewerker industrie niet passend is omdat werkneemster geen Engels meer zou beheersen omdat ze alles is vergeten.

Het standpunt van werkneemster

5. Werkneemster heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Zij blijft bij haar standpunt dat zij beperkt dient te worden geacht op punt 2.7 (eigen gevoelens uiten) in de FML, gelet op het rapport van Van der Veer, de Basisinformatie CBBS, de rapporten van 11 augustus 2022 en 29 augustus 2022 van de primaire arts en het rapport van 13 juni 2024 van de arts bezwaar en beroep. Werkneemster vindt het inconsistent dat zij wel beperkt is geacht op de punten 2.6 (emotionele problemen van anderen hanteren), 2.8 (omgaan met conflicten) en 2.9 (samenwerken), maar niet op punt 2.7 terwijl deze beperkingen met elkaar samenhangen. Voorts blijft werkneemster bij haar standpunt dat de functie van productiemedewerker industrie niet geschikt is, omdat zij geen interne opleiding in het Engels kan volgen. De primaire arbeidsdeskundige heeft uit navraag bij werkneemster geconstateerd dat werkneemster onvoldoende Engels beheerst, maar heeft desondanks en onterecht deze functie geselecteerd. Dat werkneemster Engelse taalvaardigheid op haar curriculum vitae (CV) heeft vermeld en mbo 3-niveau onderwijs heeft gevolgd, zegt volgens werkneemster onvoldoende. Het Uwv miskent dat taalvaardigheid zonder praktisch gebruik aantoonbaar kan verdwijnen, zeker bij psychische problematiek en cognitieve overbelasting zoals bij werkneemster. Van belang is ook dat de geselecteerde functie niet slechts basiskennis van Engels vereist, maar het aanleren van vakinhoudelijke terminologie en het volgen van een cursus van meerdere dagen, met Engelstalige lesstof en exameneisen. Uit jurisprudentie van de Raad blijkt volgens werkneemster dat “matige” taalbeheersing alleen volstaat als dit blijkt uit een concrete functionele toets, gericht op het kunnen volgen van Engelstalig vakonderwijs en het begrijpen van instructies in werksituaties. Een dergelijke toets is in dit geval volledig achterwege gebleven.
Het oordeel van de Raad
6. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de beëindiging van de ZW-uitkering van werkneemster heeft vernietigd. Dit doet de Raad aan de hand van wat het Uwv en werkgeefster in hoger beroep hebben aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat de hoger beroepen slagen. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
6.1.
Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW behoudt een betrokkene na 52 weken van ongeschiktheid tot werken zijn ZW-uitkering, als hij als gevolg van ziekte minder kan verdienen dan 65% van zijn laatstverdiende loon (maatmaninkomen). Dit percentage wordt berekend door het maatmaninkomen te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Bij deze beoordeling wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de systematiek van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Ook deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.

