Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:GHARL:2026:2294

Familierecht. Verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing (artikel 1:265c lid 2 BW). Het perspectiefbesluit. De aanvaardbare termijn voor een plaatsing bij de moeder is verstreken, gelet op de duur van uithuisplaatsing (drie jaren) en de kwetsbaarheid van de minderjarige, die al sinds kort na haar geboorte bij pleegouders woont.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24 April 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:GHARL:2026:2294 text/xml public 2026-04-24T12:00:12 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-04-16 200.363.822/01 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2294 text/html public 2026-04-21T10:41:57 2026-04-24 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:2294 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 16-04-2026 / 200.363.822/01
Familierecht. Verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing (artikel 1:265c lid 2 BW). Het perspectiefbesluit. De aanvaardbare termijn voor een plaatsing bij de moeder is verstreken, gelet op de duur van uithuisplaatsing (drie jaren) en de kwetsbaarheid van de minderjarige, die al sinds kort na haar geboorte bij pleegouders woont.
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.363.822/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 199664)

beschikking van 16 april 2026

in de zaak van

[verzoekster] (de moeder),

die woont in [woonplaats1] ,

verzoekster in hoger beroep,

advocaat: mr. H.C.L. Crozier te Sneek,

en

de gecertificeerde instelling,

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (de GI),

gevestigd te Amsterdam.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

[belanghebbende1] en [belanghebbende2] (de pleegouders),

wonende te [woonplaats2] ,

advocaat: mr. M. Kramer te Haarlem.
<nr>1</nr>Samenvatting
De rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] verlengd tot 1 juni 2026. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.
<nr>2</nr>De feiten 2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] , geboren [in] 2023.
2.2.
[de minderjarige] staat sinds 1 juni 2023 onder toezicht van de GI. Per diezelfde datum is ook een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een pleeggezin verleend.
2.3.
[de minderjarige] woont al sinds kort na haar geboorte bij de pleegouders.
<nr>3</nr>De procedure bij de rechtbank 3.1.
De GI heeft de kinderrechter verzocht de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en [de minderjarige] nog langer uit huis te mogen plaatsen, tot 1 juni 2026 (de duur van de ondertoezichtstelling).
3.2.
De kinderrechter heeft bij (tussen)beschikking van 26 mei 2025 de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengd tot 1 juni 2026 en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 1 november 2025. De beslissing is voor het overige deel (de resterende termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing) door de kinderrechter aangehouden tot de in die beschikking genoemde zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank.
3.3.
De rechtbank heeft bij de bestreden beschikking van 17 oktober 2025 de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot uiterlijk

1 juni 2026.
<nr>4</nr>De procedure bij het hof 4.1.
De moeder is het niet eens met de beslissing van de rechtbank van 17 oktober 2025. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt. Zij verzoekt het hof te bepalen dat er nader onderzoek dient plaatst te vinden naar het perspectief van [de minderjarige] en de termijn van de machtiging uithuisplaatsing te beperken tot drie maanden na de beschikking van het hof.
4.2.
De GI wil dat de beslissing in stand blijft. Ook de pleegouders willen dat de beslissing in stand blijft.
4.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:

- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 15 januari 2026;

- een journaalbericht namens de moeder van 29 januari 2016 met bijlage(n);

- een brief van de raad van 3 februari 2026 met bijlage(n), waarbij de raad zich tevens afmeldt voor de zitting;

- het verweerschrift met bijlage(n);

- een journaalbericht namens de pleegouders van 19 februari 2026 met bijlage(n);

- een journaalbericht namens de moeder van 6 maart 2026.
4.4.
De zitting bij het hof was op 10 maart 2026. Aanwezig waren:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- een vertegenwoordiger namens de GI;

- de pleegouders, bijgestaan door hun advocaat.
<nr>5</nr>Het oordeel van het hof
De wet
5.1.
De kinderrechter kan een machtiging geven een kind uit huis te plaatsen. De rechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van het kind of voor onderzoek van het kind. De rechter kan die machtiging ook verlengen als de GI of de raad dat verzoeken.

