Familierecht. Zorgregeling. Het hof oordeelt dat de vakanties bij helfte verdeeld kunnen worden. Een uitbreiding van de reguliere zorgregeling acht het hof niet in het belang van het kind gezien de reisafstand tussen de ouders.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 3 June 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2026:3260
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26-05-2026
Datum publicatie
03-06-2026
Zaaknummer
200.359.129/01
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
ECLI:NL:GHARL:2026:3260text/xmlpublic2026-06-03T12:00:172026-05-26Raad voor de RechtspraaknlGerechtshof Arnhem-Leeuwarden2026-05-26200.359.129/01UitspraakHoger beroepNLLeeuwardenCiviel recht; Personen- en familierechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:3260text/htmlpublic2026-05-27T14:43:112026-06-03Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:GHARL:2026:3260 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 26-05-2026 / 200.359.129/01 Familierecht. Zorgregeling. Het hof oordeelt dat de vakanties bij helfte verdeeld kunnen worden. Een uitbreiding van de reguliere zorgregeling acht het hof niet in het belang van het kind gezien de reisafstand tussen de ouders.
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 243909) beschikking van 26 mei 2026 in de zaak van
[verzoekster] (de moeder),
die woont in [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep,
advocaat: mr. M. Helmantel te Sappemeer, en
[verweerder]
(de vader),
die woont in [woonplaats2] ,
verweerder in hoger beroep,
advocaat: mr. E. van Bommel te Groningen. In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend: de raad voor de kinderbescherming (de raad),
regio Noord Nederland, locatie Groningen. 1De procedure in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 3 juni 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking). 2De procedure in hoger beroep2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 2 september 2025;
- een journaalbericht namens de moeder van 27 oktober 2025 met bijlage(n);
- het verweerschrift van de GI met bijlage(n);
- een brief van de raad van 5 januari 2026, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting;
- een brief namens de vader van 18 maart 2026;
- een brief van de griffier aan mr. Van Bommel van 24 maart 2026;
- het verweerschrift van de vader met bijlage(n);
- een e-mail van de GI van 13 april 2026;
- een journaalbericht namens de moeder van 14 april 2026 met bijlage(n). 2.2
[de minderjarige] heeft bij brief van 3 april 2026 aan het hof zijn mening kenbaar gemaakt met betrekking tot het verzoek. 2.3 De mondelinge behandeling heeft op 14 april 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de moeder via een beeldbelverbinding, samen met haar advocaat die in de zittingszaal aanwezig was;
- de vader samen met zijn advocaat.
Bij de moeder was een persoonlijk begeleider aanwezig. 3De feiten3.1 Partijen zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2016, over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen. De ouders hebben van februari 2014 tot oktober 2018 een relatie gehad. Na de relatiebreuk is de moeder met [de minderjarige] bij oma moederszijde ingetrokken. Halverwege 2020 is de moeder met [de minderjarige] bij [naam1] (begeleiding aan jongeren en jongvolwassenen met gedrags-, ontwikkelings- of persoonlijkheidsproblematiek) gaan wonen. In onderling overleg zijn de ouders destijds een zorgregeling overeengekomen waarbij [de minderjarige] – kort gezegd – afwisselend twee lange weekenden (van donderdagmiddag tot maandagochtend) en daarna een kort weekend (van donderdagmiddag tot zaterdag 12.00 uur) bij de vader verbleef. Vakanties en feestdagen langer dan een week werden bij helfte verdeeld. 3.2
[de minderjarige] heeft van 25 november 2021 tot 25 juni 2025 onder toezicht gestaan van de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen (de GI). 3.3 Bij beschikking van 8 december 2021 is de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] met ingang van 25 december 2021 bij de vader bepaald en is een zorgregeling met de moeder vastgesteld. Deze beschikking is op 24 november 2022 in hoger beroep bekrachtigd wat betreft het hoofdverblijf. Als zorgregeling heeft het hof vastgesteld dat [de minderjarige] één weekenddag per week en iedere woensdagmiddag bij de moeder verblijft, waarbij de GI de ruimte heeft om deze regeling incidenteel in het belang van [de minderjarige] te wijzigen, en zodra mogelijk ook uit te breiden onder regie van de Gl. 3.4 De vader woont samen met een nieuwe partner en haar dochter uit een eerdere relatie. Samen hebben zij [in] 2022 een dochter gekregen. 3.5 De GI heeft eind 2021 gezinsbegeleiding van [naam2] (voorheen [naam3] ) ingezet om zicht te krijgen op de opvoedsituaties bij zowel de moeder als de vader. [naam2] heeft in januari 2024 positief afgesloten bij de vader. [naam2] heeft in januari 2025 afgesloten bij de moeder. [naam2] vindt het ouderschap van de moeder goed genoeg voor de op dat moment lopende zorgregeling (elke woensdag en eens in de twee weken van vrijdagmiddag tot zondagavond), maar ziet geen mogelijkheden voor uitbreiding. 3.6
[naam4] biedt de moeder begeleiding, gericht op het versterken van haar opvoedvaardigheden in de omgang met [de minderjarige] . [naam4] heeft op 10 april 2026 verslag uitgebracht van de huidige stand van zaken.
