ECLI:NL:GHARL:2026:4588text/xmlpublic2026-08-06T17:07:332026-07-15Raad voor de RechtspraaknlGerechtshof Arnhem-Leeuwarden2026-07-14200.352.503UitspraakHoger beroepNLArnhemCiviel rechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4588text/htmlpublic2026-08-06T17:06:122026-08-06Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:GHARL:2026:4588 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 14-07-2026 / 200.352.503 Totstandkoming overeenkomst? Afgebroken onderhandelingen?
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, 571679 arrest van 14 juli 2026 in de zaak van Knipscheer Rail-Infra B.V.
die is gevestigd in Almere
advocaat: mr. S. Schuurman en Epsilon Cities B.V.
die is gevestigd in Lopik
advocaat: mr. E.P. Groenewegen-Caris 1Het verloop van de procedure in hoger beroep 1.1. Knipscheer heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, (hierna: de rechtbank) op 18 december 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep de memorie van grieven de memorie van antwoord het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 27 mei 2026 is gehouden. 1.2. Hierna hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen. 2De kern van de zaak2.1. Epsilon heeft ingeschreven op een aanbesteding voor de opwaardering van enkele tramhaltes van de provincie Utrecht (hierna: de provincie). Knipscheer heeft input geleverd op het concept-aanbestedingsdocument van Epsilon en is mee geweest naar het interview met de provincie. Het project is aan Epsilon gegund. Het project bestaat uit een bouwteamfase en een realisatiefase. Knipscheer heeft in de bouwteamfase onderdeel uitgemaakt van het team van Epsilon. Partijen twisten over de vraag of Epsilon en Knipscheer hebben afgesproken dat Epsilon Knipscheer ook in de realisatiefase van het project zou betrekken en, als dat niet zo is, of Knipscheer er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat die afspraak er zou komen. 2.2. Knipscheer heeft bij de rechtbank primair gevorderd dat Epsilon wordt veroordeeld tot betaling van een vergoeding op grond van paragraaf 16 lid 10 sub b UAV-GC 2005 en 5% provisie met een totaalbedrag van € 184.002,61 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, verhoogd met 2% als bedoeld in paragraaf 42 lid 2 UAV-GC 2005. Subsidiair heeft Knipscheer gevorderd dat Epsilon wordt veroordeeld tot betaling van schadevergoeding op grond van onrechtmatig afgebroken onderhandelingen van € 271.669,88 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, verhoogd met 2%. Daarnaast vorderde Knipscheer primair en subsidiair buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. 2.3. De rechtbank heeft deze vorderingen afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep is dat de afgewezen vorderingen alsnog worden toegewezen. 2.4. Het hof zal beslissen dat tussen Knipscheer en Epsilon geen realisatieovereenkomst tot stand is gekomen en dat Epsilon niet onrechtmatig heeft gehandeld door de onderhandelingen af te breken. Het hof licht dat hierna toe. Het hof laat het vonnis van de rechtbank in stand. 3De toelichting op de beslissing van het hof De achtergrond van de zaak 3.1. De provincie heeft in 2022 een nationaal openbare aanbesteding uitgeschreven voor de opwaardering van tramhaltes van de Utrecht Science Park-lijn. De aanbestedingsprocedure is uitgewerkt in de aanbestedingsleidraad “Bouwteam Aannemer Kwalitatieve opwaardering haltes Utrecht Science Park-lijn” van 31 januari 2022 (hierna: de leidraad). 3.2. De leidraad beschrijft de omvang van de aanbesteding als volgt: “De Aanbesteding betreft het in bouwteamverband voorbereiden van het Werk door het opstellen van een definitief ontwerp met de optie voor het verder voorbereiden en uitvoeren van werk onder de voorwaarden van de UAV-GC 2005. (…) Na acceptatie van de producten uit het Bouwteam door de Opdrachtgever mag Aannemer een aanbieding doen voor de realisatiefase. Indien de onderhandelingen zoals omschreven in art. 12 van de Bouwteamovereenkomst succesvol worden afgerond is de Opdrachtgever voornemens de aanbieding van de Aannemer voor de uitvoering van het werk te aanvaarden.” 