Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:GHARL:2026:4167

Arrest in kort geding. Toestemming verhuizing of bekrachtiging verhuisverbod. De kern van het geschil in hoger beroep betreft de vraag of de moeder in het kader van het onderhavige kort geding vervangende toestemming kan worden verleend om met de minderjarige te verhuizen naar plaats X met inschrijving van de minderjarige op een school aldaar. Verder de vraag of de minderjarige, in het geval he...

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 1 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:GHARL:2026:4167 text/xml public 2026-07-01T12:00:27 2026-06-23 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-06-23 200.369.256 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4167 text/html public 2026-06-25T16:41:34 2026-07-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:4167 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 23-06-2026 / 200.369.256
Arrest in kort geding. Toestemming verhuizing of bekrachtiging verhuisverbod. De kern van het geschil in hoger beroep betreft de vraag of de moeder in het kader van het onderhavige kort geding vervangende toestemming kan worden verleend om met de minderjarige te verhuizen naar plaats X met inschrijving van de minderjarige op een school aldaar. Verder de vraag of de minderjarige, in het geval het hof het verhuisverbod in stand laat, voorlopig aan de vader moet worden toevertrouwd.
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.369.256

zaaknummer rechtbank Midden-Nederland: 608544

arrest in kort geding van 23 juni 2026

in de zaak van

[appellante] (de moeder)

die woont in [woonplaats1]

advocaat: mr. A. Goedkoop

en

[geïntimeerde] (de vader)

die woont in [woonplaats2]

advocaat: mr. K. Beumer
<nr>1</nr>Het verloop van de procedure in hoger beroep
De moeder heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, (hierna: de voorzieningenrechter) op 29 april 2026 (hierna: het bestreden vonnis) tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:

de dagvaarding in hoger beroep (met grieven)

de incidentele antwoordconclusie, tevens memorie van antwoord en (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep

de memorie van antwoord in het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep en repliek in het incident

de brieven van mr. Beumer van 8 juni 2026 met producties

het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling met gesloten deuren die op 10 juni 2026 is gehouden.
<nr>2</nr>De kern van de zaak 2.1.
Partijen hebben een relatie met elkaar gehad. Partijen zijn de ouders van [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ), geboren [in] 2020 in [plaats1] . [de minderjarige] heeft haar hoofdverblijf bij haar moeder. Partijen hebben samen het gezag over [de minderjarige] en moeten dan ook samen belangrijke beslissingen over haar nemen.
2.2.
In het op 1 en 3 augustus 2025 ondertekende ouderschapsplan hebben partijen – voor zover hier van belang – de volgende afspraken vastgelegd:

‘(…)

Artikel 4 – De woon- en verblijfplaats/ inschrijving BRP/ verhuizingen

1. [appellante] woont op dit moment in [plaats2] , terwijl [geïntimeerde] in [woonplaats2] woont. [appellante] heeft aangegeven misschien te willen verhuizen, maar zij zal in de omgeving van [plaats2] blijven.

(…)

3. Wij beseffen dat een verhuizing ingrijpend is voor ons kind en gevolgen kan hebben voor de afspraken over de zorg voor ons kind. Als een van ons van plan is om te gaan verhuizen, zullen we dit op tijd met elkaar bespreken. We beseffen dat we het allebei eens moeten zijn over de voorgenomen verhuizing en de gevolgen ervan en dat daarvoor dus toestemming van de ander voor nodig is.

Artikel 5 – Zorg en opvoeding

Verdeling zorg en opvoeding

1. Wij verdelen de zorg en opvoeding van [de minderjarige] volgens het vaste schema als onderdeel uitmaakt van dit plan onder bijlage 1.

(…)

2. We spreken af dat [geïntimeerde] elke week op woensdagmiddag 13:00 uur een face-time contact zal hebben met [de minderjarige] . [geïntimeerde] zal de telefoon van [appellante] bellen en [appellante] zal ervoor zorgen dat [de minderjarige] beschikbaar is om met [geïntimeerde] te face-timen.

