Art. 1:265a BW
Het hof heeft de beschikking van de kinderrechter, waarbij de machtiging tot uithuisplaatsing werd verlengd, mede gelet op de uitslag van het in het kader van het hoger beroep verrichte deskundigenonderzoek, bekrachtigd.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 7 July 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2026:1175
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26-02-2026
Datum publicatie
07-07-2026
Zaaknummer
200.333.550
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
ECLI:NL:GHARL:2026:1175text/xmlpublic2026-07-07T17:18:392026-02-26Raad voor de RechtspraaknlGerechtshof Arnhem-Leeuwarden2026-02-26200.333.550UitspraakHoger beroepNLArnhemCiviel recht; Personen- en familierechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:1175text/htmlpublic2026-03-05T11:34:492026-07-07Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:GHARL:2026:1175 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 26-02-2026 / 200.333.550 Art. 1:265a BW
Het hof heeft de beschikking van de kinderrechter, waarbij de machtiging tot uithuisplaatsing werd verlengd, mede gelet op de uitslag van het in het kader van het hoger beroep verrichte deskundigenonderzoek, bekrachtigd.
(zaaknummer rechtbank Overijssel 296200) beschikking van 26 februari 2026 inzake
[verzoekster]
,
wonende te [woonplaats] ,verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. F. Pool, en de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de GI,
en
[verweerder]
,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. W.G. ten Brummelhuis. 1Het verloop van het geding in hoger beroep1.1 Voor het verloop van het geding tot 26 augustus 2025 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum. 1.2 Het verdere verloop blijkt uit:
- een journaalbericht namens de moeder van 19 september 2025 met bijlagen;
- een e-mailbericht van de deskundige drs. [naam1] van 26 september 2025;
- een journaalbericht namens de vader van 2 oktober 2025 met bijlagen;
- een e-mailbericht van de GI van 6 oktober 2025;
- een journaalbericht namens de moeder van 10 november 2025 met bijlagen;
- een journaalbericht namens de vader van 11 november 2025 met een bijlage;
- een journaalbericht namens de vader van 12 januari 2026 met bijlagen. 1.3 De mondelinge behandeling is voortgezet op 16 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:
-de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
-twee vertegenwoordigers van de GI;
-de vader, bijgestaan door zijn advocaat. 2De motivering van de beslissing2.1 Het hof zal beslissen over de verlenging van de uithuisplaatsing van [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ), geboren [in] 2014. Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de (tussen)beschikking van 26 augustus 2025, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist. Het betreft een verlenging waarvan de duur inmiddels (ruimschoots) in het verleden ligt. 2.2 In de tussenbeschikking van 28 december 2023 heeft het hof het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (het NIFP) verzocht om te bemiddelen bij de benoeming van een deskundige voor het verrichten van een onderzoek. 2.3 In de tussenbeschikking van 24 december 2024 heeft het hof een deskundigenonderzoek als bedoeld in artikel 810a Rv bevolen en daarbij aan het NIFP vragen gesteld. 2.4 In de tussenbeschikking van 26 augustus 2025 heeft het hof uitgebreid geciteerd uit de door de deskundige opgemaakte rapporten van 6 mei 2025 en uit de ouderschapsevaluatie van [naam2] van 2 december 2024.