3.3. In 2.9 van de leidraad is vermeld dat het doel van het bouwteam is het opstellen van een Definitief Ontwerp (DO). Dit Definitief Ontwerp moet geschikt zijn voor het maken van een aanbieding door de aannemer voor de realisatiefase. 3.4. In 2.10 van de leidraad staat dat de aannemer het Definitief Ontwerp moet opstellen en tevens het eerste recht verkrijgt om een aanbieding te maken en te onderhandelen over de realisatie van het werk. De opdracht zal worden aanbesteed in de vorm van twee elkaar opvolgende overeenkomsten: een bouwteamovereenkomst en een realisatieovereenkomst. 3.5. Over de geschiktheidseisen vermeldt de leidraad dat de inschrijver onder meer over drie kerncompetenties moet beschikken. Kerncompetentie 3 betreft ervaring met het werken in een bouwteam. Voor het voldoen aan de geschiktheidseisen kan een beroep worden gedaan op een derde (paragraaf 3.9 leidraad). 3.6. Epsilon schrijft op 15 maart 2022 in op deze aanbesteding. Knipscheer levert input op het concept-inschrijvingsdocument van Epsilon en Epsilon doet in haar inschrijving een beroep op de ervaring van Knipscheer ten aanzien van kerncompetentie 3 (ervaring met werken in een bouwteam). Knipscheer wordt in de inschrijving “partner” en onderaannemer van Epsilon genoemd en gaat mee naar het interview bij de provincie. 3.7. Bij brief van 15 april 2022 laat de provincie aan Epsilon weten dat het gunningsvoornemen van de provincie inhoudt dat de opdracht aan Epsilon wordt gegund. Vervolgens sluiten de provincie en Epsilon op 10 mei 2022 een bouwteamovereenkomst. 3.8. Epsilon verstrekt op haar beurt op 7 september 2022 een opdracht aan Knipscheer. De opdracht luidt als volgt: “De opdrachtverstrekking beperkt zich tot de Bouwteamfase en het uitbrengen van een aanbieding voor de Realisatiefase, als gevolg van het feit dat Epsilon Cities op dit moment ook enkel opdracht heeft voor de Bouwteamfase. Nadat er tussen Epsilon Cities en de provincie Utrecht een overeenkomst tot stand is gekomen voor de Realisatiefase, zal Knipscheer er een verbintenis tot stand komen tussen Knipscheer Rail-Infra en Epsilon Cities voor de Realisatiefase.” 3.9. Epsilon en Knipscheer werken vervolgens samen in de bouwteamfase van het project. 3.10. Op 10 november 2022 verstrekt Knipscheer een kostenraming voor de realisatiefase aan Epsilon. Het betreft een raming met een totaalbedrag van € 734.700,-- ex BTW. Epsilon reageert hierop bij e-mail van 17 november 2022 en geeft aan dat men er nog in detail naar moet kijken, maar verzoekt alvast om toelichting op een aantal posten. 3.11. Op 11 januari 2023 is er een voortgangsbespreking tussen Knipscheer en Epsilon. Daarin spreken partijen af dat Knipscheer de aanbieding voor de realisatiefase zal aanpassen. 3.12. Op 23 februari 2023 stuurt Knipscheer een nieuwe aanbieding voor de realisatiefase. Het betreft een aanbieding met een totaalbedrag van € 499.300,-- ex BTW. In een whatsapp bericht van [naam1] (directeur Epsilon) aan [naam2] (project coördinator Knipscheer) van 27 februari 2023 reageert [naam1] in eerste instantie positief: “[naam2] , bedankt voor je mailtje! Heb de aanbieding nog niet kunnen bekijken maar denk dat dit wel in orde komt. Ik ga vandaag jouw mail punt voor punt nog een goed lezen en reageren.” 