Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:GHARL:2026:4304

De uithuisplaatsing van de kinderen bij de andere ouder met gezag (de vader) is noodzakelijk en in het belang van de kinderen (artikel 1:265b BW). Er bestonden te lang grote zorgen over het welzijn van de kinderen in de opvoedsituatie bij de moeder, waar zij onvoldoende ruimte ervaren om loyaal te zijn naar beide ouders en lichamelijke en psychische klachten ontwikkelden. Deskundigenonderzoek a...

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 9 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:GHARL:2026:4304 text/xml public 2026-07-09T12:00:07 2026-07-02 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-07-02 200.366.497/01 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4304 text/html public 2026-07-03T15:03:41 2026-07-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:4304 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 02-07-2026 / 200.366.497/01
De uithuisplaatsing van de kinderen bij de andere ouder met gezag (de vader) is noodzakelijk en in het belang van de kinderen (artikel 1:265b BW). Er bestonden te lang grote zorgen over het welzijn van de kinderen in de opvoedsituatie bij de moeder, waar zij onvoldoende ruimte ervaren om loyaal te zijn naar beide ouders en lichamelijke en psychische klachten ontwikkelden. Deskundigenonderzoek afgewezen (artikel 810a lid 2 rv).
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.366.497/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 154274)

beschikking van 2 juli 2026

in de zaak van

[verzoekster] (de moeder),

die woont op een geheim adres,

verzoekster in hoger beroep,

advocaat: mr. T. Meier te Meppel,

en

de gecertificeerde instelling,

Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering,

gevestigd te Groningen,

verweerster in hoger beroep,

en

[belanghebbende] (de vader),

die woont op een geheim adres,

verweerder in hoger beroep,

advocaat: mr. A.C.W. Duiveman te Dalfsen (hiervoor: mr. C.H. Tjabringa te Zwolle).

In zijn toetsende en/of adviserende rol is gekend:

de raad voor de kinderbescherming (de raad),

regio Noord Nederland, locatie Groningen.
<nr>1</nr>Samenvatting
De kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, heeft een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] bij de andere ouder met gezag (de vader) verleend tot

18 december 2026. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.
<nr>2</nr>De feiten 2.1
De ouders hebben samen het ouderlijk gezag over [de minderjarige1] , geboren [in] 2012, en [de minderjarige2] , geboren [in] 2013. De kinderen woonden tot de beschikking van de kinderrechter bij de moeder. De ouders hebben samen nog een meerderjarige dochter: [de meerderjarige] .
2.2
De kinderen staan sinds 17 januari 2023 onder toezicht van de GI. De maatregel is hierna steeds verlengd.
2.3
De ouders zijn na het beëindigen van hun relatie een co-ouderschapsregeling overeengekomen. Deze afspraak hebben zij neergelegd in hun ouderschapsplan van

17 november 2020. Eind 2021 is de omgang door de moeder stopgezet. In oktober 2022 is het contact weer opgestart onder begeleiding, maar na twee begeleide omgangsmomenten opnieuw stopgezet vanwege overbelasting bij de moeder.
2.4
Bij beschikking van 16 augustus 2024 heeft de rechtbank een zorgregeling vastgelegd, waarbij [de minderjarige2] en [de minderjarige1] na een opbouwperiode één weekend in de veertien dagen van vrijdagmiddag uit school tot maandag naar school bij de vader verblijven. Deze zorgregeling is niet uitgevoerd.
2.5
Van 13 januari 2025 tot 15 november 2025 heeft [naam1] in opdracht van de GI onderzoek gedaan naar de vraag in hoeverre sprake is van een proces van dreigend contactverlies met een ouder. De bevindingen zijn neergelegd in de Eindrapportage praktijkgericht onderzoek van november 2025.
<nr>3</nr>De procedure bij de kinderrechter 3.1
De kinderrechter heeft, voor zover hier van belang, het verzoek van de GI om de kinderen uit huis te plaatsen bij de andere ouder met gezag toegewezen, met ingang van

