Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:CRVB:2026:817

Beëindiging WIA-uitkering per 15 mei 2024 omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is onterecht. Hoger beroep slaagt. Aanpassing FML. De Raad concludeert dat appellante niet geschikt was om de functie medior soldering operator (SBC-code 111180) te vervullen en dat deze functie daarom niet aan de schatting ten grondslag kan worden gelegd en vervalt. Dit betekent dat onvoldoende functies...

Centrale Raad van Beroep 1 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:CRVB:2026:817 text/xml public 2026-07-01T12:05:26 2026-06-25 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-06-10 25/1880 WIA Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:817 text/html public 2026-06-25T15:47:00 2026-07-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:817 Centrale Raad van Beroep , 10-06-2026 / 25/1880 WIA
Beëindiging WIA-uitkering per 15 mei 2024 omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Hoger beroep slaagt. Aanpassing FML. De Raad concludeert dat appellante niet geschikt was om de functie medior soldering operator (SBC-code 111180) te vervullen en dat deze functie daarom niet aan de schatting ten grondslag kan worden gelegd en vervalt. Dit betekent dat onvoldoende functies resteren om de beëindiging van de WIA-uitkering per 15 mei 2024 op te baseren en dat appellante per 15 mei 2024 recht heeft op een ongewijzigde WIA-uitkering.

25/1880 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 1 augustus 2025, 24/2551 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Stichting [naam] te [vestigingsplaats] (ex-werkgeefster)

Datum uitspraak: 10 juni 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de WIA-uitkering van appellante per 15 mei 2024 heeft beëindigd, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellante heeft zij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen en is zij niet in staat de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies te vervullen. De Raad komt tot het oordeel dat het Uwv de WIA-uitkering ten onrechte per 15 mei 2024 heeft beëindigd.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. G.A.R. Wieleman, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante en het Uwv hebben nadere stukken ingediend.

De ex-werkgeefster heeft als derde-belanghebbende deelgenomen aan het geding. Namens haar heeft mr. drs. A. Jurg zich als gemachtigde gesteld en een reactie ingediend.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 8 april 2026. Voor appellante is

mr. Wieleman verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.C. van der Meer. De ex-werkgeefster is niet verschenen.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als helpende voor 17,93 uur per week. Op 14 november 2019 heeft zij zich ziekgemeld in verband met gezondheidsklachten. Bij besluit van 14 december 2021 heeft het Uwv appellante met ingang van 4 december 2021 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 100%. Bij besluit van 7 april 2022 heeft het Uwv appellante na afloop van de loongerelateerde periode met ingang van 4 juni 2022 in aanmerking gebracht voor een WGA-loonaanvullingsuitkering, waarbij appellante onverminderd volledig arbeidsongeschikt is geacht. De ex-werkgeefster van appellante heeft tegen beide besluiten bezwaar gemaakt. Bij beslissing op bezwaar van 26 oktober 2022 heeft het Uwv de bezwaren van ex-werkgeefster ongegrond verklaard.
1.2.
Hangende het beroep van ex-werkgeefster tegen het besluit van 26 oktober 2022 heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidskundige bezwaar en beroep van het Uwv, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid per 4 december 2021 en 4 juni 2022 is beoordeeld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de beperkingen van appellante per 4 december 2021 en 4 juni 2022 neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 21 februari 2024. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat appellante per 4 december 2021 onveranderd 80 tot 100% arbeidsongeschikt is en per 4 juni 2022 18,59%.
1.3.
Bij gewijzigde beslissing op bezwaar van 26 april 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid per 4 december 2021 onveranderd vastgesteld op 80 tot 100% en per 4 juni 2022 op 18,59%. Omdat de WIA-uitkering per 4 juni 2022 minder dan 35% bedraagt, heeft het Uwv – rekening houdend met een uitlooptermijn – de WIAuitkering van appellante per 15 mei 2024 beëindigd en besloten dat ex-werkgeefster per die datum niet meer verantwoordelijk is voor de WIA-uitkering. Ex-werkgeefster heeft zich kunnen vinden het bestreden besluit. Appellante heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en dat niet is gebleken dat de in de FML van 21 februari 2024 aangenomen beperkingen onjuist zijn. Verder heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd dat de geselecteerde functies per beoordelingsdatum van 4 juni 2022 de belastbaarheid van appellante, zoals omschreven in de FML van 21 februari 2024, niet overschrijden.

Het hoger beroep

3. Hangende hoger beroep van appellante heeft het Uwv rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ingebracht. In een rapport van 3 december 2025 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgesteld dat er geen aanleiding bestaat om voor 15 mei 2024 uit te gaan van een andere belastbaarheid dan is vastgelegd in de FML van 21 februari 2024. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft een FML per 15 mei 2024 opgesteld, waarin dezelfde beperkingen zijn opgenomen als in de FML van 21 februari 2024. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in een rapport van 14 januari 2026 geconcludeerd dat appellante per 15 mei 2024 nog steeds geschikt is voor drie van de vier functies, die de arbeidsdeskundige bij de WIA-beoordeling per 4 juni 2022 heeft geselecteerd. Op grond van deze functies heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep het arbeidsongeschiktheidspercentage per 15 mei 2024 vastgesteld op 22,63% en geconcludeerd dat appellante per die datum geen recht heeft op een WIA-uitkering.

