Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:GHARL:2025:8616

Verbintenissenrecht. Investeringsovereenkomst of overeenkomst van geldlening? Indien geldlening; is die inmiddels al opeisbaar geworden, of zijn er bindende afspraken gemaakt over de opeisbaarheid die afwijken van wat is bepaald in de schriftelijke overeenkomst van geldlening?

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 7 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:GHARL:2025:8616 text/xml public 2026-07-07T17:13:39 2025-12-29 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2025-12-23 200.345.483/01 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:8616 text/html public 2026-01-07T10:24:09 2026-07-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2025:8616 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 23-12-2025 / 200.345.483/01
Verbintenissenrecht. Investeringsovereenkomst of overeenkomst van geldlening? Indien geldlening; is die inmiddels al opeisbaar geworden, of zijn er bindende afspraken gemaakt over de opeisbaarheid die afwijken van wat is bepaald in de schriftelijke overeenkomst van geldlening?

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.345.483/01

zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 226421

arrest van 23 december 2025

in de zaak van

[appellante] ( [appellante] )

die woont in [woonplaats1]

advocaat: mr. H. Veldman

en

[geïntimeerde] ( [geïntimeerde]

die gevestigd is in [vestigingsplaats1]

advocaat: mr. E.J. Loos
<nr>1</nr>Het verloop van de procedure in hoger beroep
[appellante] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, (hierna: de rechtbank) op 19 juni 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:

de dagvaarding in hoger beroep

de memorie van grieven tevens houdende akte vermeerdering van eis

de memorie van antwoord

het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 30 juli 2025 is gehouden

Na een aanhouding van de zaak voor minnelijk overleg hebben partijen laten weten dat een regeling niet is bereikt en hebben zij verzocht om arrest. Daarop heeft het hof de zaak bepaald voor arrest.
<nr>2</nr>De kern van de zaak
Het gaat in deze zaak om de vraag of er tussen [geïntimeerde] en de heer [naam1] , de inmiddels overleden echtgenoot van [appellante] , een overeenkomst van geldlening is gesloten, waarbij [geïntimeerde] aan [naam1] een bedrag van ruim € 150.000 heeft uitgeleend, of dat sprake was van een risicodragende investering van [geïntimeerde] in een gezamenlijk project van [geïntimeerde] , de DGA van [geïntimeerde] , en [naam1] . Als sprake was van een overeenkomst van geldlening speelt verder nog de vraag of die lening inmiddels ook opeisbaar is geworden.
<nr>3</nr>De feiten
Het hof gaat uit van de volgende feiten
3.1
[appellante] was de echtgenote van de inmiddels overleden heer [naam1] (hierna: [naam1] ). [geïntimeerde] en [naam1] waren bevriend.
3.2
In 1996 heeft [naam1] samen met zijn ex-echtgenote een boerderij gekocht in Sorbey

(Frankrijk). In 2004 heeft hij de naastgelegen grond erbij gekocht om daar nog twee

woonhuizen te realiseren voor de verkoop (hierna: het project).
3.3
[naam1] is in 2006 gescheiden van zijn ex-echtgenote. [naam1] is daarna getrouwd met [appellante] .
3.4
Omdat [naam1] onvoldoende financiële middelen had om het project te financieren

heeft [geïntimeerde] in de periode van 28 april 2005 tot en met 8 november 2010 meerdere keren

geld overgemaakt naar [naam1] ten behoeve van het project in Sorbey. In totaal gaat het om

een bedrag van € 153.365,92.
3.5
Op 19 juli 2011 hebben [geïntimeerde] en [naam1] de volgende overeenkomst opgesteld

en ondertekend:

‘ [geïntimeerde] heeft aan ( [naam1] een bedrag van € 153365,92 (zegge

honderddrieenvijftigduizenddriehonderdvijfenzestig Euro en 92 cent) geleend tegen een

rente percentage van 4 % per annum.

Het totale leenbedrag beslaat uit de volgende deelbedragen:

(…)

[naam1] verplicht zich bij deze tot volledige terugbetaling van het geleende bedrag, inclusief de uit hoofde van deze lening verschuldigde rente. De totale aflossing zal niet later plaatshebben dan op de datum van verkoop van voornoemd project.

[naam1] heeft het recht om op ieder moment, het nog verschuldigde deel van de originele

leenbedrag te voldoen. Zulks zonder bijbetaling van verdere kosten.