18 december 2025 tot 18 december 2026.
3.2
Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 18 december 2025.
<nr>4</nr>De procedure bij het hof 4.1
De moeder is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt ten aanzien van de verleende machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen. Voor het geval de machtiging tot uithuisplaatsing in stand blijft, verzoekt zij het hof om op grond van artikel 810a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) een deskundige te benoemen, te weten het Regiecentrum Bescherming en Veiligheid te Leeuwarden, om onafhankelijk onderzoek te doen naar - kort gezegd wat nodig is om de zorgregeling met de vader volledig te hervatten.
4.2
De vader is het wel eens met de beslissing van de kinderrechter. Hij wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter in stand laat.
4.3
Ook de GI wil dat de beslissing in stand blijft.

De informatie die het hof heeft ontvangen
4.4
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:

het beroepschrift met bijlage(n) ontvangen op 11 maart 2026;

de brief van de raad van 7 april 2026, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting;

het verweerschrift namens de vader met bijlage(n);

het verweerschrift van de GI met bijlage(n);

een e-mailbericht namens de moeder van 18 mei 2026 met bijlage(n).
4.5
[de minderjarige1] en [de minderjarige2] hebben op 18 mei 2026 gesproken met een raadsheer en een griffier van het hof. Zij hebben verteld wat zij vinden van de (uithuis)plaatsing bij hun vader. Tijdens de zitting is een samenvatting gegeven van deze gesprekken en hebben de ouders en de GI daarop kunnen reageren.
4.6
De zitting bij het hof was op 19 mei 2026. Aanwezig waren:

de moeder met haar advocaat;

de vader, bijgestaan door mr. Tjabringa; en

drie vertegenwoordigers van de GI.

De advocaat van de moeder heeft op de zitting het woord gevoerd mede aan de hand van een door haar overgelegde pleitnotitie.
<nr>5</nr>Het oordeel van het hof
De wet
5.1
De kinderrechter kan een machtiging geven de kinderen uit huis te plaatsen. De rechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van de kinderen of voor onderzoek van de kinderen.

De uithuisplaatsing bij de vader
5.2
[de minderjarige1] heeft tijdens het kindgesprek verteld dat hij graag bij de vader wil blijven wonen. De moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven, net als bij de kinderrechter, dat zij daarmee kan instemmen en dat hij eens per twee weken een weekend bij haar verblijft. De moeder handhaaft haar hoger beroep ten aanzien van [de minderjarige1] echter wel, omdat zij hierover in een vrijwillig kader afspraken wil maken
5.3
Uit het dossier en wat op de zitting is besproken blijkt dat er al lange tijd zorgen zijn over de sociaal-emotionele ontwikkeling van de kinderen in de opvoedsituatie bij de moeder. Er is sprake van een complexe echtscheiding, waarbij de kinderen zijn betrokken in de strijd tussen hun ouders. Zij hebben te maken gehad met verhuizingen en een instabiele contactregeling met de vader. De kinderen laten forse signalen van loyaliteitsproblematiek zien. [de minderjarige1] kampt(e) met woedeaanvallen en hij deed suïcidale uitspraken. Vanwege zijn ADHD-problematiek is hij extra gevoelig voor spanningen en onduidelijkheid. [de minderjarige2] kampt(e) met klachten als buik- en hoofdpijn. Volgens de moeder heeft [de minderjarige1] een trauma opgelopen door gebeurtenissen bij de vader thuis. [naam2] heeft dit echter niet kunnen vaststellen. [de minderjarige1] heeft uitlatingen gedaan over een incident bij de vader thuis in 2021 en die uitlatingen hebben jaren later tot een aangifte geleid. Tijdens het daarop volgende onderzoek is gebleken dat de nodige kanttekeningen bij de verklaring van [de minderjarige1] te plaatsen zijn. In de brief van de officier van justitie (d.d. 10 oktober 2024) valt te lezen dat zijn verklaring niet authentiek overkomt en dat hij uitspraken doet die niet leeftijdsconform zijn en beïnvloeding van buitenaf voorafgaande aan het studioverhoor lijken te verraden. [de minderjarige1] heeft in het gesprek bij het hof in dit verband aangegeven dat hij erg gevoelig is en dat dingen voor hem snel groot voelen, waardoor hij de gebeurtenissen te groot heeft gemaakt. Er is veel onderzoek verricht en hulpverlening betrokken geweest in het gezin ( [naam3] , [naam4] , [naam5] en [naam6] ( [naam6] )).