De beoordeling
5.2.
De moeder heeft geen belang meer bij het tweede deel van haar verzoek om de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing te beperken tot drie maanden na de beschikking van het hof, aangezien de termijn van de huidige machtiging op 1 juni 2026 afloopt en dat korter is dan drie maanden na de datum van deze beschikking.
5.3.
Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing moet worden verlengd en sluit zich aan bij de overwegingen van de rechtbank, ook voor zover het door de GI genomen perspectiefbesluit bij die beoordeling is betrokken (r.o. 4.3 van de bestreden beschikking). Het hof voegt daar het volgende aan toe.
5.4.
[de minderjarige] woont al vanaf kort na haar geboorte bij de pleegouders. De moeder wist niet dat zij zwanger was en heeft [de minderjarige] na de geboorte vrijwillig in een pleeggezin laten plaatsen, omdat zij op dat moment niet voor haar kon zorgen. De moeder is in de eerste drie maanden van [de minderjarige] leven niet betrokken geweest en in de maanden erna minimaal. Vanaf het tweede levensjaar van [de minderjarige] ging het beter met de moeder en stelde zij zich meewerkend op. Zij was toen meer aanwezig en beschikbaar voor [de minderjarige] . Het gaat naar omstandigheden goed met [de minderjarige] , maar er zijn wel zorgen over haar emotionele en sociale ontwikkeling, waarvoor zij een VVE-indicatie (voor- en vroegschoolse educatie) heeft. De pleegouders en kinderopvang ervaren dat [de minderjarige] bovenmatig alert is op haar omgeving, moeite heeft met prikkelverwerking en nauwelijks behoeftes aangeeft. De GI heeft, met inzet van [naam1] ( [naam1] ), geprobeerd om zicht te krijgen op de opvoedvaardigheden van de moeder en de mogelijkheden van een thuisplaatsing van [de minderjarige] . Dit werd echter bemoeilijkt doordat [de minderjarige] hevig ontregeld gedrag liet zien na de omgang: onrustig, moeilijk inslapen, hard huilen, fysieke reactie (krabben, slaan, bijten, bonken met hoofd, eczeem) of juist apathisch stil zijn. Dit maakt dat [de minderjarige] minder toekomt aan haar ontwikkelingstaken en veel begeleiding van de pleegouders vraagt. Halverwege 2024 is [naam2] (Kinder- en jeugd GGZ) ingezet. Er zijn observaties verricht en [de minderjarige] is gestart met EMDR-therapie, vanwege het vermoeden van preverbaal trauma tijdens de zwangerschap en na de bevalling en problemen met het hechtingsproces met de moeder. Uit het eindverslag van 30 januari 2025 blijkt dat de therapie [de minderjarige] meer rust heeft gebracht en dat zij zich beter kan uiten, maar dat de spanning en ontregeling na de omgang bleef. Ook valt te lezen dat het de moeder niet altijd lukte om bij alle omgangsmomenten en belangrijke evaluaties aanwezig te zijn, naast een aantal keren dat de omgang vanuit de pleegouders of [de minderjarige] niet kon doorgaan, waardoor de continuïteit in de omgang mist. Volgens [naam2] kan de onduidelijkheid over het perspectief van [de minderjarige] , een gevoelig meisje, dat dat zonder meer aanvoelt, ook van invloed zijn op de ouder-kind relatie. Uit een brief van de kinderopvang van 17 februari 2026 blijkt dat een groot terugkerend contrast wordt gezien in het gedrag van [de minderjarige] na de omgang met de moeder en dat de kinderopvang daarom extern advies heeft ingewonnen via Veilig Thuis . Meerdere MDO’s over het welbevinden van [de minderjarige] hebben ertoe geleid dat de GI de omgang halverwege 2025 in duur heeft teruggebracht. Na de start van [de minderjarige] op de peutergroep na de zomer van 2025 wordt een positieve lijn gezien in haar ontwikkeling. Ze is actiever en laat meer emoties zien.
5.5.
De GI heeft, mede op basis van de resultaten van het opvoedonderzoek door [naam1] (van februari 2025 tot en met april 2025), besloten dat het perspectief van [de minderjarige] bij de pleegouders ligt. Dit vanwege de aanhoudende hevige reacties van [de minderjarige] op de omgang waardoor de omgang niet kon worden uitgebreid maar juist is beperkt, terwijl de aanvaardbare termijn voor [de minderjarige] om nog in onzekerheid te verkeren over waar zij zal opgroeien inmiddels is verstreken (op dat moment twee jaar). Het verbreken van de hechtingsrelatie met de pleegouders wordt door de GI en [naam1] onder de huidige omstandigheden, gelet op de draagkracht van [de minderjarige] , niet in haar belang geacht.