Medische beoordeling
6.2.
In zijn rapport van 7 januari 2025 heeft de arts bezwaar en beroep toegelicht dat sprake is van twee data in geding, te weten de oorspronkelijke datum 10 augustus 2022 en de nieuwe datum 18 februari 2023. Wat betreft de datum 10 augustus 2022 blijkt uit een overzicht van 3 augustus 2022 van de behandelend psychiater dat werkneemster goed in staat is geweest om een anamnese te verwoorden en daarin haar gevoelens te beschrijven. Daarnaast rapporteerde de bedrijfsarts op 22 juni 2022: “Algemene indruk: een vriendelijke en coöperatieve vrouw. Geeft antwoord op de gestelde vragen”. Dit wekt niet de indruk dat werkneemster niet in staat zou zijn geweest om haar verhaal te doen of haar gevoelens te uiten. Op 11 augustus 2022 was er contact middels videobellen met de primaire arts van het Uwv. Blijkens haar rapport van 11 augustus 2022 was werkneemster ook toen, tijdens de anamnese, goed in staat om haar verhaal te doen en de door haar ervaren gevoelens te beschrijven. Ook uit het daarin beschreven onderzoek van de psyche komt niets naar voren dat erop wijst dat zij hiertoe niet in staat zou zijn. Wat betreft de datum 18 februari 2023 blijkt uit het aanvullende beroepschrift van 25 augustus 2023 geen dermate grote verandering sinds de eerdere beoordelingsdatum in die zin dat werkneemster ineens niet meer in staat zou zijn om haar gevoelens te verwoorden. Bovendien is er geen reden om aan te nemen dat haar situatie in de tussenliggende periode zou zijn verslechterd. Tijdens het fysieke spreekuuronderzoek in beroep op 19 april 2024 blijkt werkneemster overigens wél te reageren op vragen die de ernst van haar beeld onderschrijven. Dit geeft geen blijk van het niet kunnen verwoorden van haar gevoelens. Psychiater Van der Veer vermeldt in zijn rapport van 29 mei 2024: “Ze maakt de indruk niet erg gemotiveerd te zijn om in gesprek te gaan, wat o.a. blijkt uit haar reactie op de vragen: deze beantwoordt ze kort zonder verdere toelichting, of snel met ‘ik weet het niet’ of praat om de vraag heen. De presentatie van haar klachten is weinig gedetailleerd, vaag en doet aangezet en theatraal aan”. Voorts heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gewezen op de toelichting bij punt 2.7 in de Basisinformatie CBBS.
6.3.
In reactie op werkneemsters standpunt heeft de arts bezwaar en beroep in zijn rapport van 24 juni 2025 nader toegelicht dat het bij een beperking op punt 2.7 erom gaat of iemand zijn gevoelens adequaat kan uiten. Psychiater Van der Veer heeft in zijn rapport meerdere keren opgemerkt dat zijn onderzoek wordt belemmerd door de houding van werkneemster. Hij noemt haar afwachtend, passief en weinig gemotiveerd. Zaken als houding, gedrag of attitude kunnen niet worden aangemerkt als ziekte of gebrek. De door de rechtbank daardoor veronderstelde beperking op het uiten van gevoelens komt dan ook niet voort uit onvermogen, ziekte of gebrek. Meermaals is gebleken dat werkneemster zeer wel in staat was om haar gevoelens te uiten. Het is voorts wel mogelijk dat iemand moeite heeft met emotionele problemen van anderen hanteren (punt 2.6), beperkt conflicten aankan (punt 2.8) of niet goed kan samenwerken (punt 2.9), maar wel in staat is om de eigen gevoelens te uiten. Volgens de Basisinformatie CBBS leidt aangezet of theatraal gedrag niet tot een beperking op punt 2.7. De door werkneemster aangehaalde passage uit het rapport van 11 augustus 2022 van de primaire arts komt uit de anamnese van werkneemster zelf en geeft er juist blijk van dat werkneemster deze gevoelens heeft beschreven en dus adequaat kon uiten. Ten slotte heeft Van der Veer weliswaar benoemd dat werkneemster overmatig reageert, maar het gaat hier om reacties op specifieke punten die bij werkneemster boosheid of andere emoties opwekken. Dit is niet hetzelfde als gevoelens niet kunnen uiten.
6.4.
Dit wordt gevolgd. De motivering van de arts bezwaar en beroep om geen beperking op het punt 2.7 aan te nemen is zorgvuldig tot stand gekomen, inzichtelijk en overtuigend. De conclusie van de arts bezwaar en beroep volgt logischerwijs uit de (eerdere) rapporten van de primaire arts en de arts bezwaar en beroep, gecombineerd met het rapport van Van der Veer. Hieruit blijkt dat werkneemster wel adequaat antwoord heeft willen geven op vragen van de primaire arts maar op zeker moment niet meer op vragen van Van der Veer en de arts bezwaar en beroep, zonder dat daarvoor een medische verklaring is gegeven. Van der Veer heeft onder meer gewezen op een negatieve ongemotiveerde houding van werkneemster tijdens het onderzoek. Volgens de Basisinformatie CBBS gaat het bij de beperking op punt 2.7 om de vraag of iemand medisch gezien in staat is zijn gevoelens adequaat te uiten. Het gaat er niet om of iemand introvert of extravert is en ook niet of sprake is van een narrig of opgeruimd humeur. Dit beoordelingspunt is bedoeld om de beperkingen te beoordelen die voortkomen uit een stoornis, die kan leiden tot gevoelsuitingen die door anderen als overdreven of vreemd worden ervaren. Ook het nauwelijks of geen uiting kunnen geven aan gevoelens (blokkeren) terwijl de context van het contact daarom vraagt, moet als een beperking worden beschouwd. Dus ook de door de rechtbank aangehaalde ongecontroleerde wijze van het uiten van gevoelens dient terug te kunnen worden gevoerd op een stoornis of gebrek. Bij werkneemster is dat niet het geval gebleken, mede gelet op de bevindingen van Van der Veer.