3.13. In een e-mail van 3 maart 2023 aan [naam3] (bedrijfsleider Knipscheer) reageert [naam1] gedetailleerd op de aanbieding. Hij uit zijn zorgen en schrijft onder meer: “Alle risico’s voor dit werk worden, zo lijkt en voelt het, bij Epsilon ondergebracht. In de uitgangspunten staan allerlei artikelen opgenomen op basis waarvan op een later moment er onvoorziene kosten aan ons kunnen worden doorgerekend.” Daarna volgt een opsomming van 9 hoofdpunten, met daarbij een toelichting waarin de bezwaren van Epsilon tegen de aanbieding van 23 februari 2023 zijn verwoord. Vervolgens schrijft [naam1] : “Met zoveel uitsluitingen en/of te verrekenen posten krijg ik niet echt een 'gerust en ontzorgd' gevoel, maar dat zal je begrijpen.” Ook ten aanzien van de prijsopbouw noemt [naam1] diverse zaken, die nader worden omschreven. Daarna staat er: “Ik had echt gehoopt dat de afhandeling van deze offerte een formaliteit was, een kleine check behoefte en dat we dan door konden. Maar ik maak mij eerlijk gezegd wel zorgen, met name over de HWA en de cunetten van de abri's. Voorbeeld: als ik jullie oude prijs voor het cunet en de nieuwe prijs voor de HWA van een 25 m1 abri bij elkaar optel, dan kom ik op € 23.695,66 voor het maken van het cunet en het installeren van de in infiltratiekratten. Dat gaat hem simpelweg niet worden, die kosten komen we nooit mee uit. En die kosten zijn op basis van onze ervaringen ook echt veel te hoog.” 3.14. Op 7 maart 2023 ondertekenen Epsilon en de provincie de realisatieovereenkomst voor het project. 3.15. Op 14 maart 2023 laat Epsilon aan Knipscheer weten dat zij de aanbieding van Knipscheer nog eens goed heeft beoordeeld en dat de verschillen met een andere aanbieding die Epsilon heeft ontvangen toch erg groot zijn. Epsilon geeft aan dat in België (op het hoofdkantoor van Epsilon) “de nieuwe toevoegingen, de enorme kosten voor de infiltratiekratten en naar het blijkt een verdubbeling, procentueel gezien, van de winst en risico-opslag” ook niet goed zijn gevallen. Epsilon geeft aan in gesprek te zijn over hoe ze het beste verder kunnen met dit project en er bij Knipscheer op terug te komen. 3.16. Op 22 maart 2023 laat Epsilon telefonisch aan Knipscheer weten dat Epsilon Knipscheer niet zal inschakelen voor de realisatiefase. Geen (voorwaardelijke) overeenkomst voor de realisatiefase en geen opzegging 3.17. Knipscheer stelt dat Epsilon aan haar de opdracht heeft verstrekt tot uitvoering van de civieltechnische werkzaamheden. Dit gebeurde onder de (opschortende) voorwaarde dat op het moment dat door de provincie opdracht aan Epsilon wordt verleend voor de realisatiefase, tussen Epsilon en Knipscheer de overeenkomst voor de realisatiefase tot stand komt. Nu de realisatieovereenkomst tussen de provincie en Epsilon tot stand is gekomen, is de opschortende voorwaarde vervuld, aldus Knipscheer. Epsilon betwist dit. Volgens Epsilon beperkte de opdracht aan Knipscheer zich tot de bouwteamfase. Daarnaast mocht Knipscheer een offerte uitbrengen voor de realisatiefase. De door Knipscheer uitgebrachte offertes waren echter niet passend, zodat het Epsilon vrijstond Knipscheer niet voor de realisatiefase in te schakelen. 3.18. Om te beoordelen wat de reikwijdte is van de afspraak tussen Knipscheer en Epsilon, moet de tussen partijen gemaakte afspraak worden uitgelegd aan de hand van de Haviltex-maatstaf. Daarbij is niet alleen de letterlijke tekst van de afspraak van belang. Wat de betekenis van de afspraak is, hangt ook af van wat partijen tegen elkaar hebben gezegd, hoe zij zich hebben gedragen en wat zij daaruit redelijkerwijs hebben mogen afleiden. 3.19. Het hof is van oordeel dat tussen Knipscheer en Epsilon geen (voorwaardelijke) overeenkomst voor de realisatiefase tot stand is gekomen. De afspraak tussen Knipscheer en Epsilon is neergelegd in de opdrachtbrief van 7 september 2022 en luidt – voor zover relevant – als volgt: “De opdrachtverstrekking beperkt zich tot de Bouwteamfase en het uitbrengen van een aanbieding voor de Realisatiefase als gevolg van het feit dat Epsilon Cities op dit moment ook enkel opdracht heeft voor de Bouwteamfase.” Over dit deel van de afspraak zijn partijen het in principe eens: (i) Epsilon schakelt Knipscheer in voor de bouwteamfase en (ii) Knipscheer mag een aanbieding uitbrengen voor de realisatiefase. 