Uit de conclusies van [naam6] in 2023 volgt dat [de minderjarige1] het zwaar heeft en opstandig gedrag laat zien mede door de scheidingssituatie. Het traject en ook de omgang zijn stil komen te staan nadat de moeder aangaf overbelast te zijn en het haar niet lukte om vervolgstappen te zetten. Zo is ook psycho-educatie voor de moeder niet van de grond gekomen. Dit is volgens de GI een terugkerend patroon, terwijl alle betrokken instanties aangeven dat er contact moet zijn tussen de vader en de kinderen. De toenemende zorgen over de situatie van de kinderen hebben geleid tot een raadsonderzoek en ondertoezichtstelling. Uit het raadsrapport van 28 augustus 2023 volgt onder andere dat de kinderen worden belast met de ernstig verstoorde dynamiek tussen de ouders en dat zij onvoldoende ruimte ervaren om loyaal te zijn naar beide ouders, met als gevolg dat zij lichamelijke en psychische klachten hebben ontwikkeld. De raad maakt zich zorgen over de gevoelens van onveiligheid die de kinderen jegens de vader hebben en hoe deze mogelijk worden uitvergroot. De raad ziet als belemmering om tot oplossingen te komen dat de moeder vasthoudt aan haar eigen visie en denkpatroon en dat zij de overbelasting die zij ervaart, koppelt aan de onmogelijkheid van contactherstel. Als oplossing wil zij een wijziging van school voor de kinderen en een zorgboerderij voor [de minderjarige1] , terwijl de inzet van hulp en het vergroten van vaders rol als opvoeder volgens de raad meer voor de hand liggen.
5.4
In januari 2025 is [naam1] gestart met onderzoek. Uit het rapport van 23 november 2025 volgt onder andere dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] in het opvoedingsklimaat bij de moeder worden blootgesteld aan een onveilige onvoorspelbare dynamiek die gekenmerkt wordt door strijd, en waarbij zij aangezet worden tot afwijzing van een ouder die als onveilig en onvoorspelbaar wordt geframed. Dit is ontstaan uit een incident tussen de vader en [de minderjarige1] in november 2021. Het narratief dat hierover is samengesteld, te weten angst-onveilig-slaan, is opgeblazen en uitvergroot ten nadele van de vader. De angst die de moeder zegt te voelen wordt geprojecteerd op de kinderen door haar bezorgdheid te blijven uitdragen bij de kinderen. De moeder wordt hierin gesteund door haar netwerk (zus en oudste dochter). In de situatie van de kinderen is sprake van ernstige systemische loyaliteitsdruk en parentificatie. Hierdoor is er een verhoogde kans dat zij psychisch letsel oplopen, zoals het niet toekomen aan het kunnen opbouwen van een eigen identiteit, visievorming, en later bij het aangaan van betekenisvolle relaties. Er wordt een systemisch bijna voltooid proces van contactverlies met de vader gezien, terwijl tijdens observaties door [naam1] vanaf begin 2025, in verschillende settingen, geen angst of beginreserve bij de kinderen wordt gezien, maar juist ontspanning, humor en een goede verbinding met de vader. Door [naam6] en de GI zijn tijdens de begeleide omgangsmomenten ook geen signalen van angst waargenomen. Een uiterst zorgelijk signaal is volgens [naam1] dat de moeder aangeeft zich niet te bemoeien met de beslissing van de kinderen om niet naar de vader te gaan en hen verwijst naar de hulpverlening. De moeder sluit niet aan op de emotionele behoeften van de kinderen en zet hen in een positie waarin zij zelf verantwoordelijk worden gehouden voor het oplossen van de situatie. De moeder geeft herhaaldelijk aan dat de kinderen moeten worden gehoord en aan zet zijn, terwijl jarenlang door meerdere instanties is aangegeven dat de oplossing bij de ouders zelf ligt. Dit laat zien dat de moeder de kinderen mogelijk blijft inzetten, en dit heeft gedaan, door ze te betrekken bij bijvoorbeeld het indienen van klachten.
5.5
De GI heeft ter zitting naar voren gebracht dat beide ouders akkoord hebben gegeven voor het onderzoek door [naam1] en dat de insteek van het onderzoek, te weten ouderverstoting/ouderonthechting, vooraf duidelijk was. De onderzoeksvragen zoals die door de GI zijn geformuleerd en naar de ouders zijn gemaild, zijn niet letterlijk overgenomen in het onderzoek, maar zijn wel beantwoord in het rapport. Het onderzoek heeft de GI duidelijkheid en inzicht gegeven over wat zich heeft afgespeeld.