Beide ouders hebben verklaard dat zij zich niet kunnen vinden in de uitkomsten van het deskundigenonderzoek, omdat er volgens hen een discrepantie zit tussen de conclusies in de desbetreffende rapporten, die volgens de ouders erg negatief van toon zijn, en de verslaglegging van [naam2] , die de omgang tussen de ouders en [de minderjarige] al langdurig begeleidt en juist een heel positief beeld van de ouders en de omgang beschrijft. Het is voor de ouders niet duidelijk of de verslaglegging van [naam2] in de forensisch psychologische onderzoeken van de deskundige is betrokken. 2.5 Het hof heeft in de tussenbeschikking van 26 augustus 2025 de beslissing aangehouden en de advocaten van de ouders, in overleg met de jeugdbeschermer, in de gelegenheid gesteld om de onderzoeksverslagen van [naam2] toe te zenden aan de forensisch psychologisch onderzoekers, die op hun beurt werden verzocht de volgende vragen van het hof te beantwoorden: Waren de door partijen overgelegde verslagen van [naam2] bij de onderzoekers bekend bij de totstandkoming van de forensisch psychologische onderzoeken en daarbij behorende conclusies? Op welke wijze zijn deze verslagen in het onderzoek betrokken? Indien de inhoud van de verslagen van [naam2] niet bekend waren: leidt de inhoud hiervan voor de forensisch psychologische onderzoekers tot een andere conclusie? 2.6 In het e-mailbericht van de deskundige drs. [naam1] van 26 september 2025 is te lezen:
“(…)
Als rapporteurs is mij en medeonderzoeker hr. [naam3] verzocht om enkele aanvullende vragen te beantwoorden. Onze wijze van onderzoeken betreft altijd een rechtstreeks contact met betrokken hulpverleners, in dit geval begeleiders van [naam2] . Wij gaan zoveel als mogelijk uit van informatie die wij uit eerste hand vernemen. Daarbij is een recent beeld van belang. Bijkomend voegen wij aan onze stukken, zoals ook in rapportages vermeld, samenvattende rapportages toe van instanties. In dit geval van [naam2] . Wij gaan ervan uit dat dergelijke samenvattende beeldvorming afdoende weergeeft hoe de omgang verloopt. In dit geval is dit zeker zo, gezien de overeenstemming die wij hebben beluisterd in ons rechtstreekse gesprek. Conclusies en adviseringen zijn dus op voldoende informatie gebaseerd. Dit is vanuit de feedback, door NIFP verzorgd, onderschreven; zij zagen hierin geen punt van aandacht.
(…)” 2.7 Uit het e-mailbericht van de jeugdbeschermer van 6 oktober 2025 blijkt dat het standpunt van de GI naar aanleiding van het deskundigenrapport ongewijzigd is, dat de in de bestreden beschikking gegeven verlenging van de uithuisplaatsing in het belang van [de minderjarige] was en dat de GI geen aanvullende opmerkingen heeft. 2.8 In de reactie van mr. Pool van 10 november 2025 is te lezen dat de moeder van mening blijft dat er een grote discrepantie bestaat tussen de conclusies uit het deskundigenrapport van [naam1] en de omgangsverslagen/evaluaties van [naam2] . Volgens de moeder heeft de deskundige slechts één uur geobserveerd en daarnaast een half uur overleg gepleegd met [naam2] . Niet is gebleken dat er omgangsverslagen van [naam2] in het deskundigenonderzoek zijn betrokken. Er wordt in het rapport slechts één evaluatie van [naam2] van 29 september 2023 genoemd, terwijl er omgangsverslagen en evaluaties van [naam2] op basis van minimaal 142 uur observaties beschikbaar zijn. Volgens de moeder heeft de deskundige ook geen dan wel geen afdoende antwoord gegeven op de in de tussenbeschikking van 26 augustus 2025 door het hof geformuleerde vragen.
De moeder is van mening dat de verslagen van [naam2] een betrouwbaarder beeld van haar functioneren als opvoeder van [de minderjarige] geven dan hetgeen uit het deskundigenrapport blijkt. De moeder verzoekt het hof om de uiteindelijke beslissing enkel te baseren op de omgangsverslagen en evaluaties van [naam2] en het deskundigenrapport daarentegen niet in de beoordeling te betrekken. 2.9 In de reactie van mr. Ten Brummelhuis van 11 november 2025 is te lezen dat de vader van mening is dat door de deskundige [naam1] geen adequate antwoorden worden gegeven op de drie door het hof in de tussenbeschikking van 26 augustus 2025 geformuleerde vragen. Kennelijk zijn de verslagen van [naam2] op geen enkele wijze betrokken in het deskundigenonderzoek. Volgens de vader is het opmerkelijk dat van het telefonisch contact van een half uur met de ambulant begeleider van [naam2] door [naam1] geen verslag is opgenomen, terwijl van andere informantencontacten wel verslagen zijn opgenomen. De door [naam1] getrokken conclusie en adviezen zijn gebaseerd op slechts één observatie van de omgang tussen de vader en [de minderjarige] , terwijl er diverse verslagen van [naam2] zijn over een periode van ruim twee jaar, waarin een positief verloop van de omgang wordt beschreven. De vader kan zich niet aan de indruk onttrekken dat [naam1] in de beoordeling de aanname heeft betrokken dat bij de vader sprake zou zijn van een autismespectrumstoornis, wat nog niet op een deugdelijk onderzoek is gebaseerd.