[geïntimeerde] heeft het recht het nog resterende bedrag van de lening en

verschuldigde rente direct op te eisen.’
3.6
De overeenkomst was opgesteld door [geïntimeerde] . In een begeleidende mail van eveneens 19 juli 2011 heeft [geïntimeerde] het volgende aan [naam1] bericht:“even ter info: dit heeft verder geen invloed op wat we hebben afgesproken, alleen stond het op de balans en moest ING weten wat het behelsde”.
3.7
[naam1] is in juni 2018 overleden. Het project was toen nog niet af. [appellante] is zijn enig erfgename en zij heeft de erfenis zuiver aanvaard.
3.8
Op 27 september 2018 heeft [geïntimeerde] een brief naar [appellante] gestuurd. In die brief heeft [geïntimeerde] een aantal afspraken vastgelegd die hij met [appellante] zou hebben gemaakt over de geldlening en het project. Die afspraken behelzen dat [geïntimeerde] [appellante] zal assisteren bij de verkoop van het project, “zodat [geïntimeerde] bij een succesvolle transactie uit de gerealiseerde verkoopsom kan worden voldaan”.In de afspraken is in dat verband vastgelegd dat [appellante] aan [geïntimeerde] een onherroepelijke en onvoorwaardelijke volmacht verleent ten behoeve van een verkoop van het project aan een derde. Verder is onder meer vastgelegd:

5. In geval van een verkooptransactie, zal de Geldlening onmiddellijk geheel of gedeeltelijk worden afgelost uit de opbrengst van de verkoop van het Project. De overeenkomst van geldlening d.d. 19 juli 2011 blijft onverminderd van kracht.

6. Indien en voor zover de opbrengst van het Project hoger is dan het bedrag dat u uit hoofde van de Geldlening aan ons verschuldigd bent, is [geïntimeerde] , bovenop

de uit hoofde van de Geldlening verschuldigde bedragen gerechtigd tot 50% van het surplus.”

De brief is door [appellante] voor akkoord ondertekend.
3.9
Na de verkoop van de voormalige echtelijke woning heeft [appellante] op 1 juni 2025 aan [geïntimeerde] een bedrag van € 25.000,- voldaan als aflossing op de lening. Na die betaling heeft [geïntimeerde] op dezelfde dag aan [appellante] geschreven dat het openstaande bedrag van de lening inclusief rente € 200.899,20 bedraagt. Verder schrijft hij in die brief onder meer:

“Na onderling overleg besluiten we afspraak 7 van de onderhavige leenovereenkomst. als volgt te wijzigen

Indien en voor zover de opbrengst van de verkoop van het Project lager is dan het bedrag dat u aan ons verschuldigd bent uit hoofde van de Geldlening maar wij schriftelijk akkoord zijn gegaan met de verkoopsom, zal de gehele opbrengst van

de verkoop aan ons toekomen en zal het restant van het nog te vorderen bedrag van de Geldlening (met de daarover verschuldigde rente) worden gekwijt.”

Ook die brief is door [appellante] voor akkoord ondertekend.
3.10
Op 6 september 2022 heeft [geïntimeerde] aan [appellante] een Whatsapp bericht gestuurd dat hij een geïnteresseerde partij heeft gevonden die het project wil afmaken en die de lening wil overnemen voor maximaal € 100.000. Op 13 september 2022 heeft hij hierover telefonisch contact met [appellante] . In dat gesprek verlangt [geïntimeerde] van [appellante] nog een aanvullende betaling van € 25.000. [appellante] weigert in dat gesprek die betaling te doen. Zij bevestigt die weigering in een e-mail van 5 oktober 2022. Volgens haar is een aanvullende betaling in strijd met de gemaakte afspraken
3.11
[geïntimeerde] is bij brief van 27 oktober 2022 overgegaan tot opeising van de geldlening en heeft [appellante] gesommeerd om over te gaan tot betaling van het openstaande bedrag van de geldlening vermeerderd met rente ad € 211.985,62.