Het standpunt van appellante
4.1.
Appellante heeft in hoger beroep gesteld dat per 15 mei 2024 sprake is van een verergering van haar psychische klachten en dat haar beperkingen zijn onderschat. Appellante heeft daarbij verwezen naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 20 februari 2024, waarin de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat er sprake is van een toename van psychische klachten na 9 januari 2023. Bij het opstellen van de FML is echter geen rekening gehouden met deze toename. Appellante stelt dat vanwege de verergering van de klachten er verdergaande beperkingen hadden moeten worden aangenomen in de FML per 15 mei 2024 op de items 1.8.4 en 1.8.5 van de FML. Daarnaast stelt appellante dat in het medisch rapport van Ergatis van 20 april 2021, indertijd aangevraagd door de ex-werkgeefster, en de verzekeringsarts bezwaar en beroep is beschreven, dat sprake is van volledig klachten contigent (passief) handelen en een vermijdende coping. Daarom is zij aangewezen op vastigheid, waardoor volgens haar ook een beperking op item 1.8.3 geïndiceerd is.
4.2
Appellante heeft zich verder op het standpunt gesteld dat zij niet geschikt is voor de functie medior soldering operator in de SBC-code 111180, omdat voor deze functie een interne opleiding is vereist die wordt aangeboden in vier hele dagen en niet in dagdelen van vier uren per dag. Daarmee wordt de urenbelastbaarheid van appellante per dag, te weten niet meer dan 30 uur per week en zes uur per dag, overschreden.

Het standpunt van het Uwv
4.3.
Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het standpunt van de ex-werkgeefster
4.4.
De ex-werkgeefster heeft geen aanleiding gezien om nadere opmerkingen te maken.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de beëindiging van de WIA-uitkering van appellante in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
5.1.
Vastgesteld wordt dat appellante tot 15 mei 2024 recht heeft op een ongewijzigde WIA-uitkering. Dit is niet betwist. De vraag die in dit geding beantwoord dient te worden is of het Uwv terecht heeft vastgesteld dat appellante per 15 mei 2024 minder dan 35% arbeidsongeschikt is, op grond waarvan de WIA-uitkering is beëindigd.
5.2
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.

Medische beoordeling
5.3.
Appellante wordt niet gevolgd in haar standpunt dat het Uwv haar psychische beperkingen per 15 mei 2024 heeft onderschat. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 3 december 2025 onderkend dat appellante enige psychische klachten is gaan ervaren na januari 2023. Daarbij was er reden om rekening te houden met een mogelijk een mild PTSS-beeld, al waren daar op het moment van onderzoek te weinig aanwijzingen voor. De verzekeringsarts heeft echter geen reden gezien om per datum van het spreekuur op 30 oktober 2023 of nadien uit te gaan van een wezenlijke toename van de psychische beperkingen. Daarbij heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep ook meegenomen dat op grond van de andere medische problematiek reeds beperkingen zijn aangenomen voor het persoonlijk en sociaal functioneren in de FML, los van de vraag of wel of geen sprake zou zijn geweest van een PTSS. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in een rapport van 31 maart 2026 toegelicht dat bij de eerdere beoordeling al rekening is gehouden met het medisch rapport van Ergatis. De combinatie hiervan met de nieuwe klachten is voor de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen reden om van een wezenlijk ernstiger medisch beeld uit te gaan dan per 4 juni 2022. Appellante heeft in hoger beroep geen medische informatie betrekking ingebracht die doet twijfelen aan de beperkingen voor de bij appellante bestaande psychische klachten per 15 mei 2024. Er bestaan dan ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de psychische beperkingen van appellante zijn onderschat.