Artikel 6 – Informatie delen en beslissingen nemen

(…)

2. Belangrijke beslissingen over [de minderjarige] nemen wij samen, nadat we met elkaar hebben overlegd.

(…)’
2.3.
In bijlage 1 van voormeld ouderschapsplan is een regeling voor de dagelijkse zorg, een verdeling van vakanties 2025/2026 en een verdeling van de feestdagen opgenomen. Voor wat betreft de dagelijkse zorg is afgesproken dat [de minderjarige] in de even weken één keer per veertien dagen van vrijdagmiddag uit school tot maandagochtend naar school bij de vader zal verblijven en dat er wekelijks op woensdag face-time contact tussen de vader en [de minderjarige] is.
2.4.
De vader heeft bij de voorzieningenrechter in reconventie – onder meer – gevorderd primair dat de moeder wordt verboden met [de minderjarige] te verhuizen, althans buiten een straal van vijf kilometer buiten de huidige woonplaats, met daaraan verbonden een dwangsom van € 50.000 als zij het verbod overtreedt, subsidiair voorlopige toevertrouwing van [de minderjarige] aan hem.
2.5.
De voorzieningenrechter heeft (voor zover in deze procedure nog van belang) de (reconventionele) primaire vordering van de vader toegewezen; de moeder is verboden met [de minderjarige] te verhuizen buiten een straal van 5 kilometer van haar huidige woonplaats en aan die beslissing is een dwangsom verbonden van € 50.000 als zij dit verbod overtreedt.
2.6.
De bedoeling van het hoger beroep van de moeder is dat de toegewezen vordering alsnog worden afgewezen. Bij vermeerdering van eis vordert de moeder in hoger beroep dat het hof bepaalt dat zij, voor de duur van het geding in de bodemprocedure en met ingang van een door het hof te bepalen datum, gerechtigd is met [de minderjarige] te verhuizen naar [adres1] in [plaats3] en [de minderjarige] in te schrijven op de [naam1] in [plaats3] . Daarnaast vordert zij dat het hof de aan het verhuisverbod verbonden dwangsom opheft met ingang van het arrest. Ook vordert de moeder, in het incident, schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis voor zover de schorsing betrekking heeft op het verhuisverbod en de daarmee verbonden dwangsom, totdat het hof bij arrest heeft beslist. Tot slot vordert zij veroordeling van de vader in de kosten van beide instanties, althans dat het hof de proceskosten compenseert.
2.7.
De vader concludeert tot niet-ontvankelijkheid dan wel ongegrondverklaring dan wel afwijzing van de vorderingen van de moeder in het incident. Hetzelfde geldt voor wat betreft haar vorderingen in het principaal hoger beroep met bekrachtiging van het bestreden vonnis. In voorwaardelijk incidenteel hoger beroep vordert de vader voorlopige toevertrouwing van [de minderjarige] aan hem.
2.8.
De moeder concludeert tot afwijzing van het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van de vader.
2.9.
De Raad voor de Kinderbescherming heeft zich bij bericht van 4 juni 2026 voor de mondelinge behandeling afgemeld.
2.10.
Het hof zal het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigen en wijst alle vorderingen, zowel in het principaal als in het incidenteel hoger beroep, af. Ook de vordering in het incident wordt afgewezen. Het hof licht dat als volgt toe.
<nr>3</nr>De toelichting op de beslissing van het hof 3.1.
Vanwege de verwevenheid van het door de moeder ingestelde hoger beroep en het door de vader ingestelde hoger beroep behandelt het hof beide hoger beroepen zo veel mogelijk samen. Het hof behandelt de vordering in het incident afzonderlijk.

principaal hoger beroep (grieven I tot en met VII) en (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep (grief 1)
3.2.
De kern van het geschil in hoger beroep betreft de vraag of de moeder in het kader van het onderhavige kort geding vervangende toestemming kan worden verleend om met [de minderjarige] te verhuizen naar [plaats3] met inschrijving van [de minderjarige] op een school aldaar. Verder de vraag of [de minderjarige] , in het geval het hof het verhuisverbod in stand laat, voorlopig aan de vader moet worden toevertrouwd.

spoedeisend belang
3.3.
In een kort geding moet het hof altijd beoordelen of de partij die de voorlopige voorziening vraagt nog een spoedeisend belang heeft bij de gevorderde voorlopige voorziening. Die vraag moet worden beantwoord aan de hand van een afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak van het hof. Bij die afweging kan een rol spelen dat de eisende partij lang heeft stilgezeten. Bovendien is voorzichtigheid op zijn plaats als een rechtsvraag ter discussie staat waarop het antwoord niet voor zich spreekt. Maar deze omstandigheden kunnen op zichzelf niet het oordeel rechtvaardigen dat de eisende partij bij de gevraagde voorziening geen spoedeisend belang meer heeft of dat hij met het instellen van een kort geding handelt in strijd met de eisen van een goede procesorde.
3.4.
Tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat ten tijde van de procedure in eerste aanleg sprake is (geweest) van een spoedeisend belang dat de vader heeft bij zijn vordering (in reconventie) tot verbod van verhuizing en dat zijn belang voortvloeit uit de aard van het gevorderde is geen grief geformuleerd, zodat het hof dat oordeel moet eerbiedigen. In hoger beroep is dit voor de vorderingen van de moeder, haar vermeerdering van eis (de gevorderde toestemming voor verhuizing met [de minderjarige] en inschrijving van [de minderjarige] op een andere school) en de voorwaardelijke vordering van de vader, niet anders. Ieders belang vloeit voort uit de aard (en de verwevenheid) van het over en weer gevorderde.