4. De omvang van het geschil 4.1 Tussen partijen is in geschil de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (verder de zorgregeling) tussen hen betreffende [de minderjarige] .
Bij de bestreden beschikking is op verzoek van de GI de volgende zorgregeling vastgesteld:
- [de minderjarige] verblijft bij de moeder eens per twee weken van vrijdag uit school tot maandag naar school en in de andere week de woensdagmiddag vanuit school tot 18.30 uur;
- de éénweekse schoolvakanties worden volgens de zorgregeling gehouden;
- in de tweeweekse schoolvakanties wordt het weekend dat [de minderjarige] bij de moeder is
uitgebreid met één nacht en dag;
- als de moeder het eerste weekend van de vakantie haar weekend met [de minderjarige] heeft, blijft [de minderjarige] van vrijdag 14.00 uur uit school tot dinsdag 18.30 uur bij
de moeder;
- als de moeder het laatste weekend van de vakantie [de minderjarige] op bezoek heeft,
blijft [de minderjarige] van donderdag 10.00 uur tot maandag naar school bij de moeder;
- de woensdagen komen te vervallen in de tweeweekse vakanties. In de oneven jaren, vanaf 2025, wordt de zomervakantie als volgt gepland:
- [de minderjarige] verblijft de eerste drie weken van de zomervakantie bij de vader;
- [de minderjarige] verblijft de laatste drie weken van de zomervakantie van maandag 11.00 uur
tot vrijdag 17.00 uur bij de moeder;
- de weekendregeling en de woensdagmiddagen komen te vervallen in de
zomervakantie. In de even jaren, vanaf 2026, wordt de zomervakantie als volgt gepland:
- [de minderjarige] verblijft de eerste drie weken van de zomervakantie van maandag 11.00 uur
tot vrijdag 17.00 uur bij de moeder;
- [de minderjarige] verblijft de laatste drie weken van de zomervakantie bij de vader;
- de weekendregeling en de woensdagmiddagen komen te vervallen in de
zomervakantie. 4.2 De moeder is met vier grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grieven zien op de zorgregeling op de woensdagen en de verdeling van de vakanties en feestdagen. De moeder verzoekt de beschikking van 3 juni 2025 te vernietigen en de volgende zorgregeling vast te stellen:
- [de minderjarige] verblijft eens per twee weken van vrijdag uit school tot maandag naar school
bij de moeder;
- [de minderjarige] verblijft de ene week op de woensdagmiddag vanuit school en de andere week
op de woensdagmiddag vanuit school tot de donderdagen naar school bij de moeder;
- alle schoolvakanties worden bij helfte gedeeld waarbij geldt dat [de minderjarige] de eerste helft van de éénweekse schoolvakanties bij de moeder verblijft tot de woensdag 18.30
uur, te rekenen vanaf de laatste schooldag voor die betreffende vakantie uit school,
en vervolgens bij de vader;
- in de tweeweekse schoolvakanties verblijft [de minderjarige] de eerste week bij de moeder, te rekenen vanaf de laatste schooldag voor die betreffende vakantie uit school, en de
tweede week bij de vader;
- vanaf 2026 is [de minderjarige] de eerste week van de zomervakantie, te rekenen vanaf de laatste schooldag voor die betreffende vakantie bij de moeder, vervolgens in de
tweede, derde en vierde week bij de vader en vervolgens in de vijfde en zesde week
bij de moeder;