De vader handhaaft de stellingen uit zijn verweerschrift en verzoekt het hof om, als het hof tot de conclusie komt dat terugplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder niet tot de mogelijkheden behoort, te bepalen dat [de minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij hem zal hebben, dan wel de beslissing te nemen die het hof juist acht. 2.10 Het hof overweegt als volgt. In de bestreden beschikking van 14 juli 2023 heeft de kinderrechter geoordeeld dat het op dat moment voor [de minderjarige] noodzakelijk is dat haar behandeling bij [naam4] wordt voortgezet en dat die behandeling, die negen tot 12 maanden zal duren, niet ambulant in de thuissituatie bij de moeder kan worden geboden. Volgens de kinderrechter werd de opvoedsituatie bij de moeder bij de aanvang van de uithuisplaatsing van [de minderjarige] ontoereikend geacht en is ook op dat moment (14 juli 2023) niet gebleken dat de opvoedvaardigheden van de moeder tegemoet komen aan de langdurig verzwaarde opvoedvraag van [de minderjarige] , die behoefte heeft aan een professionele opvoedomgeving. De moeder kon [de minderjarige] niet voldoende emotionele en fysieke beschikbaarheid bieden. De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking geoordeeld dat in die situatie geen structurele verandering is gekomen. De ouders hebben op dat moment nog niet meegewerkt aan het geadviseerde persoonlijkheidsonderzoek en mediationtraject.
De vraag die nu door het hof moet worden beantwoord is of de verlenging van de uithuisplaatsing ten tijde van de bestreden beschikking noodzakelijk was voor [de minderjarige] .
Het hiervoor in rechtsoverweging 2.3 genoemde deskundigenonderzoek is uitgevoerd door de forensisch psychologische onderzoekers drs. [naam1] en drs. [naam3] , die in hun rapportages van 6 mei 2025 onder meer hebben geschreven:
“(…)
Plaatsing bij haar moeder is noch in het belang van [de minderjarige] , noch in het belang van moeder.
(…)
Moeder kan [de minderjarige] liefde bieden en aandacht en met externe hulp de opvoedsituatie tijdelijk voldoende vormgeven. Ze kan echter niet die ontwikkelingsmogelijkheden aan [de minderjarige] bieden die een 11-jarige nodig heeft. Daarbij wordt opgemerkt dat [de minderjarige] een pedagogisch klimaat nodig heeft dat specifiek gericht is op haar problematiek: aansluiten bij haar emotionele leeftijd en uitdaging bieden om een eventuele inhaalslag te bevorderen is van groot belang voor [de minderjarige] maar gaat de mogelijkheden van moeder, ook met ondersteuning, fors te boven.
(…)
Voor [de minderjarige] is stabiliteit in haar leefomgeving van groot belang; zij heeft baat bij een zo continu mogelijk goed op haar toegesneden pedagogisch klimaat. Daarin kan noch vader noch moeder voldoende voorzien. Plaatsing bij een van haar ouders lijkt dan ook voor [de minderjarige] niet in het belang van haar ontwikkeling en deeltijdplaatsing evenmin
(…)”. 2.11 In de ouderschapsevaluatie van [naam2] van 2 december 2024 is, onder meer, het volgende te lezen:
“(…) Moeder kan in de huidige omgangstijden (09.00 uur tot 13.00 uur waarvan tussen 10.00 uur en 13.00 uur begeleid) voldoende rekening houden met de bovenstaande punten. Er zijn twee aandachtspunten voor moeder naar voren gekomen uit de 14 onderdelen van dit verslag. Het eerste aandachtspunt verhoudt zich tot het geven van zoetigheid gedurende de omgang.
(…)
Het tweede aandachtspunt is een consequente houding die moeder moet aannemen in de opvoeding van [de minderjarige] . Wanneer [de minderjarige] voelt dat er ruimte is om te onderhandelen met moeder, pakt [de minderjarige] deze ruimte ook. Dit is overigens wel passend bij de leeftijd van [de minderjarige] . Echter, dit kan op de langere termijn resulteren in dat [de minderjarige] moeilijker het gezag van moeder accepteert. Tot slot biedt een consequente houding ook duidelijkheid en voorspelbaarheid aan [de minderjarige] .
Kijkend naar het vervolg van dit verslag: de Goed Genoeg Ouderschapsbeoordeling heeft als doel gehad om meer informatie te verschaffen over de opvoedsituatie van moeder tijdens de omgangsmomenten die zij heeft met [de minderjarige] . Voor de huidige opvoedsituatie zijn er, op bovenstaande aandachtspunten na, geen vervolgadviezen vanuit [naam2] . Moeder heeft, zoals eerder beschreven, aangegeven graag te zien dat [de minderjarige] in de toekomst bij haar komt wonen. [naam2] adviseert moeder om dan de samenwerking met de hulpverlening nog voort te zetten indien moeder hulpvragen ervaart in verband met dat zij dan in een andere opvoedsituatie zit met [de minderjarige] .