In deze sommatie schrijft [geïntimeerde] onder meer:

‘Gezien de plotselinge wijziging in uw houding jegens ons, na ons laatste gesprek van 13 september 2022 jl., is bij ons het gerechtvaardigd vermoeden gerezen dat, ondanks piëteit en geduld van onze zijde, geen sprake meer zal zijn van een minnelijke afwikkeling en volledige aflossing van de Geldlening. Om die reden zijn wij genoodzaakt het openstaande bedrag van de Geldlening, in overeenstemming met de overeenkomst van 19 juli 2011, per direct geheel op te eisen.’
3.12
Bij brief van 3 november 2022 heeft [appellante] aan [geïntimeerde] bericht dat zij pas tot betaling over zal gaan als het project verkocht is.
3.13
Op 28 november 2022 heeft de (toenmalige) advocaat van [geïntimeerde] [appellante] nogmaals gesommeerd om tot betaling over te gaan.
3.14
Bij brief van 9 december 2022 heeft [appellante] op de sommatie gereageerd en laten weten niet tot betaling over te gaan. Ook heeft zij in deze brief de nietigheid van de

overeenkomsten van 27 september 2018 en 1 juni 2021 ingeroepen vanwege een wilsgebrek dan wel misbruik van omstandigheden.
3.15
[appellante] is niet tot betaling overgegaan, ook niet nadat de advocaat van [geïntimeerde] haar op 16 maart 2023 nogmaals gesommeerd heeft tot betaling van € 218.978,32.
<nr>4</nr> <?linebreak?>4. De vorderingen bij – en de beslissing van de rechtbank 4.1
[geïntimeerde] heeft bij de rechtbank gevorderd dat wordt verklaard voor recht dat de leningsovereenkomst van 19 juli 2011 van kracht is en dat [appellante] wordt veroordeeld tot betaling van € 218.978,32, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 200.894,64 vanaf de dag van dagvaarding.

[appellante] heeft in reconventie gevorderd dat wordt verklaard voor recht dat de overeenkomst van 19 juli 2011 is verjaard en dat de overeenkomsten van 27 september 2018 en 1 juni 2021 nietig zijn, met veroordeling van [geïntimeerde] tot terugbetaling van het bedrag van € 25.000.
4.2
De rechtbank heeft in conventie verklaard voor recht dat tussen partijen de leningsovereenkomst van 19 juli 2011 van kracht is en heeft [appellante] veroordeeld tot betaling van € 218.978,32 vermeerderd met de wettelijke rente over € 200.894,64 vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van betaling, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten. In reconventie zijn de vorderingen van [appellante] afgewezen, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten.
4.3
Op 10 juli 2024 is [geïntimeerde] overgegaan tot het leggen van executoriaal beslag op de woning en het loon van [appellante] .
<nr>5</nr> <?linebreak?>5. De vorderingen in hoger beroep
[appellante] vordert in hoger beroep, na vermeerdering van eis, dat het vonnis van de rechtbank in conventie wordt vernietigd, dat de vorderingen van [geïntimeerde] worden afgewezen en dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot terugbetaling van wat onverschuldigd blijkt te zijn betaald.
<nr>6</nr> <?linebreak?>6. De toelichting op de beslissing van het hof
Inleiding
6.1
Tegen de vermeerdering van eis door [appellante] in hoger beroep – de vordering tot terugbetaling van wat onverschuldigd is betaald - is geen bezwaar gemaakt en het hof heeft daar ook ambtshalve geen bezwaar tegen, zodat ook op die vordering beslist zal worden.
6.2
[appellante] heeft geen hoger beroep ingesteld van het vonnis dat in reconventie is gewezen. De afwijzing van haar beroep op verjaring van de vorderingen van [geïntimeerde] uit de overeenkomst van 19 juli 2011 en de afwijzing van haar beroep op de nietigheid van de overeenkomsten van 27 september 2018 en 1 juni 2021 zijn daarmee onherroepelijk. Dat geldt ook voor haar vordering tot terugbetaling van € 25.000.
6.3
Het hof zal beslissen dat de leningsovereenkomst van 19 juli 2011 wel van kracht is, maar dat die op sommige punten afwijkt van wat [naam1] en [geïntimeerde] eerder hadden afgesproken. Partijen zijn aan die eerdere afspraken gebonden, in het bijzonder de afspraak dat geen rente is verschuldigd over de hoofdsom. Maar ook aan de afspraak dat het geld uit de verkoop van de woningen moest komen. In lijn met die laatste afspraak heeft [geïntimeerde] op 27 september 2018 en 1 juni 2021 bindende nadere afspraken gemaakt met [appellante] , waaruit volgt dat de leningsovereenkomst nog niet opeisbaar is.