5.6.
Ook het hof is van oordeel dat de aanvaardbare termijn waarin [de minderjarige] in onzekerheid kan verkeren over waar zij zal opgroeien, (ruimschoots) is verstreken. [de minderjarige] woont inmiddels drie jaar (op enkele dagen na haar hele leven) bij de pleegouders, waar zij zich is gaan hechten, zich vertrouwd voelt en structuur en veiligheid ervaart. Het doorbreken van deze opvoedingssituatie zou een nieuw trauma voor [de minderjarige] opleveren en het hof vreest voor de negatieve gevolgen daarvan voor haar ontwikkeling. Voor het hof weegt zwaar mee dat [de minderjarige] op zeer jonge leeftijd uit huis is geplaatst en er (al) zorgen zijn over haar (gehechtheids)ontwikkeling en opgelopen trauma, waardoor zij kwetsbaar is. Het is in het belang van [de minderjarige] en alle betrokkenen dat er duidelijkheid komt over waar zij gaat opgroeien. Het hof is het met de moeder eens dat het opvoedonderzoek door [naam1] enigszins beperkt heeft plaatsgevonden, omdat de omgang niet kon worden uitgebreid. Daardoor is er geen compleet beeld ontstaan van de opvoedmogelijkheden van de moeder in relatie tot de opvoedbehoefte van [de minderjarige] . Het hof kent hieraan echter minder gewicht toe dan aan het oordeel over de aanvaardbare termijn en het belang van [de minderjarige] om duidelijkheid te hebben over waar zij zal gaan opgroeien. Het hof realiseert zich dat het voorgaande een verdrietige conclusie is voor de moeder, te meer nu ook is gebleken dat de omgang zelf goed verloopt, de moeder positieve opvoedvaardigheden laat zien en goed aansluit bij [de minderjarige] . Dit is heel waardevol voor zowel de moeder als [de minderjarige] . Het leidt alleen niet tot een ander oordeel over haar perspectief. Dat de omgang goed verloopt, betekent overigens niet dat de signalen die [de minderjarige] daarna laat zien een andere oorzaak moeten hebben dan de veronderstelde pre-verbale traumaproblematiek, zoals de moeder heeft gesteld. De omgangsmomenten kunnen een trigger zijn van dat trauma, ook al is dat op dat moment niet direct zichtbaar. Hoe dan ook is door diverse professionals en betrokkenen opgemerkt dat de omgang in het verleden en nog steeds voor ontregeling zorgt bij [de minderjarige] , waardoor haar ontwikkeling stagneerde en er onvoldoende kon worden toegewerkt naar een plaatsing van [de minderjarige] bij de moeder.
5.7.
Het voorgaande betekent ook dat het hof het verzoek van de moeder om een nader onderzoek te gelasten zal afwijzen. Een nieuw onderzoek naar de opvoedingsvaardigheden van de moeder kan niet tot een andere beslissing van deze zaak leiden omdat de aanvaardbare termijn waarin [de minderjarige] in onzekerheid verkeert over haar opgroeiperspectief inmiddels is verstreken. Dit leidt tot de slotsom dat het hof de bestreden beschikking zal bekrachtigen.
5.8.
Tot slot benadrukt het hof dat de moeder een belangrijke rol in het leven van [de minderjarige] vervult. De GI heeft ter zitting van het hof aangegeven, mede op basis van de recente bevindingen van [naam3] , die video-interactiebegeleiding inzet tijdens de omgangsmomenten, aandacht te houden voor hun onderlinge band en uitbreiding van het contact, zodra [de minderjarige] daartoe in staat is. Ook uit het verslag van [naam1] blijkt dat hiervoor in de toekomst mogelijkheden worden zien, wanneer het de moeder lukt om stabiel te blijven en zich aan afspraken te houden.
<nr>6</nr>De beslissing
Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van

17 oktober 2025;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. C. Coster, mr. J.G. Knot en mr. M. Kemmers, bijgestaan door mr. E. Klijn als griffier, en is op 16 april 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Artikel 1:265b lid 1 BW.

Artikel 1:265c lid 2 BW.

Artikel delen