Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:GHARL:2026:3991

Ontneming. Schatting wederrechtelijk verkregen voordeel: € 21.600,-. Betalingsverplichting vastgesteld op datzelfde bedrag. Overschrijding redelijke termijn verdisconteerd in de strafzaak. Samenhang met: 21-004132-19, 21-004133-19, 21-004074-19, 21-004129-19.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17 June 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:GHARL:2026:3991 text/xml public 2026-06-17T14:41:42 2026-06-17 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-06-17 21-004075-19 Uitspraak Hoger beroep NL Zwolle Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:3991 text/html public 2026-06-17T08:23:31 2026-06-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:3991 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 17-06-2026 / 21-004075-19
Ontneming. Schatting wederrechtelijk verkregen voordeel: € 21.600,-. Betalingsverplichting vastgesteld op datzelfde bedrag. Overschrijding redelijke termijn verdisconteerd in de strafzaak. Samenhang met: 21-004132-19, 21-004133-19, 21-004074-19, 21-004129-19.

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004075-19

Uitspraakdatum: 17 juni 2026

TEGENSPRAAK

ONTNEMINGSZAAK

Beslissing van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Overijssel van 18 juli 2019 met parketnummer 08-950637-13 op de ontnemingsvordering, in de zaak tegen
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedag] 1957 in [geboorteplaats] ,

wonende te [adres]
Hoger beroep
betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen het de beslissing van de rechtbank Overijssel.
Onderzoek van de zaak
Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 20 mei 2026 (inhoudelijke behandeling) en 3 juni 2026 (sluiting onderzoek) en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat betrokkene en zijn raadsman, mr. R. Zilver, hebben aangevoerd.
De beslissing
De rechtbank heeft het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op een bedrag van € 99.500,- en heeft de betalingsverplichting vastgesteld op datzelfde bedrag.

Het hof verenigt zich niet met de beslissing. Daarom vernietigt het hof de beslissing. Het hof doet opnieuw recht.
Vordering
Het openbaar ministerie heeft schriftelijk gevorderd dat het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op € 178.000,- en dat aan betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag. De vordering is ter terechtzitting in eerste aanleg verlaagd tot een bedrag van € 21.050,-.

In hoger beroep heeft het openbaar ministerie gevorderd dat het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 99.500,- en dat betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair afwijzing van de ontnemingsvordering bepleit in verband met de in de strafzaak bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft hij zich op het standpunt gesteld dat het voordeel kan worden geschat op een bedrag van € 10.000,-, waarbij de betalingsverplichting moet worden gematigd wegens enerzijds de overschrijding van de redelijke termijn en anderzijds het ontbreken van de vereiste draagkracht bij verdachte.
Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Betrokkene is bij arrest van dit hof van 17 juni 2026 (21-004074-19) veroordeeld voor (1) medeplichtigheid aan oplichting voor een bedrag van € 178.000,- en (2) het medeplegen van witwassen van dat bedrag.

Uit het strafdossier en de behandeling van de vordering op de zitting in hoger beroep blijkt dat betrokkene uit die feiten financieel voordeel heeft behaald. Op grond van wettige bewijsmiddelen schat het hof dat voordeel op een bedrag van € 21.600,-. Daarbij is het volgende van belang.

In een rapport wederrechtelijk verkregen voordeel van 4 april 2014 is op grond van de inhoud van het dossier van de strafzaak een berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel opgesteld. Uit dat rapport en de onderliggende bankafschriften volgt dat van het op de rekening van [cafetaria] ontvangen oplichtingsbedrag van € 178.000,-:

op 23 april 2013 een bedrag van € 19.000,- is overgemaakt naar de privérekening van betrokkene;

op 30 mei 2013 een bedrag van € 1.500,- is overgemaakt naar de rekening van [naam 1] , de partner van betrokkene;

op 30 mei 2013 € 500,- is overgemaakt naar de privérekening van betrokkene.

Van het bedrag van € 19.000,- heeft [naam 2] op 24 april 2013 een bedrag van € 10.000,- van betrokkene ontvangen met als omschrijving “ [omschrijving] ”. Op basis daarvan gaat het hof ervan uit dat betrokkene daarmee een (deel)betaling heeft gedaan van het totale bedrag dat hij [naam 2] was verschuldigd voor de overname van [bedrijf] . en dat het overige bedrag van € 7.500,- ten goede is gekomen van [naam 2] .

Tot slot bevindt zich in het dossier een overeenkomst tussen [naam 2] en betrokkene waarin ten aanzien van het bedrag van € 178.000,- is afgesproken dat betrokkene op uitdrukkelijk verzoek geen aangifte heeft gedaan van “de diefstal” waarvoor [naam 2] een bedrag heeft betaald van € 8.100,-. Betrokkene heeft verklaard dat hij dat bedrag daadwerkelijk heeft ontvangen.

Gelet op het voorgaande komt het hof tot de volgende berekening:

€ 19.000

€ 1.500 +/+

€ 500 +/+

€ 7.500 -/-

€ 8.100 +/+

€ 21.600

Op basis van het dossier is niet aannemelijk geworden dat betrokkene daarbovenop nog meer voordeel heeft genoten.
Verplichting tot betaling aan de Staat
Het hof constateert een forse overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Namens verdachte is op 31 juli 2019 hoger beroep ingesteld. Er heeft weliswaar aanvullend onderzoek door de raadsheer-commissaris plaatsgevonden, maar dat rechtvaardigt niet dat de inhoudelijke behandeling zo lang op zich heeft laten wachten. Tijdens de regiezitting van 17 augustus 2022 was de redelijke termijn al met meer dan een jaar overschreden. Op de datum van uitspraak van dit arrest bedraagt die overschrijding op een maand na vijf jaar. Het hof zal echter volstaan met deze constatering, omdat verdachte voor de overschrijding wordt gecompenseerd in de strafzaak.

Het hof is tot slot van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de betrokkene geen draagkracht heeft en dat redelijkerwijs te verwachten is dat hij in de toekomst in staat zal zijn om aan de verplichting tot betaling aan de Staat te voldoen. Het hof stelt daarom de betalingsverplichting vast op een bedrag van € 21.600,-.
Wetsartikelen
De maatregel is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Dit voorschrift is toegepast, zoals het gold op het moment van de procedure.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 21.600,00 (eenentwintigduizend zeshonderd euro).

Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 21.600,00 (eenentwintigduizend zeshonderd euro).

Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 180 dagen.

Deze beslissing is gewezen door mr. J. Corthals, mr. A. van Maanen en mr. G. Dam, in aanwezigheid van de griffier mr. R.W.P. Soons en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 17 juni 2026.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 17 juni 2026.

Tegenwoordig:

mr. T. Bertens, voorzitter,

mr. A. Lodder, advocaat-generaal,

mr. S.J.H. Salvino, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de Politie Eenheid Oost-Nederland, onderzoek 04FIN13002 KOEFUUT. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, p. 1977-1979.

Schriftelijke stukken, te weten rekeningafschriften van rekeningnummer [rekeningnummer 2] t.n.v. de [betrokkene] h/o [cafetaria] , p. 429 en 437.

Een schriftelijk stuk, te weten een rekeningafschrift van rekeningnummer [rekeningnummer 1] t.n.v. [naam 2] en/of [naam 3] , p. 693.

Een schriftelijk stuk, te weten een overeenkomst tussen [betrokkene] en [naam 2] , p. 2077.

Verklaring van betrokkene afgelegd ter zitting van dit hof van 20 mei 2026.

Artikel delen