Arbeidskundige beoordeling
5.4.
Uitgaande van de juistheid van de FML van 21 februari 2024 is de vraag aan de orde of het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de schatting per 15 mei 2024 ten grondslag gelegde functie medior soldering operator in (SBC-code 111180) geschikt is voor appellante. In deze functie, zoals die geldt op 15 mei 2024, moet tijdens een week een interne opleiding in het Engels (Engelse vaktaal/terminologie zoals die ook op de werkvloer voorkomt) worden gevolgd, met een duur van vier dagen achtereen en een omvang van acht uren per dag (zes uur theorie en twee uur praktijk). Deze opleiding moet een keer in de twee jaar worden gevolgd.
5.5.
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in overleg met de verzekeringsarts bezwaar en beroep deze functie – ondanks de overschrijding van de urenbeperking – geschikt geacht voor appellante. In de rapporten van 14 januari 2026 en 1 april 2026 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep opgemerkt dat de duurbelasting per week van ongeveer 30 uren per week met slechts twee uren per week wordt overschreden wordt, dat sprake is van een recuperatiedag en dat deze belasting slechts bij aanvang van het dienstverband voorkomt en nadien een keer per twee jaar voor (om gecertificeerd te blijven). De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep beschouwt de overschrijding als een incidentele piekbelasting en daarom heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep deze functie haalbaar voor appellante geacht. Daarbij is nog opgemerkt dat in de functie structureel slechts 19 uur per week hoeft te worden gewerkt, waardoor ook voor en na de incidentiele piekbelasting afdoende ruimte is om voor te bereiden dan wel te recupereren.
5.6.
Verder heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van belang geacht dat in de FML van 21 februari 2024 bij de toelichting bij beoordelingspunt 6.2 is vermeld ‘tot ongeveer 6 uur per dag en bij beoordelingspunt 6.3 ‘tot ongeveer 30 uur per week’. Vanwege de omzetting van de FML van 21 februari 2024 naar de FML van 15 mei 2024 is deze toelichting niet gegeven, omdat binnen versie 6.0 van Basisinformatie CBBS vanaf 8 maart 2024 het toevoegen van een toelichting op deze items niet meer mogelijk is. In de FML van 15 mei 2024 geldt bij beoordelingspunt 6.2 de score 2b, te weten licht beperkt, kan niet meer dan zes uur per dag werken, en bij beoordelingspunt 6.3 de score 3b, te weten beperkt, kan niet meer dan 30 uur per week werken. Volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep betekent dat niet dat de belastbaarheid is gewijzigd of dat een zeer incidentele piekbelasting niet meer mogelijk is per 15 mei 2024. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarbij nog opgemerkt dat de score 2a respectievelijk 3a, te weten licht beperkt, kan gemiddeld ongeveer zes uur per dag werken respectievelijk ongeveer 30 uur per week werken, zijn bedoeld voor uitzonderingssituaties, zoals een verminderde beschikbaarheid of daadwerkelijke werkhervatting.
5.7.
Hoewel het Uwv heeft gesteld dat enkel vanwege systeemtechnische redenen een FML per 15 mei 2024 is opgesteld en dat daarmee niet is bedoeld de belastbaarheid van appellante te wijzigen, is de Raad van oordeel dat de motivering van het Uwv omtrent de overschrijding op de urenbeperking in de functie van medior soldering operator niet kan worden gevolgd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 20 februari 2024 vermeld dat een beperking tot zes uur per dag, 30 uur per week afdoende moet zijn om rekening te houden met de beperkte energetische vermogens van appellante als gevolg van haar medische klachten en heeft daarbij geen marge of nuancering aangegeven. Ook in de FML van 21 februari 2024 staat in de toelichting bij beoordelingspunt 6.2 ‘tot ongeveer 6 uur per dag’ en bij beoordelingspunt 6.3 ‘tot ongeveer 30 uur per week’. Hoewel de interne opleiding inderdaad slechts bij aanvang van de werkzaamheden en vervolgens een keer in de twee jaar voortkomt en op weekbasis slechts sprake is van een overschrijding van twee uur, is evenwel tijdens de opleiding sprake van een overschrijding van de duurbelasting per dag van twee uur gedurende vier dagen in diezelfde week. Ook al zou de vastgestelde urenbeperking een zeker marge inhouden, kan deze overschrijding gelet op het voorgaande niet worden aangemerkt als een marginale overschrijding van de belastbaarheid of als een incidentele piekbelasting.
5.8.
De Raad concludeert dan ook dat appellante op 15 mei 2024 niet geschikt was de functie medior soldering operator (SBC-code 111180) te vervullen en dat deze functie daarom niet aan de schatting ten grondslag kan worden gelegd.
5.9.
Met het vervallen van de functie medior soldering operator (SBC-code 111180) resteren nog maar twee functies die voor appellante geschikt zijn, zoals het Uwv ter zitting heeft bevestigd. Dit betekent dat onvoldoende functies resteren om de beëindiging van de WIAuitkering per 15 mei 2024 op te baseren en dat appellante per 15 mei 2024 recht heeft op een ongewijzigde WIA-uitkering.
Conclusie en gevolgen 5.10.
Het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak zal worden vernietigd. Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor zover daarin de WIAuitkering van appellante per 15 mei 2024 is beëindigd. Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht zal de Raad zelf voorzien en bepalen dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit. Dit betekent dat appellante met ingang van 15 mei 2024 onverminderd recht heeft op een WIA-uitkering.

6. Er bestaat aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.868,- in beroep (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en € 2.335,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand (1 punt voor het hogerberoepschrift, 0,5 punt voor een nadere reactie en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,-). In totaal een bedrag van € 4.203,-.

7. Verder dient het Uwv het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht aan appellante te vergoeden.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep

vernietigt de aangevallen uitspraak;

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 26 april 2024, voor zover daarin de WIA-uitkering van appellante per 15 mei 2024 is beëindigd;

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;

veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 4.203,-.;

bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 194,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van S. Ploum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2026.
(getekend) M.E. Fortuin
(getekend) S. Ploum

Artikel delen