Incidentele vordering tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad op grond van artikel 351 Rv. Verkoop woning. Belangenafweging. Kennelijke misslag.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27 May 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2026:3104
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-05-2026
Datum publicatie
27-05-2026
Zaaknummer
200.364.162/01
Rechtsgebied
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
ECLI:NL:GHARL:2026:3104text/xmlpublic2026-05-27T11:54:242026-05-18Raad voor de RechtspraaknlGerechtshof Arnhem-Leeuwarden2026-05-12200.364.162/01UitspraakHoger beroepTussenuitspraakNLLeeuwardenCiviel rechtEerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2025:7001Rechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:3104text/htmlpublic2026-05-27T11:53:592026-05-27Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:GHARL:2026:3104 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 12-05-2026 / 200.364.162/01 Incidentele vordering tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad op grond van artikel 351 Rv. Verkoop woning. Belangenafweging. Kennelijke misslag.
zaaknummer rechtbank Overijssel 327286 arrest van 12 mei 2026 in de zaak van
[appellante]
die woont in [woonplaats1]
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de rechtbank optrad als gedaagde
hierna: [appellante]
advocaat: mr. E.J.E. Boot en 1 [geïntimeerde1] 2. [geïntimeerde2]
die wonen in [woonplaats2]
en bij de rechtbank optraden als eiser
hierna afzonderlijk: [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] en gezamenlijk [geïntimeerden]
advocaat: mr. M. Arraiss 1Het verloop van de procedure in hoger beroep 1.1.
[appellante] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Overijssel (hierna: de rechtbank) op 3 december 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep (met eis in het incident) de memorie in het incident op grond van artikel 351 Rv 1.2. Partijen hebben arrest gevraagd in het incident en zij hebben de stukken daarvoor aan het hof gegeven. 2De beoordeling in het incident2.1. Voor zover van belang voor de beoordeling in het incident, gaat het in deze zaak om het volgende. 2.2.
[geïntimeerden] hebben een recreatiewoning gekocht van [appellante] voor een koopprijs van € 432.000. In de verkoopbrochure van de woning is opgenomen dat het dak is vernieuwd in 2017. Daarnaast heeft [appellante] op de vraag “Heeft u het dak al eens (gedeeltelijk) laten vernieuwen/repareren? Zo ja, waar en wanneer?” geantwoord: “Ja, CA 2015.” Op de vraag “Zijn er gebreken aan het dak bekend?” heeft ze geantwoord met “Nee.” 2.3. De koopovereenkomst is op 13 oktober 2022 getekend. [geïntimeerden] hebben na de levering van de woning op 1 maart 2023 diverse lekkages ontdekt. Dit hebben zij gemeld bij [appellante] die aansprakelijkheid hiervoor heeft afgewezen. Daarna hebben [geïntimeerden] onderzoek laten verrichten door inspecteurs van meerdere bedrijven, waarna is gebleken dat het dak van de recreatiewoning meerdere gebreken vertoonde, waaronder het doorzakken van het dak, lekkage en houtrot. Naar aanleiding van deze onderzoeken hebben [geïntimeerden] een nieuwe dakconstructie over de bestaande dakconstructie laten bouwen. Voor deze werkzaamheden is een bedrag van € 67.357 in rekening gebracht bij [geïntimeerden] 2.4. Met een brief van 8 juli 2024 hebben [geïntimeerden] aan [appellante] medegedeeld dat zij vervangende schadevergoeding vorderen in plaats van nakoming. 2.5.
[geïntimeerden] vorderen in deze procedure dat [appellante] wordt veroordeeld tot betaling van € 67.357 aan vervangende schadevergoeding en € 520 aan deskundigenkosten, te vermeerderen met wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. 2.6. De rechtbank heeft in het vonnis van 3 december 2025 [appellante] veroordeeld tot betaling van € 67.877, te vermeerderen met wettelijke rente en tot betaling van € 1.453,77 aan buitengerechtelijke kosten. [appellante] is ook veroordeeld in de proceskosten. [appellante] is het niet eens met dit vonnis en is daarvan in hoger beroep gekomen middels een appeldagvaarding. [appellante] heeft daarbij tevens een incidentele vordering ingesteld. 3De toelichting op de beslissing van het hof3.1. In dit incident vordert [appellante] dat het hof de tenuitvoerlegging van het vonnis van 3 december 2025 schorst op de voet van artikel 351 Rv, althans zodanige voorzieningen treft die het hof nodig acht, met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van dit incident. [geïntimeerden] hebben in hun memorie van antwoord in incident geconcludeerd tot afwijzing van de incidentele vordering met veroordeling van [appellante] in de kosten van het incident. 3.2. Ter onderbouwing van haar incidentele vordering stelt [appellante] dat het vonnis berust op meerdere feitelijke en juridische kennelijke misslagen. Daarnaast voert [appellante] aan dat zij een alleenstaande gepensioneerde vrouw is en dat, zolang niet op het door haar ingestelde rechtsmiddel is beslist, haar belang bij behoud van de bestaande toestand zwaarder weegt dan het (financiële) belang van [geïntimeerden] bij het kunnen executeren van het vonnis. [geïntimeerden] hebben het dak al laten repareren, zodat het materiële belang ontbreekt. Onder deze omstandigheden zou executie van het vonnis naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn en neerkomen op misbruik van executiebevoegdheid in de zin van artikel 3:13 BW. 3.3. Voor de beoordeling van een incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging (artikel 351 Rv) geldt het volgende toetsingskader:
a. Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling uitvoerbaar moet zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd, ook als daartegen hoger beroep is ingesteld. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als omstandigheden meebrengen dat het belang van de veroordeelde partij om de bestaande situatie te houden zoals deze is totdat op het hoger beroep is beslist, zwaarder weegt dan het belang van de andere partij om de uitspraak uit te kunnen (laten) voeren.