De grieven van [appellante] tegen het vonnis slagen daarmee ten dele. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd en er zal gedeeltelijk anders worden beslist. [geïntimeerde] wordt daarbij veroordeeld tot terugbetaling aan [appellante] van wat onder het beslag door haar is betaald.

Hierna zal worden toegelicht hoe het hof tot zijn beslissingen is gekomen.

de motivering van de beslissing
6.4
[appellante] heeft drie bezwaren (grieven) naar voren gebracht tegen het bestreden vonnis. In die grieven snijdt zij de volgende kwesties aan:

a) is er op 19 juli 2011 een overeenkomst van geldlening tot stand gekomen tussen [naam1] en [geïntimeerde] , of ging het in werkelijkheid om een risicodragende investering van [geïntimeerde] en zijn Holding in een gezamenlijk project;b) als sprake is van een geldleningsovereenkomst, is die lening dan wel opeisbaar, nu volgens [appellante] in de aanvullende overeenkomst van 27 september 20218 is vastgelegd dat aflossing van de lening alleen aan de orde is bij verkoop van het project;c) als sprake is van een geldlening, is daarover dan wel rente verschuldigd, nu door [geïntimeerde] tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank is verklaard dat de oorspronkelijke afspraak was dat [naam1] alleen terug hoefde te betalen wat hij geleend had?

Daarnaast voert [appellante] aan dat inmiddels al diverse bedragen zijn uitgewonnen onder het executoriale beslag. Volgens [appellante] dienen die nu als onverschuldigd betaald aan haar terugbetaald te worden. Het hof zal hieronder op deze kwesties ingaan.

de geldleningsovereenkomst van 19 juli 2011 is geldig
6.5
[appellante] heeft niet betwist dat de overeenkomst door [naam1] is ondertekend. De overeenkomst heeft daarmee te gelden als een onderhandse akte waaraan dwingende bewijskracht toekomt ten aanzien van de in die overeenkomst opgenomen verklaringen van [geïntimeerde] en [naam1] (artikel 157 lid 2 Rv). Tegen dit dwingende bewijs staat tegenbewijs open (artikel 151 lid 2 Rv). Dat tegenbewijs is niet beperkt tot de stelling dat anders is verklaard dan in de overeenkomst is opgenomen, maar kan ook betrekking hebben op de stelling dat de in de overeenkomst opgenomen verklaring niet overeenstemt met de werkelijkheid.
6.6
Volgens [appellante] is dat laatste het geval, want zij stelt dat in werkelijkheid sprake was van een risicodragende investering van [geïntimeerde] en zijn Holding in een gezamenlijk project van [geïntimeerde] en [naam1] . Ter onderbouwing van die stelling beroept [appellante] zich op correspondentie tussen [naam1] en [geïntimeerde] voorafgaand aan, maar ook na die overeenkomst. De overeenkomst betrof volgens [appellante] een schijnhandeling die kennelijk was bedoeld om schulden van [geïntimeerde] aan zijn Holding weg te werken in het zicht van de koop van een woning door [geïntimeerde] .
6.7
[appellante] kan worden toegegeven dat in correspondentie tussen [naam1] en [geïntimeerde] verschillende malen wordt gesproken over een project waarin zij gezamenlijk deelnemen.

Die correspondentie levert echter nog niet het tegenbewijs op dat [naam1] en [geïntimeerde] niet bedoeld hebben met de overeenkomst van 19 juli 2011 daadwerkelijk een geldleningsovereenkomst te sluiten; een overeenkomst waarbij de geldverstrekking door [geïntimeerde] en zijn Holding is vastgelegd als een lening door [geïntimeerde] aan [naam1] .
6.8
Uit die correspondentie komt namelijk ook naar voren dat er tussen [naam1] en [geïntimeerde] onduidelijkheid over bestond hoe de geldverstrekkingen te beschouwen waren: als (risicodragende) investering of als geldlening en dat zij daarover contact hebben gehad met elkaar. Zo schrijft [geïntimeerde] in een mail van 22 juni 2010 aan [naam1] :“Even iets anders [naam1] . Heb jij de bouw in Frankrijk ondergebracht in een apart bedrijfje van ons samen of staat alles nog op jouw persoonlijke naam? De reden dat ik dit vraag is een belastingtechnische. Als de transacties vanuit mijn Holding in een apart investeringsbedrijf ( van jou en mij) komen is het een investering: als jij het daar allemaal nog op jouw persoonlijke naam hebt staan, is het een lening. Daar moeten we op korte termijn naar kijken, zodat e.e a. niet spaak gaat lopen met de belastingen alhier.