3.20. De vraag is hoe de volgende zin moet worden geduid: “Nadat er tussen Epsilon Cities en de provincie Utrecht een overeenkomst tot stand is gekomen voor de Realisatiefase, zal er een verbintenis tot stand komen tussen Knipscheer Rail- Infra en Epsilon Cities voor de Realisatiefase.” Knipscheer leidt uit deze passage af dat zij daarmee (voorwaardelijk) opdracht heeft gekregen voor de realisatiefase. Deze lezing correspondeert inderdaad met de letterlijke tekst van die passage. Deze passage staat echter niet op zichzelf en moet onder meer in de context van de gehele opdrachtbrief en tegen de achtergrond van de verdere verhouding tussen partijen worden bezien. Naar het oordeel van het hof dient de afspraak tussen partijen daarom zo te worden begrepen dat – indien partijen het eens zouden worden over de aanbieding voor de realisatiefase – zij ook voor die fase een overeenkomst zullen sluiten (als Epsilon de opdracht van de provincie zou krijgen). Uit e-mails tussen partijen van 3 en 4 maart 2022 volgt weliswaar dat het uitgangspunt van partijen was dat zij zowel in de bouwteamfase als in de realisatiefase zouden gaan samenwerken als Epsilon de aanbesteding zou winnen, maar dit uitgangspunt betekent naar het oordeel van het hof niet dat Epsilon zich heeft gecommitteerd om Knipscheer hoe dan ook in de realisatiefase te betrekken. Een dergelijke lezing zou er immers in feite op neerkomen dat Epsilon ongeacht de passendheid van de aanbieding van Knipscheer, met Knipscheer in zee zou moeten gaan voor de realisatiefase. Voor die uitleg ziet het hof te weinig aanknopingspunten. In dit verband heeft Epsilon er terecht op gewezen dat de brief waarbij de opdracht voor de bouwteamfase werd verstrekt, geen specificatie bevat welke werkzaamheden tegen welke prijs door Knipscheer verricht zouden gaan worden. Partijen hadden daar op dat moment nog geen overeenstemming over, terwijl deze zaken tot de essentialia van een overeenkomst behoren. Dat daar geen overeenstemming over was, blijkt ook uit het feit dat Knipscheer nadien twee totaal verschillende offertes aan Epsilon heeft uitgebracht, waarin zowel de kosten als het risicoprofiel zijn gewijzigd en ook verschillende uitgangspunten zijn geformuleerd. Het hof is het niet eens met Knipscheer dat in dit geval niet van belang is dat er nog geen overeenstemming was over de (exacte) omvang van het werk en de tarieven. Anders dan Knipscheer stelt, is uit de stukken niet voldoende af te leiden dat de inhoud van de overeenkomst, althans de inhoud van de verbintenissen die Knipscheer op zich zou nemen, zonder die overeenstemming al voldoende bepaalbaar is. Knipscheer stelt in dit kader nog dat de afspraak tussen partijen behelst dat zij in gezamenlijkheid de overeengekomen demarcatie binnen het taakstellend budget zouden afprijzen naar aanleiding van het te vervaardigen definitief ontwerp. Voor de onderbouwing van die uitleg van de afspraak tussen partijen, heeft Knipscheer echter onvoldoende aangevoerd. 3.21. Kortom, Knipscheer heeft de afspraak met Epsilon niet anders mogen begrijpen dan dat zij opdracht had gekregen voor de bouwteamfase en dat áls Epsilon en zij tot overeenstemming zouden komen over de aanbieding voor de realisatiefase, zij die opdracht eveneens zou krijgen (als Epsilon deze van de provincie kreeg). Nu Epsilon de aanbiedingen van Knipscheer voor de realisatiefase niet heeft geaccepteerd, is tussen hen geen overeenkomst voor de realisatiefase tot stand gekomen. 