- [de minderjarige] verblijft de helft van de feestdagen bij de moeder. 4.3 De vader voert verweer en hij verzoekt de beschikking van 3 juni 2025 te bekrachtigen en de moeder te veroordelen in de kosten van dit geding. 5De motivering van de beslissing De positie van de GI 5.1 Deze procedure is op 22 april 2025 gestart met een verzoek van de GI om op grond van artikel 1:265g lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) een zorgregeling vast te stellen. Door de beëindiging van de ondertoezichtstelling per 25 juni 2025 heeft de GI in hoger beroep juridisch geen positie meer. Sindsdien geldt de in de bestreden beschikking vastgestelde zorgregeling als een regeling op grond van artikel 1:253a BW tussen de ouders waarbij de GI geen rol speelt. Het hof heeft de GI dan ook ten onrechte als belanghebbende aangemerkt en in de gelegenheid gesteld om verweer te voeren. Hoewel de GI gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid, heeft zij vanwege haar veranderde positie geen standpunt ingenomen ten aanzien van de vraag welke zorgregeling op dit moment in het belang van [de minderjarige] is. Het hof is dan ook van oordeel dat partijen niet in hun belangen zijn geschaad. De zorgregeling 5.2 De ouders hebben samen het gezag. Op grond van artikel 1:253a BW kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten – voor zover hier van belang – een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken. 5.3 De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. De rechter dient bij zijn beslissing alle omstandigheden van het geval in acht te nemen, wat er in een voorkomend geval toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de afweging van belangen. 5.4 De ouders zijn van ver gekomen. Zij strijden en procederen al sinds 2019 over [de minderjarige] . Hoewel het wederzijdse vertrouwen nog broos is, is het hen met hulpverlening inmiddels gelukt om over veel dingen die [de minderjarige] aangaan afspraken te maken. Over meer dagelijkse en praktische kwesties kunnen de ouders tegenwoordig rechtstreeks en adequaat met elkaar communiceren (via bellen of Whatsapp). De ouders zijn het erover eens dat de huidige zorgregeling goed loopt. Niet ter discussie staat dat [de minderjarige] graag bij beide ouders is. Waar de ouders samen nog niet uitkomen is de verdeling van de woensdagen, de vakanties en de feestdagen. Sinds de bestreden beschikking is [de minderjarige] om de week de woensdagmiddag bij de moeder. De moeder wil graag dat [de minderjarige] net als eerder elke woensdagmiddag bij haar is en dan om de week ook tot donderdagochtend naar school bij haar blijft. Verder wenst de moeder [de minderjarige] evenveel vakantie- en feestdagen bij zich te hebben als de vader. 5.5 Het verzoek van de GI was gebaseerd op het advies van [naam2] van januari 2025 om de op dat moment lopende zorgregeling niet uit te breiden. De rechtbank heeft beslist in lijn met dat advies. Uit de stukken blijkt echter dat de ouders na het advies van [naam2] de weekendregeling samen – destijds nog onder regie van de GI – hadden verlengd tot maandagochtend. Dat was in de situatie dat [de minderjarige] ook nog elke woensdagmiddag bij de moeder was. De door de rechtbank vastgestelde zorgregeling, waarbij [de minderjarige] slechts om de week op woensdagmiddag bij de moeder is, is dus beperkter dan dat de ouders eerder waren overeengekomen. Het hof begrijpt dat de moeder dat hersteld wil zien. De vader zei ter zitting dat [de minderjarige] het zelf ook jammer vindt dat hij nu een woensdag minder bij de moeder is. Daarbij komt dat inmiddels meer dan een jaar is verstreken sinds het advies van [naam2] . In de tussentijd is [naam4] aan de slag gegaan met het versterken van de opvoedvaardigheden van de moeder in de omgang met [de minderjarige] . De begeleiding van [naam4] richt zich met name op het creëren van duidelijkheid, structuur en het consequent handelen in de opvoeding, vooral op het gebied van grenzen stellen en het omgaan met heftige emoties van [de minderjarige] . Op deze punten zag [naam2] bij de moeder de grootste belemmeringen voor uitbreiding van de zorgregeling. Hoewel er nog altijd ruimte is voor verbetering geeft het verslag van [naam4] van 10 april 2026 een overwegend positief beeld van de ontwikkelingen die de moeder doormaakt in haar handelen en houding richting [de minderjarige] . [naam4] ziet ook een positieve ontwikkeling bij [de minderjarige] . Hij laat steeds meer van zich horen, wat volgens [naam4] duidt op een groeiend gevoel van vertrouwen en veiligheid. [de minderjarige] heeft zijn mening ook bij het hof geuit. Hij heeft aan het hof geschreven dat hij evenveel bij beide ouders wil zijn. Alles bij elkaar ziet het hof geen contra-indicaties voor enige uitbreiding van de zorgregeling. 5.6 Gelet op de reisafstand tussen de woonplaatsen van beide ouders vindt het hof uitbreiding met een doordeweekse dag en/of overnachting niet wenselijk, ook al heeft [de minderjarige] zoals ook uit de stukken blijkt zelf aangegeven dat hij wel iedere woensdag bij de moeder wil zijn. Dat acht het hof, net als de rechtbank, te onrustig voor [de minderjarige] . Het hof vindt het niet in zijn belang om elke schoolweek op en neer te moeten tussen de vader in [woonplaats2] en de moeder in [woonplaats1] , al dan niet met overnachting. [de minderjarige] is tien jaar en moet de vrijheid hebben om doordeweeks met vriendjes af te spreken en te sporten. Dat is belangrijk voor zijn ontwikkeling en past bij deze leeftijdsfase. [de minderjarige] zijn dagelijkse leven speelt zich grotendeels bij de vader in [woonplaats2] af, in welke plaats hij ook naar school gaat. Ter zitting is gebleken dat [de minderjarige] voldoende uitdagingen heeft op school en dat het de moeder op dit moment niet (altijd) lukt om [de minderjarige] op de juiste wijze te helpen met zijn huiswerk. De mogelijkheid tot uitbreiding van de zorgregeling moet daarom in de vakanties gevonden worden. De vader heeft ter zitting laten weten op zich geen bezwaar te hebben tegen een verdeling van de vakanties bij helfte, zij het dat hij dan als wisselgeld de woensdagen vervallen wil zien. Daarvoor ziet het hof echter geen aanleiding, nu het juist de bedoeling is dat de moeder en [de minderjarige] meer tijd met elkaar kunnen doorbrengen. Het hof ziet verder geen bezwaren tegen een gelijkwaardige verdeling van de vakanties en feestdagen. De door de vader geuite zorgen over het dag- en nachtritme van de moeder, dat blijkens het verslag van [naam4] nog steeds aandacht behoeft, vindt het hof in vakantieperiodes niet onoverkomelijk. Om het aantal wisselingen voor [de minderjarige] beperkt te houden, zal het hof voor de verdeling van de schoolvakanties die één week duren, het verblijf van [de minderjarige] bij de moeder laten aansluiten bij de weekenden waarin [de minderjarige] overeenkomstig de reguliere zorgregeling bij de moeder is. 5.7 Het hof vindt het belangrijk om een concrete regeling vast te stellen, omdat de ouders duidelijkheid nodig hebben. De ruimte voor onderlinge onenigheid moet zoveel mogelijk worden beperkt. Dat geeft niet alleen de ouders houvast en rust, maar zeker ook [de minderjarige] . Het hof acht de volgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen tijdens de vakanties en feestdagen in het belang van [de minderjarige] wenselijk:
- in de schoolvakanties die één week duren is [de minderjarige] tot en met woensdag 18.30 uur bij de moeder als de vakantie begint met het weekend dat [de minderjarige] op basis van de reguliere zorgregeling bij de moeder is en anders is [de minderjarige] van woensdag 18.30 uur tot maandag naar school bij de moeder;
- in de schoolvakanties die twee weken duren is [de minderjarige] de eerste week bij de moeder, te rekenen vanaf de laatste schooldag voor die betreffende vakantie uit school, en de
tweede week bij de vader. De wisseling vindt plaats op vrijdag om 18.30 uur en de vakantie eindigt op de maandag na de tweede week;