Arbeidskundige beoordeling
6.5.
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in haar rapport van 17 januari 2025 gewezen op een CV van 5 juli 2022 waarop werkneemster heeft vermeld dat zij de Engelse taal beheerst. Werkneemster beschikt over diverse mbo-diploma’s (tot en met mboniveau 3) en zij heeft het vmbo afgerond. Basiskennis van de Engelse taal maakt onderdeel uit van dit onderwijs(niveau). Het vereiste opleidingsniveau in de functie van productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) is 2, terwijl werkneemster opleidingsniveau 4 heeft. Dat werkneemster de Engelse taal niet meer beheerst omdat ze alles vergeten is, is volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep niet aannemelijk. Wellicht kan men stellen dat, als men de Engelse taal niet frequent gebruikt, kennis en vaardigheden verminderen, maar in de huidige samenleving met gebruik van internet, Engelse films et cetera is het niet logisch te veronderstellen dat alle kennis van de Engelse taal vergeten is. Bovendien heeft werkneemster in een WIA-aanvraag (ontvangen 4 januari 2023) aangekruist: “Engels: spreken, lezen, schrijven”.
6.6.
In reactie op werkneemsters standpunt heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in haar rapport van 23 juni 2025 nader toegelicht dat het bij een heroverweging mogelijk is dat niet alle gegevens worden overgenomen en/of dat andere arbeidskundige afwegingen worden gemaakt. De constatering van de primaire arbeidsdeskundige dat werkneemster de Engelse taal niet meer beheerst, heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep dus niet gevolgd. Zowel bij re-integratie, waarvoor een CV wordt opgemaakt, als het doen van een WIA-aanvraag dient een betrokkene juiste en volledige informatie te verstrekken. De eisen voor Engelse taalbeheersing op eindniveau mbo 3 liggen minimaal op “niveau 2 F”, wat betekent dat men in staat is om een eenvoudig gesprek te voeren, korte, eenvoudige teksten te begrijpen en men zich in de basis kan redden in alledaagse situaties. Werkneemster behaalde in 2010 op 22-jarige leeftijd haar mbo 3-diploma Sociaal Pedagogisch Werk. Op de datum in geding is werkneemster 34 jaar oud. De claim dat in de tussenliggende periode de middels opleiding opgebouwde Engelse taalbeheersing volledig is kwijtgeraakt, is mede niet aannemelijk gezien de relatief korte tijdsspanne en de nog relatief jonge leeftijd van werkneemster. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft verwezen naar een artikel over wetenschappelijk onderzoek waaruit blijkt dat het vermogen om een vreemde taal te onthouden en te gebruiken niet vermindert met het verlopen van jaren. In de functie van productiemedewerker industrie is geen sprake van een overstijgend vereist kennisniveau om “functionele instructies in de doeltaal te verwerken binnen een technische werkomgeving”, zoals werkneemster stelt. Het gaat namelijk om het aanleren van specifieke terminologie die gebruikt wordt. Aangezien er al een tijdje op de werkvloer wordt meegelopen, raakt de functionaris al bekend met de terminologie nog voordat de opleiding start. Het gaat in de specifieke functie niet om het vloeiend kunnen spreken van de Engelse taal. Een matige beheersing van de Engelse taal is meer dan voldoende. Ten slotte is het toetsen van de beheersing van de Engelse taal in het kader van de ZW-beoordeling niet aan de orde. De bewijslast dat in werkneemsters situatie de door haarzelf aangeleverde informatie niet juist is en dat zij de beheersing van de Engelse taal volledig is kwijtgeraakt, ligt bij werkneemster zelf.
6.7.