3.22. De insteek van de aanbestedingsprocedure – waarin het project in twee fases is opgeknipt – maakt het oordeel van het hof niet anders. Knipscheer stelt dat uit het karakter van de twee-fasen-overeenkomst volgt dat realisatie door dezelfde partij plaatsvindt tenzij, ondanks toetsing door een deskundige, geen redelijke prijs voor de realisatie wordt aangeboden. Wat hier ook van zij: dit geldt in de relatie aanbestedende dienst (provincie) en de partij aan wie de aanbesteding is gegund (Epsilon) en niet voor de relatie hoofdaannemer (Epsilon) – onderaannemer (Knipscheer). Knipscheer heeft er verder nog op gewezen dat tijdens de bouwteamfase al deels uitvoering zou zijn gegeven aan de realisatiefase, doordat Epsilon op 4 november 2022 het BLVC-plan heeft ingediend. Knipscheer heeft echter onvoldoende concreet onderbouwd dat het opstellen en indienen van dit plan een onderdeel van de realisatiefase en niet van de bouwteamfase was, zoals Epsilon aangeeft. 3.23. Knipscheer vordert vergoeding van 5% van de geoffreerde aanneemsom voor de realisatiefase vanwege de opzegging van de realisatieovereenkomst. Deze vordering gaat uit van de veronderstelling dat er een overeenkomst voor de realisatiefase tot stand is gekomen tussen Knipscheer en Epsilon. Hiervoor is uiteengezet waarom het hof van oordeel is dat die veronderstelling onjuist is, zodat deze vordering zal worden afgewezen. Geen provisieafspraak ten aanzien van de realisatiefase 3.24. Knipscheer stelt zich op het standpunt dat partijen een provisie van 3 tot 5 % (met een ondergrens van 3%) op het taakstellend budget van de aanbesteding hebben afgesproken. Volgens Knipscheer omvat die afspraak ook dat zij die provisie zou ontvangen als er geen overeenkomst voor de realisatiefase tot stand zou komen. Knipscheer wijst ter onderbouwing van haar standpunt op een e-mail van 29 maart 2022 waarin Epsilon schrijft “Wel willen wij alvast bevestigen dat wij begrijpen dat er voor jullie een deel van de omzet van Epsilon Cities vrijkomt, circa 3-5%. Dit is voor ons daarom akkoord. De exacte cijfers zullen wij op een later moment bekijken, als we ook meer inzicht hebben in de te verwachte omzetcijfers.” Daarnaast wijst Knipscheer op de volgende passage in de notulen van het overleg van 11 januari 2023 “Samenwerking zoals voorheen overeengekomen incl. vergoeding voor Knipscheer over realisatie deel Epsilon blijft nog steeds het uitgangspunt.” Epsilon betwist dat deze afspraak is gemaakt. 3.25. Het hof is van oordeel dat Knipscheer tegenover de gemotiveerde betwisting van Epsilon onvoldoende heeft onderbouwd dat partijen een concrete provisieafspraak hebben gemaakt. Knipscheer heeft in het bijzonder onvoldoende toegelicht waarom zij erop mocht vertrouwen dat voor Epsilon duidelijk was dat in het e-mailbericht van 29 maart 2022 en de passage in de notulen van 11 januari 2023 een concrete afspraak over een provisie werd gemaakt, laat staan een provisieafspraak die tevens inhield dat Epsilon provisie over de realisatiefase verschuldigd zou zijn indien Knipscheer niet in de realisatiefase zou worden betrokken. De tekst van die twee stukken is daarvoor naar het oordeel van het hof niet genoeg; daaruit valt niet meer af te leiden dan dat Epsilon bereid was om met Knipscheer over een provisie te onderhandelen, indien partijen een overeenkomst voor de realisatiefase zouden sluiten. Epsilon mocht de onderhandelingen afbreken 3.26. Knipscheer stelt dat, als tussen partijen geen overeenkomst voor de realisatiefase tot stand is gekomen, er in ieder geval sprake was van een situatie waarin het onaanvaardbaar was dat Epsilon de onderhandelingen over een overeenkomst voor de realisatiefase afbrak. Epsilon is aansprakelijk voor de als gevolg daarvan door Knipscheer geleden schade, aldus Knipscheer. Epsilon betwist dit. Volgens Epsilon stond het haar vrij om niet voor de realisatiefase met Knipscheer in zee te gaan, zonder daarmee schadeplichtig te zijn, onder meer omdat er aan de kant van Knipscheer geen sprake was van een gerechtvaardigd totstandkomingsvertrouwen. 