De GI heeft verder opgemerkt dat de kinderen tijdens één-op-één-gesprekjes uitspraken doen die niet bij hun leeftijd passen en dat zij niet kunnen aangeven wat zij precies bedoelen. [de minderjarige2] bevestigde tijdens een gesprek dat zij vooral last heeft van de situatie tussen de ouders. Tekenend is dat de jeugdbeschermer vervolgens een bericht van de moeder ontving met een opsomming van dingen die [de minderjarige2] was vergeten te zeggen. Daarnaast is het de GI opgevallen dat de kinderen in gesprekken waarbij de moeder aanwezig is, zoals het evaluatiegesprek met de kindercoach, een gestreste indruk maken en dat er briefjes op tafel komen waarop staat waar zij last van hebben. De kindercoach was volgens de GI geen neutrale plek voor de kinderen, maar een plek waar alles werd verzameld wat niet goed was bij de vader. Na voornoemd evaluatiegesprek ontving de GI (opnieuw) een bericht van de moeder met een verslag van het gesprek, omdat het verslag van de GI volgens haar niet voldeed.
5.6
De kinderen verblijven sinds december 2025 bij de vader. De GI en de vader hebben aangegeven dat het goed met de kinderen gaat. Er is verschil in gedrag zichtbaar, ze zijn meer ontspannen en tonen fysieke genegenheid naar de vader, zijn partner en netwerk. [de minderjarige1] en in toenemende mate ook [de minderjarige2] vertonen natuurlijk hechtingsgedrag richting de vader. Dit volgt ook uit de observaties van [naam7] . Er is minder schoolverzuim en de fysieke klachten zijn afgenomen. De vader werkt mee met de hulpverlening, geeft inzicht in zijn opvoedsituatie en de kinderen krijgen bij de vader ruimte voor hun emoties. Tijdens het kindgesprek heeft [de minderjarige1] aangegeven dat hij blij is dat hij bij de vader woont en dat hij oma (vz) weer ziet. Wel mist hij de katten bij de moeder, zijn oudere zus ( [de meerderjarige] ) en de zoon van de partner van de moeder. Bij de moeder kreeg hij snel boze buien dus hij wil bij de vader blijven wonen en eens per twee weken een weekend naar de moeder toe. [de minderjarige2] heeft aangegeven dat de band tussen haar en de vader de afgelopen maanden is verbeterd. Wel mist zij de moeder en wil zij weer bij haar wonen en eens in de twee weken een weekend naar de vader toe.

Na een periode van 12 weken geen contact, hebben de kinderen nu, apart van elkaar, wekelijks omgang met de moeder. Het contact tussen [de minderjarige1] en de moeder is eerder en sneller opgebouwd dan tussen [de minderjarige2] en de moeder, omdat [de minderjarige1] sinds zijn overplaatsing meteen stabiel hechtingsgedrag liet zien en [de minderjarige2] daar meer tijd voor nodig had.