(…)”. 2.12 Gelet op al het voorgaande komt het hof tot het oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing op dat moment in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk was. Het hof legt hierna uit hoe het tot dat oordeel is gekomen.
Het volgende is gebleken. [de minderjarige] verblijft op dit moment in een behandelgroep van [naam4] . Zij verblijft elk oneven weekend van vrijdag 15.00 uur tot zondag 15.00 uur bij de moeder, waarbij gedeeltelijk begeleiding door [naam2] wordt geboden. [de minderjarige] verblijft elk even weekend van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de vader, waarbij een achterwacht van [naam4] is geregeld. Naar aanleiding van de door beide ouders genoemde forse discrepantie tussen het rapport van de deskundigen en de omgangsverslagen van [naam2] , heeft het hof de tussenbeschikking van 26 augustus 2025 gegeven, zoals hiervoor in 2.5 genoemd. 2.13 Naar het oordeel van het hof hebben de deskundigen in hun reactie aan het hof op 26 september 2025 niet expliciet geantwoord of zij tijdens hun onderzoek beschikten over alle omgangsverslagen van [naam2] , zoals deze achteraf alsnog aan hen zijn gezonden. Het hof begrijpt uit het antwoord van de deskundigen wel dat hun advies mede is gebaseerd op de informatie die zij in een rechtstreeks contact met [naam2] hebben gekregen en dat die informatie overeenkwam met hun eigen conclusie. Wat daar ook van zij, de deskundigen hebben onderzocht en geadviseerd over de (uiteindelijke) vraag in hoeverre plaatsing van [de minderjarige] (op korte of lange termijn) bij de moeder dan wel bij de vader in het belang van [de minderjarige] is. De deskundigen hebben daarop geantwoord, zoals hiervoor in rechtsoverweging 2.10 al is geciteerd, dat (deeltijd)plaatsing van [de minderjarige] bij de moeder, noch bij de vader in het belang van [de minderjarige] is. In dit verband overweegt het hof dat de vraag of [de minderjarige] bij de vader geplaatst zou kunnen worden dan wel haar hoofdverblijf bij de vader kan worden vastgesteld niet kan worden beantwoord in deze procedure, waarin slechts de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voorligt. Het desbetreffende verzoek van de vader zal daarom worden afgewezen. 2.14 Het hof begrijpt uit de verslaglegging van [naam2] , waaruit hiervoor in rechtsoverweging 2.11 is geciteerd, dat door [naam2] het zogenoemde Goed Genoeg Ouderschap van de moeder is beoordeeld, met name tijdens de omgangsmomenten. [naam2] beschrijft dat de omgang, op enkele aandachtspunten na, positief verloopt, maar geeft geen advies over een eventuele thuisplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder. [naam2] geeft wel een advies voor extra hulp bij een eventuele thuisplaatsing van [de minderjarige] , omdat de moeder dan in een andere opvoedsituatie met [de minderjarige] komt. 2.15 Uit de stukken en wat tijdens de zitting is gezegd kan het hof opmaken dat de moeder (en de vader) een positieve ontwikkeling hebben doorgemaakt in de contacten met [de minderjarige] . Ook zijn beide ouders inmiddels bereid om aan hun eigen problematiek te werken. Het hof waardeert het dat de ouders deze stappen, die ook in het belang van [de minderjarige] zijn, zetten. De moeder is onlangs gestart met een lifestyletraject, waarbij zij hulp krijgt van onder andere een diëtist en een fysiotherapeut. De vader ondergaat binnenkort een onderzoek naar een mogelijke stoornis in het autistisch spectrum. Alles overziende komt het hof tot de conclusie dat het in ieder geval ten tijde van de bestreden beschikking niet in het belang van [de minderjarige] was om bij de moeder thuis geplaatst te worden. De moeder beschikte -in ieder geval destijds- over onvoldoende opvoedcapaciteiten om aan de bovengemiddelde opvoedbehoefte van [de minderjarige] te voldoen. De bestreden beschikking, waarbij de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] werd verlengd, zal daarom worden bekrachtigd. 3De beslissing Het hof, beschikkende in hoger beroep: bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 14 juli 2023, voor zover daarbij de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] is verlengd; wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mrs. S. Kuijpers, R. Prakke-Nieuwenhuizen en I.J. Pieters, bijgestaan door G.E.M. Bours als griffier, en is op 26 februari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.