In antwoord daarop schrijft [naam1] op 15 augustus 2010:Als we een CSI aangaan in Fr. zijn we voordelig uit in Fr. Boekhoudkundig zitten we voorlopig goed door geld wat niet van mij is als schuld op te nemen.”
6.9
Vast staat dat het project altijd op naam is blijven staan van [naam1] en dat het niet is gekomen van de oprichting van een gezamenlijk (investerings)bedrijf. Tegen die achtergrond is het verklaarbaar dat, hoewel [naam1] en [geïntimeerde] onderling ook hebben gesproken over een gezamenlijk project, zij hebben besloten de geldverstrekkingen te gieten in de vorm van een overeenkomst van geldlening en dat zij daarbij (kennelijk) hebben besloten om die te zetten op naam van [naam1] en [geïntimeerde] . Dat [geïntimeerde] duidelijkheid nodig had over de titel waaronder de gelden aan [naam1] ter beschikking waren gesteld vanwege de door hem voorgenomen koop van een woning, brengt daar geen verandering in.
6.10
De stelling dat [geïntimeerde] het doel van de ter beschikking gestelde gelden heeft veranderd van een risicodragende investering in een lening om in het zicht van de aankoop van die woning zijn schuld aan zijn Holding te verminderen, is door [geïntimeerde] weersproken. [appellante] heeft die stelling verder niet onderbouwd en is ook niet bijzonder aannemelijk in het licht van de correspondentie dat de mogelijkheid bestond om de samenwerking te gieten in een CSI (in welk geval geen sprake zou zijn van een geldlening, maar van een investering). Bovendien, ook als het een (risicodragende) investering zou zijn geweest, had [geïntimeerde] schulden aan zijn Holding kunnen verminderen door de investering op naam van zijn Holding te zetten.
6.11
De correspondentie ontzenuwt daarmee niet de dwingende bewijskracht van de overeenkomst van geldlening. [appellante] heeft verder geen andere omstandigheden aangevoerd die dat tegenbewijs wel kunnen opleveren.

Integendeel, ook [appellante] lijkt er, voordat het in deze zaak tot een procedure kwam, niet aan getwijfeld te hebben dat sprake was van een geldlening. Zij heeft immers ingestemd met het maken van aanvullende afspraken uitgaande van de geldleningsovereenkomst. Dat die aanvullende afspraken tot stand zouden zijn gekomen onder invloed van wilsgebreken is een stelling die zij in hoger beroep niet langer inneemt. Ook heeft zij nog een aflossing op de lening verricht van € 25.000, waar zij in hoger beroep niet langer de terugbetaling van vordert. Kennelijk heeft ook [naam1] bij leven [appellante] er niet over geïnformeerd dat geen sprake zou zijn van een geldlening, maar van een risicodragende investering, wat wel voor de hand had gelegen als van een geldlening in werkelijkheid geen sprake zou zijn geweest.
6.12
Het hof deelt daarmee het oordeel van de rechtbank dat de overeenkomst van 19 juli 2011 een reële overeenkomst van geldlening betreft, welke nu geldt tussen [geïntimeerde] en [appellante] .

het uitgeleende bedrag volgens de overeenkomst van geldlening is echter niet opeisbaar
6.13
Het hof is wel met [appellante] van oordeel dat het bedrag uit de overeenkomst van geldlening van 19 juli 2011 nog niet opeisbaar is.
6.14
Tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank heeft [geïntimeerde] verklaard: “Het geld moest uit de verkoop van de woningen komen. Dat is vanaf het begin af aan altijd de onderliggende afspraak geweest”. De zinssnede in de e-mail van 11 juli 2011: “even ter info: dit heeft verder geen invloed op wat we hebben afgesproken, alleen stond het op de balans en moest ING weten wat het behelsde”, doelde daarmee kennelijk ook op de afspraak dat het geld voor het terugbetalen van de lening moest komen uit de verkoop van het project. De aanvullende overeenkomst van 27 september 2018 behelst in lijn hiermee dat de geleende geldsom zal worden voldaan uit de verkoopopbrengst van het project. Daarbij zijn ook nadere afspraken vastgelegd over wat [geïntimeerde] aanvullend nog toekomt als de gerealiseerde verkoopopbrengst hoger is dan de geleende som. In de nadere aanvullende overeenkomst van 1 juni 2022 is daarnaast vastgelegd welke (verminderde) aanspraken op terugbetaling [geïntimeerde] heeft als de verkoopopbrengst waarmee [geïntimeerde] heeft ingestemd minder bedraagt dan de geleende som. De gerealiseerde verkoopopbrengst is volgens deze nadere afspraken dus mede bepalend voor de betalingsverplichtingen en -aanspraken die kunnen voortvloeien uit de overeenkomst van geldlening.