De zorgen van de GI over de thuissituatie bij de moeder zijn onveranderd. De kinderen laten na de omgangsmomenten nog steeds gedrag zien of doen (tegenstrijdige) uitspraken waaruit blijkt dat zij klem zitten, al gaat dit wel steeds beter. De moeder geeft aan dat zij open staat voor hulp en dat zij op de wachtlijst voor een psycholoog staat. Doordat zij echter de zorgen rondom het proces van ouderonthechting niet ziet, is het de vraag in hoeverre zij in staat is om haar eigen aandeel in de situatie in te zien en te veranderen. Zorgelijk in dit verband is de door de GI onderschepte brief van [de meerderjarige] voor [de minderjarige2] , met een negatieve boodschap over de vader, waarvan de moeder zegt dat zij die brief weliswaar vooraf heeft bekeken, maar zich onvoldoende had vergewist van de inhoud daarvan.
5.7
Het hof stelt het belang van de kinderen in zijn beoordeling voorop. Daarbij moet worden bekeken in welke omgeving en onder welke omstandigheden zij zich het beste kunnen ontwikkelen. Voor een gezonde en evenwichtige identiteitsontwikkeling is het van groot belang dat kinderen een fijn en onbelast contact kunnen hebben met beide ouders. Het hof constateert dat er uitgebreid en zorgvuldig onderzoek heeft plaatsgevonden door [naam1] , waaruit ernstige zorgen blijken over de ontwikkeling en opvoedsituatie van de kinderen bij de moeder. De moeder heeft onvoldoende onderbouwd en ook anderszins is niet gebleken dat dit onderzoek, waaraan diverse stukken en gesprekken ten grondslag liggen, ondeugdelijk of niet onafhankelijk tot stand is gekomen. Dat het rapport voor de moeder ingrijpende conclusies bevat, maakt dit niet anders.

De kinderen zijn betrokken bij het onderzoek, gesproken en geobserveerd, zodat een beeld van hen kon worden gevormd. Ook de GI heeft met de kinderen gesproken, net als een kindercoach en daarnaast heeft het hof de kinderen gehoord. Het uitgangspunt van de moeder om de bal (vooral) bij de kinderen neer te leggen legt het probleem in deze zaak nog eens nadrukkelijk bloot. Het hof heeft het onderzoek van [naam1] dan ook in zijn besluitvorming betrokken. De uitkomsten van het onderzoek staan niet op zichzelf aangezien diverse hulpverlenende instanties in de afgelopen jaren gelijkluidende zorgen over het gezinssysteem hebben geuit. In het bijzonder verwijst het hof naar het raadsrapport van

28 augustus 2023, waarin duidelijke signalen naar voren komen over dreigend contactverlies tussen de kinderen en de vader (zie hiervoor onder ro. 5.3). De zorgregeling is meerdere keren stopgezet en/of beperkt, voor het laatst nog halverwege 2025 toen [de minderjarige2] in de vakantie(s) niet naar de vader toe wilde. Er is sprake van een patroon waarbij de kinderen gevoelens van angst en onveiligheid hebben ontwikkeld ten aanzien van de vader, terwijl niet duidelijk wordt waar dit in zit. Dit is schadelijk voor de kinderen. Ook bij het hof heeft [de minderjarige2] gezegd dat zij zich veiliger voelt bij de moeder dan bij de vader, omdat de moeder haar beter beschermt en helpt, bijvoorbeeld als zij buikpijn heeft. De enige duiding die zij voor de door haar genoemde spanning kan geven, is het incident tussen [de minderjarige1] en de vader van jaren geleden, waarbij zij zelf niet aanwezig was. Uit het dossier blijken geen contra-indicaties voor contact. Het contact tussen de kinderen en de vader verloopt fijn en ontspannen (zie ook ro. 5.4). Het hof heeft de indruk dat de vader beter in staat is om zich neutraal op te stellen en de moeder een plek als ouder in het leven van de kinderen te geven dan andersom. Duidelijk is in elk geval dat dit de moeder in de afgelopen jaren niet is gelukt. De moeder wijst naar de vader, blijft hangen in haar eigen zienswijze en legt de verantwoordelijkheid bij de kinderen neer, terwijl zij als verzorgende ouder en volwassene een essentiële rol (en wettelijke plicht) heeft in het stimuleren en faciliteren van contact met de andere ouder.