b. Het hof gaat bij toepassing van de onder a. genoemde maatstaf in een incident uit van de overwegingen en beslissingen in de uit te voeren uitspraak en kijkt voor zijn beslissing niet naar de kans van slagen van het hoger beroep. Als blijkt dat de beslissing van de rechtbank op een kennelijke misslag berust, kan het hof daaraan wel gevolgen voor de uitvoerbaarheid verbinden.
c. Als de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad door de rechtbank is gemotiveerd, moet de eiser in zijn vordering feiten en omstandigheden noemen waarmee bij het nemen van de beslissing nog geen rekening kon worden gehouden omdat die feiten of omstandigheden zich pas na de uitspraak hebben voorgedaan. Die feiten en omstandigheden moeten kunnen rechtvaardigen dat van de eerdere beslissing van de rechtbank wordt afgeweken. De eiser hoeft dit punt niet te noemen als de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad berust op een kennelijke misslag. Kennelijke misslag 3.4. Het hof volgt [appellante] niet in haar standpunt dat sprake is van een kennelijke misslag. Van een kennelijke misslag is sprake wanneer de rechtbank een onmiskenbaar onjuiste beslissing heeft genomen die op het eerste gezicht, zonder nadere bestudering van het dossier, waarneembaar is. [appellante] heeft acht volgens haar kennelijke misslagen aangevoerd die zien op het verzuim, het ontbreken van een ingebrekestelling, het beroep op de klachtplicht, de bewijswaardering, de vaststelling van de schade en de schending van de onderzoeksplicht door [geïntimeerden] Deze punten leveren geen op het eerste gezicht kenbare misslag op, maar vergen een inhoudelijke beoordeling door het hof in de hoofdzaak en kunnen daar (zo nodig) worden hersteld. In wezen stelt [appellante] daarmee niet meer dat en waarom zij het niet eens is met het oordeel van de rechtbank. Dat een oordeel in hoger beroep mogelijk anders uitvalt, levert echter nog geen kennelijke misslag op. Zoals gezegd, blijft in dit incident de kans van slagen van het hoger beroep in beginsel buiten beschouwing. Onder deze omstandigheden is de executie niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar en levert dit ook geen misbruik van executiebevoegdheid op. Belangenafweging 3.5. De rechtbank heeft geen gemotiveerde beslissing gegeven over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Het hof zal daarom de belangen van partijen afwegen. Het hof is van oordeel dat het belang van [appellante] bij behoud van de huidige situatie niet opweegt tegen het belang van [geïntimeerden] om het vonnis te kunnen executeren. [appellante] heeft – mede in het licht van de aan haar toegekomen verkoopopbrengst van de recreatiewoning – onvoldoende gesteld dat zij in financiële problemen zou komen als zij zou moeten overgaan tot betaling van de in het dictum van het vonnis genoemde geldsom. Het hof volgt [appellante] ook niet in haar stelling dat [geïntimeerden] geen materieel belang hebben bij de executie omdat het dak reeds is gerepareerd. De executie dient er immers toe om verhaal te kunnen vinden voor hun vordering. Het hof betrekt bij de belangenafweging eveneens dat [geïntimeerden] zich bereid hebben verklaard om de executie op te schorten tegen zekerheidsstelling door [appellante] in de vorm van een bankgarantie dan wel een waarborgsom en dat [appellante] dit voorstel niet heeft geaccepteerd. Dat de uitvoering van het vonnis tot een onomkeerbare situatie kan leiden, zoals [appellante] stelt, rechtvaardigt naar het oordeel van het hof niet een schorsing van de tenuitvoerlegging. 3.6. Niet gesteld of gebleken is dat sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden waarmee de rechtbank bij het wijzen van het bestreden vonnis nog geen rekening kon houden en die tot een andere beslissing zouden moeten leiden. 3.7. Uit het voorgaande volgt dat het hof de incidentele vordering zal afwijzen. De beslissing over de kosten van het incident zal worden aangehouden tot de einduitspraak. De hoofdzaak zal naar de rol worden verwezen om voort te procederen. 4De beslissing Het hof: in het incident 4.1. wijst de vordering af; 4.2. houdt de beslissing over de proceskosten aan tot hierover bij eindarrest zal worden beslist; in de hoofdzaak in hoger beroep 4.3. verwijst de hoofdzaak naar de roldatum van dinsdag 23 juni 2026 voor het nemen van de memorie van antwoord door [geïntimeerden] ; 4.4. houdt iedere verdere beslissing aan. Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Kuiper, W.F. Boele en P.S. Bakker, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
12 mei 2026. HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026 (https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2019:2026).