De aanvullende overeenkomst van 27 september 2018 moet daarmee worden begrepen als (ook) een afspraak tussen [geïntimeerde] en [appellante] over het moment waarop de geleende som opeisbaar zal zijn, te weten bij verkoop van het project; zij hield kennelijk in dat de datum van opeisbaarheid van de lening verschoof van “niet later dan uiterlijk op de datum van de verkoop van het project” naar “uit de gerealiseerde verkoopopbrengst”. In ieder geval had [appellante] dat redelijkerwijs zo mogen begrijpen. Uit de correspondentie tussen partijen blijkt dat [appellante] dat ook van meet af aan zo begrepen heeft.
6.15
Daar doet niet aan af dat in de aanvullende overeenkomst van 27 september 2018 is bepaald: “De overeenkomst van geldlening d.d. 19 juli 2011 blijft onverminderd van kracht” en dat in de overeenkomst van 19 juli 2011 is bepaald: “[geïntimeerde] heeft het recht het nog resterende bedrag van de lening en verschuldigde rente direct op te eisen.” Zoals gezegd, heeft [geïntimeerde] in de mail van 11 juli 2011 geschreven dat de schriftelijke overeenkomst niet bedoelde een wijziging aan te brengen in de oorspronkelijke afspraken. En de oorspronkelijke afspraak was dat het geld moest komen uit de verkoop van het project. Bovendien, als [geïntimeerde] het anders bedoelde dan als door [appellante] is opgevat, had het op haar weg als opsteller van de aanvullende bepalingen gelegen om dat voldoende duidelijk te maken. Als zij bedoelde dat lening ook na het maken van die nadere afspraken te allen tijde door haar opgeëist zou kunnen worden, had zij dat expliciet in de nadere afspraken moeten vermelden. Het alleen indirect kenbaar maken van die bedoeling, door te verwijzen naar de overeenkomst van 19 juli 2011, is in het licht van de nader gemaakte afspraken en de e-mail van 11 juli 2011 onvoldoende.
6.16
[geïntimeerde] heeft verder niets aangevoerd waaruit volgt dat de overeenkomst van 27 september 2018 nu niet meer geldt. Van (een geldige buitengerechtelijke) ontbinding van die overeenkomst en de daarin vastgelegde afspraken is niet gebleken en die wordt in deze procedure ook niet gevorderd. [geïntimeerde] heeft wel gesteld dat [appellante] doelbewust haar verplichtingen om medewerking te verlenen aan de verkoop van het project niet nakomt, maar zij heeft daar geen verbintenisrechtelijke gevolgen aan verbonden.

Daarbij wordt opgemerkt dat het [geïntimeerde] zelf is geweest die verdere verkooppogingen heeft gestaakt nadat [appellante] had geweigerd om nog een aanvullend bedrag van € 25.000,- te betalen. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [geïntimeerde] niet duidelijk kunnen maken uit welke (contractuele) verplichting een gehoudenheid van [appellante] daartoe zou volgen.