procesrechtelijk
3.5.
De vader voert aan dat de vermeerdering van eis naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet toelaatbaar zou zijn vanwege gedragingen van de moeder en ook dat haar niet meer het recht toekomt om dit standpunt eerst in hoger beroep in te nemen, omdat het spoedappel hiermee een eerste aanleg over nieuwe onderwerpen wordt.

Het hof overweegt daartoe het volgende. In hoger beroep geldt dat op grond van artikel 353 lid 1 Rv in combinatie met artikel 130 Rv aan de oorspronkelijke eiser de bevoegdheid toekomt om zijn eis te veranderen of te vermeerderen. Deze bevoegdheid wordt slechts beperkt door de eisen van een goede procesorde en de twee conclusie-regel. Het hoger beroep strekt er mede toe de appellerende partij de gelegenheid te bieden tot het verbeteren aan aanvullen van wat zij bij de procesvoering in eerste aanleg heeft gedaan of nagelaten. Nu niet blijkt van strijd met de goede procesorde (van dergelijke omstandigheden is namelijk niet gebleken) en ook niet van strijd met de tweeconclusie-regel verwerpt het hof het bezwaar van de vader.
3.6.
De verklaringen van de moeder, als processtukken ingebracht op 9 juni 2026 (producties 14 en 15) bij gelegenheid van memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep, laat het hof buiten beschouwing. De verklaringen betreffen de persoonlijke visie van de moeder op het geschil en zijn daardoor niet als processtukken aan te merken: de visie van de moeder wordt immers geacht door haar advocaat te zijn verwerkt in de dagvaarding en de memorie van antwoord in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep. Een ander oordeel zou betekenen dat de moeder in hoger beroep een extra schriftelijke ronde zou mogen nemen om haar standpunten uiteen te zetten. Het burgerlijk procesrecht biedt daartoe echter geen gelegenheid. Het voorgaande geldt evenzo voor productie 8, door de moeder overgelegd bij dagvaarding in eerste aanleg.