Dit wordt gevolgd. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in haar rapporten van 17 januari 2025 en 23 juni 2025 verwezen naar een uitspraak van de Raad van 16 oktober 2024. In deze uitspraak is ingegaan op het gevraagde niveau van de beheersing van de Engelse taal in de functie productiemedewerker industrie (SBC-code 111180). Dit in verband met een interne opleiding voor het behalen van een soldeercertificaat. Volgens een toelichting van de arbeidskundig analist bedraagt de totale duur van de cursus drieënhalf tot vier dagen. Zowel de les- als examenstof is in het Engels. Gedurende de lessen wordt afwisselend zowel in het Nederlands als in het Engels, naar behoefte van de cursist, uitleg gegeven. Omdat er veel vakjargon bij komt kijken en deze uit Engelse termen bestaan, is het essentieel dat de cursisten zich deze eigen maken. De lessen bestaan voornamelijk uit een praktijkgedeelte (70 tot 80%). Aangevuld dient te worden dat voorafgaand aan de cursus de cursisten al een tijdje mee hebben gelopen op de werkvloer en verondersteld worden al bekend te zijn met gebezigde Engelse terminologie/vakjargon over het werken met printplaten. Werkneemster heeft op haar CV uit 2022 vermeld de Engelse taal te beheersen. Op een aanvraagformulier WIA van 4 januari 2023 heeft werkneemster vermeld de Engelse taal te beheersen in zowel spreken, lezen als schrijven. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft afdoende toegelicht dat dit voldoende is voor deze functie. Dat werkneemster de Engelse taal helemaal niet meer beheerst, heeft zij op geen enkele manier aannemelijk gemaakt. Hiermee staat voldoende vast dat de functie productiemedewerker industrie passend is voor werkneemster en dat de rechtbank deze functie ten onrechte niet passend heeft geacht.
6.8.
Voor het overige heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het Uwv voldoende en inzichtelijk heeft gemotiveerd dat de geduide functies passend zijn voor werkneemster.
Conclusie en gevolgen 6.9.
De hoger beroepen van het Uwv en werkgeefster slagen. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd en het beroep van werkneemster wordt alsnog ongegrond verklaard. Dit betekent dat de beëindiging van de ZW-uitkering van werkneemster per 18 februari 2023 in stand blijft. Omdat de aangevallen uitspraak niet in stand blijft, wordt van het Uwv voor het ingestelde hoger beroep geen griffierecht geheven.

7. Er bestaat aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van werkgeefster. Deze proceskosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor verleende rechtsbijstand begroot op € 934,- in hoger beroep (1 punt voor het hoger beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,-). Ook dient het Uwv het door werkgeefster in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

8. Omdat de hoger beroepen van het Uwv en werkgeefster slagen, krijgt werkneemster geen vergoeding voor haar proceskosten.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep

vernietigt de aangevallen uitspraak;

verklaart het beroep van werkneemster tegen het besluit van 15 februari 2023 ongegrond;

veroordeelt het Uwv in de proceskosten van werkgeefster in hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 934,-;

bepaalt dat het Uwv het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 559,- aan werkgeefster vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna als voorzitter en F.M. Rijnbeek en J.H. Ermers als leden, in tegenwoordigheid van S.P.A. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026.
(getekend) S. Wijna
(getekend) S.P.A. Elzer

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920.

CRvB 16 oktober 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1969.

Artikel delen