- in de kerstvakantie die start in een even jaar is [de minderjarige] vanaf de laatste schooldag tot tweede kerstdag 11.00 uur bij de vader, vervolgens is hij tot nieuwjaarsdag 11.00 uur bij de moeder, waarna hij weer teruggaat naar de vader. De vakantie eindigt op de maandag na de kerstvakantie;
- in de kerstvakantie die start in een oneven jaar is [de minderjarige] vanaf de laatste schooldag tot tweede kerstdag 11.00 uur bij de moeder, vervolgens is hij tot nieuwjaarsdag 11.00 uur bij de vader, waarna hij weer teruggaat naar de moeder. De vakantie eindigt op de maandag na de kerstvakantie;
- in de zomervakantie is [de minderjarige] de eerste, vijfde en zesde week bij de moeder en de tweede, derde en vierde week bij de vader;
- als een feestdag in een vakantie valt, dan volgt die dag de vakantieregeling en als een feestdag niet in een vakantie valt, dan volgt die dag de reguliere zorgregeling. 5.8 Het staat de ouders altijd vrij om in onderling overleg af te wijken van deze regeling. Als het de ouders niet lukt om samen andere afspraken te maken, dan geldt deze beschikking. 6De slotsom6.1 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slagen de grieven gedeeltelijk. Het hof zal de bestreden beschikking, voor wat betreft de verdeling van de vakanties, vernietigen en in zoverre beslissen als volgt. 6.2 Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de procedure het uit die relatie geboren kind betreft. 7De beslissing Het hof, beschikkende in hoger beroep: vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 3 juni 2025, voor zover daarbij een beslissing is genomen over de verdeling van de vakanties, en in zoverre opnieuw beschikkende: verdeelt de zorg- en opvoedingstaken tussen de vader en de moeder in de vakanties en gedurende de feestdagen als volgt:
- in de schoolvakanties die één week duren is [de minderjarige] tot en met woensdag 18.30 uur bij de moeder als de vakantie begint met het weekend dat [de minderjarige] op basis van de reguliere zorgregeling bij de moeder is en anders is [de minderjarige] van woensdag 18.30 uur tot maandag naar school bij de moeder;
- in de schoolvakanties die twee weken duren is [de minderjarige] de eerste week bij de moeder, te rekenen vanaf de laatste schooldag voor die betreffende vakantie uit school, en de
tweede week bij de vader. De wisseling vindt plaats op vrijdag om 18.30 uur en de vakantie eindigt op de maandag na de tweede week;
- in de kerstvakantie die start in een even jaar is [de minderjarige] vanaf de laatste schooldag tot tweede kerstdag 11.00 uur bij de vader, vervolgens is hij tot nieuwjaarsdag 11.00 uur bij de moeder, waarna hij weer teruggaat naar de vader. De vakantie eindigt op de maandag na de kerstvakantie;
- in de kerstvakantie die start in een oneven jaar is [de minderjarige] vanaf de laatste schooldag tot tweede kerstdag 11.00 uur bij de moeder, vervolgens is hij tot nieuwjaarsdag 11.00 uur bij de vader, waarna hij weer teruggaat naar de moeder. De vakantie eindigt op de maandag na de kerstvakantie;
- in de zomervakantie is [de minderjarige] de eerste, vijfde en zesde week bij de moeder en de tweede, derde en vierde week bij de vader;
- als een feestdag in een vakantie valt, dan volgt die dag de vakantieregeling en als een feestdag niet in een vakantie valt, dan volgt die dag de reguliere zorgregeling. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt; wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mr. C. Coster, mr. K.H.P. Selcraig en mr. B.J. Voerman, bijgestaan door mr. D.M. Welbergen als griffier, en is op 26 mei 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.