3.27. Het hof stelt voorop dat bij de beoordeling van deze vordering de maatstaf geldt dat ieder van de onderhandelende partijen - die verplicht zijn hun gedrag mede door elkaars gerechtvaardigde belangen te laten bepalen - vrij is de onderhandelingen af te breken, tenzij dit op grond van het gerechtvaardigd vertrouwen van de wederpartij in het totstandkomen van de overeenkomst of in verband met de andere omstandigheden van het geval onaanvaardbaar zou zijn. Daarbij moet rekening worden gehouden met de mate waarin en de wijze waarop de partij die de onderhandelingen afbreekt tot het ontstaan van dat vertrouwen heeft bijgedragen en met de gerechtvaardigde belangen van deze partij. Hierbij kan van belang zijn of zich in de loop van de onderhandelingen onvoorziene omstandigheden hebben voorgedaan, terwijl, in het geval de onderhandelingen ondanks gewijzigde omstandigheden over een lange tijd worden voortgezet, wat betreft dit vertrouwen doorslaggevend is hoe daarover op het moment van het afbreken van de onderhandelingen moet worden geoordeeld tegen de achtergrond van het gehele verloop van de onderhandelingen. Dit betreft een strenge en tot terughoudendheid nopende maatstaf. 3.28. Het hof is van oordeel dat het Epsilon vrij stond de onderhandelingen over de offerte voor de realisatiefase af te breken. Knipscheer mocht er niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat er een overeenkomst voor de realisatiefase tot stand zou komen en er zijn ook geen andere omstandigheden die het afbreken van de onderhandelingen onaanvaardbaar maken. Het hof licht dat hierna toe. 3.29. Knipscheer stelt dat zij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat er tussen haar en Epsilon een overeenkomst voor de realisatiefase tot stand zou komen op basis van de voorbesprekingen, gevoerde e-mailcorrespondentie en whatsappgesprekken en het feit dat de inschrijving op de aanbesteding mede namens Knipscheer is gedaan. Uit onder meer de e-mailberichten van 3 en 4 maart 2022 blijkt weliswaar dat partijen de intentie hadden het gehele project (bouwteamfase en realisatiefase) gezamenlijk uit te voeren, maar dit enkele voornemen is niet voldoende om te concluderen dat Knipscheer er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat zij hoe dan ook voor de realisatiefase zou worden ingeschakeld. Epsilon heeft (alleen) op eigen naam ingeschreven op de aanbesteding en dit project is ook alleen aan Epsilon gegund. Epsilon heeft Knipscheer vervolgens opdracht gegeven voor de bouwteamfase en Knipscheer mocht voor de realisatiefase een aanbieding uitbrengen. Dat staat met zoveel woorden in de opdrachtbrief van 7 september 2022. Daarbij komt dat Epsilon, om de opdracht voor de realisatiefase te krijgen, ook zelf eerst nog een aanbieding aan de provincie moest doen. Die opdracht was dus geen gegeven. Knipscheer zou – op basis van de opdrachtbrief van 7 september 2022 - pas een opdracht voor de realisatiefase kunnen krijgen als Epsilon de aanbieding van Knipscheer zou accepteren én de provincie de aanbieding van Epsilon zou accepteren en haar opdracht zou geven voor de realisatiefase. Knipscheer heeft onvoldoende concrete omstandigheden aangevoerd op basis waarvan het hof kan concluderen dat Knipscheer er desondanks op mocht vertrouwen dat er tussen haar en Epsilon hoe dan ook een overeenkomst voor de realisatiefase tot stand zou komen en dat het Epsilon niet vrij zou staan de aard van de door Knipscheer te verrichten werkzaamheden en de daarvoor door Knipscheer verlangde prijs af te wijzen, als dat voor Epsilon niet passend zou zijn, mede tegen de achtergrond van de door Epsilon zelf aan de provincie uit te brengen aanbieding voor de realisatiefase. 