(verbod) verhuizing met dwangsom, inschrijving school en voorlopige toevertrouwing
3.7.
De moeder heeft in strijd met gemaakte afspraken (artikel 4 en 6 van het ouderschapsplan) de voorgenomen verhuizing in gang gezet. Zij heeft de gevolgen van een verhuizing niet met de vader besproken en hem ook niet om toestemming gevraagd. In de e-mail aan de vader van 19 januari 2026 deelt zij een voorgenomen verhuizing, een schoolwissel van [de minderjarige] en de aankoop van een woning mee. Bijna drie maanden daarna, op 7 april 2026, maakt de moeder aan de vader bekend dat het gaat om een verhuizing per 1 juni 2026 naar [plaats3] en dat zij voornemens is [de minderjarige] aan te melden aldaar bij de [naam1] . Eerst op 8 juni 2026, dus twee dagen voor de zitting bij het hof, dient de moeder een verzoek in bij de rechtbank Rotterdam tot vervangende toestemming voor verhuizing naar [plaats3] en inschrijving van [de minderjarige] op een school in [plaats3] .
3.8.
De kort geding rechter moet ervoor waken dat hij met zijn voorlopige voorziening niet vooruitloopt op de definitieve beslissing die in de bodemzaak zal volgen. In gevallen zoals de onderhavige zal de kort geding rechter terughoudend moeten zijn met het geven van vervangende toestemming voor de verhuizing van de minderjarige, omdat een verhuizing een ingrijpende gebeurtenis is voor minderjarige en tot worteling in de nieuwe woonomgeving kan leiden. In het geval het hof nu als voorlopige voorziening toestemming zou geven en de rechtbank in de bodemprocedure anders beslist, zou dit betekenen dat [de minderjarige] na de beslissing in de bodemprocedure opnieuw zou moeten (terug)verhuizen. Dat is niet in haar belang.
3.9.
In hele uitzonderlijke gevallen kan het belang van de minderjarige en/of dat van de verzorgende ouder rechtvaardigen dat in kort geding vervangende toestemming wordt verleend voor een verhuizing. Daarvan is hier geen sprake. De moeder stelt met ingang van 15 juni 2026 dakloos te zijn, maar uit het dossier blijkt niet waarom haar huidige huurovereenkomst niet voorgezet kon worden. Weliswaar heeft de moeder een huurovereenkomst overgelegd met 15 juni 2026 als einddatum, maar uit die overeenkomst volgt dat de verhuurder nadien de woning weer zelf gaat bewonen, terwijl uit een niet gedateerd en niet ondertekend briefje van de verhuurder blijkt dat de woning met ingang van 15 juni 2026 aan een ander wordt verhuurd. Niet blijkt waarom, als de woning toch weer wordt verhuurd, dit niet aan de moeder zou kunnen. Uit het dossier blijkt ook dat de moeder de huurprijs hoog vond en met de aankoop van het huis van haar vader in [plaats3] aanmerkelijk lagere woonlasten zou hebben. Nergens in het dossier blijkt dat de moeder pogingen heeft ondernomen om de huurovereenkomst te verlengen of om andere woonruimte in [plaats2] of omgeving te verkrijgen. Niet valt uit te sluiten dat de moeder zelf de hand heeft gehad in de beëindiging van de huurovereenkomst omdat zij haar zinnen had gezet op verhuizing naar [plaats3] . Dat maakt dat haar belang niet opweegt tegen de belangen van [de minderjarige] zoals hiervoor omschreven en het belang van de vader bij nakoming van de gemaakte afspraken.
3.10.
Gelet op wat hiervoor is overwogen komt het hof tot de conclusie dat de zaak zich niet leent voor een beslissing in kort geding omdat onvoldoende vaststaat dat in een bodemprocedure de verzoeken/vorderingen van de moeder zullen worden toegewezen. Het voorgaande brengt mee dat de vorderingen van de moeder naar oordeel van het hof niet toewijsbaar zijn. Het bestreden vonnis moet dan ook in stand blijven, ook voor wat betreft de opgelegde dwangsom. Een dwangsom is bedoeld als prikkel om de nakoming te verzekeren. De hoogte van de dwangsom moet zodanig zijn, dat die prikkel ook effectief is. Het gaat er niet om dat de moeder financieel in staat moet zijn om te kiezen tussen verbeurte van de dwangsom of nakoming van het verhuisverbod. Het hof passeert dan ook de door de moeder aangevoerde bezwaren tegen de veroordeling van de voorzieningenrechter om een dwangsom te betalen van € 50.000 als zij het verbod overtreedt. Alle grieven van de moeder falen.
3.11.
Ook de incidentele vordering van de vader tot voorlopige toevertrouwing van [de minderjarige] aan hem wijst het hof af. Het hof gaat er vanuit dat de moeder zich in het belang van [de minderjarige] aan de in het ouderschapsplan gemaakte afspraken zal houden voor de duur dat in de bodemprocedure nog geen beslissing is gegeven. En wel specifiek de afspraak dat zij in de omgeving van [plaats2] zal blijven. De grief van de vader faalt.

in het incident
3.12.
Het hof laat de door de moeder genomen repliek in het incident buiten beschouwing, nu zij daar niet toe in de gelegenheid is gesteld.
3.13.
De moeder vordert in het incident schorsing voor zover betrekking hebbend op het verhuisverbod en de daarmee verbonden dwangsom, totdat het hof bij arrest heeft beslist. Omdat het hof nu een einduitspraak zal doen in het principaal en incidenteel hoger beroep, heeft de moeder geen belang meer bij de beoordeling van haar vordering tot schorsing van de werking van het bestreden vonnis onder. 4.6. en kan een inhoudelijke beoordeling van haar vordering (en de verweren van de vader) achterwege blijven. Het hof wijst de vordering van de moeder af.

conclusie
3.14.
Beider hoger beroepen slagen niet en ook de vordering in het incident leidt niet tot vernietiging van het bestreden vonnis onder 4.6. Het hof bepaalt dat iedere partij zijn eigen kosten van deze procedures moet dragen (compensatie van proceskosten) vanwege de aard van de zaak (de procedures over hun gezamenlijke kind).
<nr>4</nr>De beslissing
Het hof:

in het principaal en incidenteel hoger beroep
1.1.
bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland van 29 april 2026, en
1.2.
wijst af wat verder is gevorderd.

in het incident
1.3.
wijst de vordering van de moeder tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring af.

in het principaal en incidenteel hoger beroep en in het incident
1.4.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt van de procedures bij het hof.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.H.F. van Vugt, J.U.M. van der Werff en K.A.M. van Os-ten Have, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.

HR 8 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8895, r.o. 3.5.

Artikel delen