geen rente verschuldigd over de geldlening
6.17
[geïntimeerde] heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep bevestigd dat partijen in eerste instantie hadden afgesproken dat [naam1] over de door [geïntimeerde] en zijn Holding ter beschikking gestelde bedragen geen rente verschuldigd zou zijn. De zinssnede in de e-mail van 11 juli 2011: “even ter info: dit heeft verder geen invloed op wat we hebben afgesproken, alleen stond het op de balans en moest ING weten wat het behelsde”, doelde daar volgens hem op. Zij heeft voor haar rentevordering echter aangevoerd dat [appellante] in de aanvullende overeenkomst van 1 juni 2021 er zelf voor heeft getekend dat de openstaande schuld nog € 200.899,20 bedroeg. Dat bedrag was berekend inclusief rente. Daarmee heeft [appellante] die rente zelf aanvaard, aldus [geïntimeerde] .
6.18
De stelling dat [appellante] zelf de verschuldigdheid van rente over de lening heeft aanvaard, wordt verworpen. Uit niets blijkt dat [appellante] toen al de wetenschap had dat [naam1] en [geïntimeerde] , in afwijking van de geldleningsovereenkomst van 19 juli 2011, waren overeengekomen dat alleen het bedrag in hoofdsom verschuldigd was en dat daarover geen rente berekend zou worden. [geïntimeerde] was vanwege die afspraak niet gerechtigd om aan [appellante] een bedrag voor te leggen waarin wel rente was berekend. In die situatie is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [geïntimeerde] [appellante] zou kunnen houden aan haar instemming met het door de holding in strijd met die afspraak berekende bedrag van de openstaande schuld. Zij is dus geen rente verschuldigd over het bedrag in hoofdsom.

[geïntimeerde] dient aan [appellante] terug te betalen van wat onder het beslag uitgewonnen is
6.19
De slotsom uit het vorenstaande is dat de veroordeling van [appellante] om een geldbedrag te betalen aan [geïntimeerde] zal worden vernietigd. Daaruit volgt dat de vordering van [appellante] om [geïntimeerde] te veroordelen tot terugbetaling van geldbedragen die onder het executoriale beslag zijn uitgewonnen, slaagt. Voor de goede orde wordt daarbij opgemerkt dat tot die verplichting tot terugbetaling niet behoort het bedrag van € 25.000 dat [appellante] op 1 juni 2021 aan [geïntimeerde] heeft betaald. De terugbetaling van dat bedrag is al bij de rechtbank gevorderd en afgewezen en daartegen heeft [appellante] geen hoger beroep ingesteld.

bewijsaanbiedingen
6.20
Partijen hebben over en weer bewijs aangeboden van hun stellingen door het horen van getuigen.

[appellante] heeft aangeboden [geïntimeerde] te horen over de stelling dat geen sprake is van een overeenkomst van geldlening. Aan dat aanbod gaat het hof voorbij. [appellante] heeft in dit verband geen concreet te bewijzen feiten en omstandigheden gesteld waarover [geïntimeerde] als getuige kan verklaren.

Voor het overige hebben de aanbiedingen van partijen geen betrekking op feiten en omstandigheden die, indien zij zouden komen vast te staan, leiden tot een ander oordeel.

slotsom
6.21
Het hoger beroep slaagt gedeeltelijk. Het bestreden vonnis in conventie zal om redenen van proceseconomie geheel vernietigd worden.
6.22
Omdat partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld, zowel in de procedure bij de rechtbank in conventie als in hoger beroep, zal het hof bepalen dat elke partij zijn eigen kosten moet dragen (compensatie van proceskosten).
6.23
De veroordeling in deze uitspraak kan ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).


<nr>7</nr>De beslissing
Het hof:
7.1
vernietigt het in conventie gewezen vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen van 19 juni 2024, en beslist:
7.2
verklaart voor recht dat tussen partijen de geldleningsovereenkomst van 19 juli 2011 van kracht is, met dien verstande dat:a) over het uitgeleende bedrag geen contractuele rente verschuldigd is;b) de verplichting tot terugbetaling van het geleende bedrag pas opeisbaar is bij verkoop van het project;c) de omvang van die verplichting nader wordt bepaald door wat partijen daarover aanvullend hebben afgesproken in de overeenkomsten van 27 september 2018 en 1 juni 2021;
7.3
veroordeelt [geïntimeerde] tot terugbetaling aan [appellante] van al wat door haar is betaald aan [geïntimeerde] op grond van het door [geïntimeerde] onder haar gelegde executoriale beslag;
7.4
verklaart deze veroordeling tot terugbetaling uitvoerbaar bij voorraad;
7.5
wijst af wat meer of anders is gevorderd;
7.6
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van de procedure draagt, in beide instanties. Voor de procedure bij de rechtbank geldt deze beslissing alleen voor de procedure in conventie.

Dit arrest is gewezen door mrs. O.E. Mulder, M.E.L. Fikkers en A. Elgersma, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

23 december 2025.

Hoge Raad 13 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:848

Artikel delen