Het hof is er, net als de GI, niet van overtuigd dat de situatie bij de moeder is verbeterd en een onbelast contact met de vader nu mogelijk is als de kinderen weer bij de moeder zouden wonen. Dat kan alleen als er een verandering van inzicht bij de moeder plaatsvindt, waar zij passende hulp bij nodig heeft. Dat zij hierin nog geen stappen heeft gezet, vindt bevestiging in de door haar naar eigen zeggen vluchtig bekeken brief van [de meerderjarige] , die zij meenam naar de omgang met [de minderjarige2] , waarvan de inhoud illustratief is voor het verstoorde gezinssysteem van beïnvloeding en negativiteit over de vader. Tussen de vader en [de meerderjarige] is inmiddels helemaal geen contact meer en zij heeft haar achternaam onlangs gewijzigd in die van de moeder. Voorkomen moet worden dat ook [de minderjarige1] en [de minderjarige2] die extreme en onnatuurlijke afkeer tegen een van hun ouders ontwikkelen.

Conclusie
5.8
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] bij de vader ten tijde van de beslissing van de kinderrechter en ook nu nog noodzakelijk is (aangezien hun hoofdverblijfplaats bij de moeder is). Het welzijn van de kinderen is al te lang een grote zorg. Dit betekent dat het hof de verzoeken van de moeder zal afwijzen en de bestreden beschikking in zoverre zal bekrachtigen.

Het EVRM
5.9
Het hof overweegt dat de uithuisplaatsing van de kinderen weliswaar een inbreuk vormt op het gezinsleven en/of privéleven van de moeder, maar dat die inbreuk bij wet is voorzien en in dit geval - nu gebleken is dat alternatieve en lichtere maatregelen niet toereikend zijn - noodzakelijk wordt geacht in het belang van de verzorging en opvoeding van de kinderen.

Deskundige
5.10
De moeder heeft, voor het geval de machtiging tot uithuisplaatsing in stand blijft, het hof gevraagd om een deskundige te benoemen. Aan dit verzoek legt zij - kort gezegd - ten grondslag dat het door [naam1] gedane onderzoek niet deugt en de kinderen onvoldoende zijn gehoord. Artikel 810a lid 2 Rv bepaalt dat in zaken betreffende de ondertoezichtstelling van minderjarigen of de beëindiging van het ouderlijk gezag of van de voogdij, de rechter op verzoek van een ouder en na overleg met die ouder een deskundige benoemt, mits dat mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet.
5.11
Het hof wijst het verzoek van de moeder af. Nog los van de vraag of het verzoek van de moeder voldoende concreet is, acht het hof het niet in het belang van de kinderen om nogmaals belast te worden met een onderzoek, mede in het licht van alle onderzoeken en hulpverlening waarmee de kinderen al te maken hebben (gehad), zoals het raadsonderzoek en [naam1] (ten aanzien waarvan het hof als gezegd geen aanleiding heeft aan de conclusies te twijfelen), en de evaluaties van [naam7] en de GI. Er wordt op dit moment gewerkt aan het stabiliseren van de situatie en het verbeteren van de band met de vader en de kinderen zijn gebaat bij rust en continuïteit.

Brieven
5.12
Het hof stuurt de kinderen, conform hun wens, tegelijk met het versturen van de beschikking een brief waarin de beslissing wordt uitgelegd. De brieven zijn als bijlage toegevoegd aan deze beschikking.
<nr>6</nr>De beslissing
Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 18 december 2025 over de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] bij de andere ouder met gezag (de vader);

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. C. Coster, mr. B.J. Engberts en mr. J.G. Knot, bijgestaan door mr. E. Klijn als griffier, en is op 2 juli 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Artikel 1:265b lid 1 BW.

Artikel delen