3.30. Knipscheer betoogt dat zij een beslissend element was bij de gunning van de aanbesteding en dat het niet betrekken van Knipscheer in de realisatiefase een wezenlijke wijziging van de aanbesteding zou zijn. Het hof begrijpt deze stelling van Knipscheer zo dat zij daaraan het vertrouwen heeft ontleend dat zij voor de realisatiefase zou worden ingeschakeld. Knipscheer verwijst ter onderbouwing van de stelling dat haar betrokkenheid een beslissend element was naar het door Epsilon als onderdeel van de aanbestedingsdocumentatie ingediende kwaliteitsplan. Uit dit kwaliteitsplan blijkt weliswaar de intentie dat Knipscheer een rol zal spelen in het project, maar hieruit kan niet worden afgeleid dat de rol van Knipscheer van beslissende aard is. Belangrijker nog, dat blijkt ook niet uit de gunningsbeslissing van de provincie. Daarin leest het hof, anders dan Knipscheer, niet dat de rol van Knipscheer een beslissend element is geweest bij de gunning van de aanbesteding. Ook dit punt rechtvaardigt daarmee niet een totstandkomingsvertrouwen van Knipscheer. 3.31. Verder stelt Knipscheer dat zij haar gerechtvaardigde vertrouwen heeft ontleend aan het feit dat Knipscheer er vanuit ging dat Epsilon bij de inschrijving voor de aanbesteding voor alle drie de kerncompetenties een beroep deed op Knipscheer. Epsilon heeft echter alleen voor de kerncompetentie 3 (ervaring met werken in een bouwteam) een beroep gedaan op Knipscheer. De rechtbank heeft dit ook vastgesteld en daartegen is niet gegriefd. Uit niets blijkt dat Knipscheer aanleiding had om aan te nemen dat Epsilon haar voor alle kerncompetenties had ingezet. Naar het oordeel van het hof kan deze veronderstelling van Knipscheer dan ook niet leiden tot een gerechtvaardigd totstandkomingsvertrouwen. 3.32. Ook het betoog van Knipscheer dat zij er – mede op basis van aanbestedingsrechtelijke jurisprudentie – op vertrouwde dat zij niet mocht worden vervangen, kan niet slagen. Paragraaf 3.9 van de leidraad bepaalt dat een derde waarop een inschrijver een beroep doet voor de eisen met betrekking tot de technische en beroepsbekwaamheid, daadwerkelijk moet worden ingezet bij de uitvoering van de opdracht voor het gedeelte waarop de betreffende geschiktheidseis ziet. Er is door Epsilon alleen een beroep op Knipscheer gedaan voor de kerncompetentie van ervaring met werken in een bouwteam. Voor dat gedeelte van het project is Knipscheer ook ingezet. De door Knipscheer aangevoerde jurisprudentie leidt niet tot een andere conclusie. 3.33. Het hof volgt Knipscheer niet in haar stelling dat zij uit het whatsapp bericht van 27 februari 2023 van [naam1] aan [naam2] mocht afleiden dat de opdracht voor de realisatiefase aan haar zou worden verstrekt. Uit dit whatsapp bericht blijkt immers dat Epsilon de aanbieding op dat moment nog niet had kunnen bekijken en dat zij die mail nog goed moest lezen en daarna zou reageren. Uit de daaropvolgende communicatie tussen partijen blijkt vervolgens dat Epsilon weliswaar ook had gehoopt dat partijen er samen uit zouden komen en dat de afhandeling van de offerte een formaliteit zou zijn, maar dat er diverse punten waren die maakten dat zij twijfels had over de aanbieding en dat zij dat aan Knipscheer kenbaar heeft gemaakt. 3.34. Knipscheer komt daarnaast op tegen het oordeel van de rechtbank dat Epsilon de prijs van Knipscheer niet in de offerte aan de provincie heeft meegenomen maar die van Streetfurniture. De rechtbank heeft volgens Knipscheer ten onrechte aangenomen dat dit is gebeurd omdat de totale projectsom niet in te passen zou zijn in het budget van de provincie. Naar het oordeel van het hof kan in het midden blijven waarom Epsilon de offerte van Streetfurniture en niet de offerte van Knipscheer in de offerte heeft opgenomen. Hieraan heeft Knipscheer immers geen gerechtvaardigd totstandkomingsvertrouwen kunnen ontlenen, terwijl Knipscheer ook onvoldoende heeft toegelicht dat en, zo ja, waarom Epsilon daartoe jegens Knipscheer gehouden zou zijn. 3.35. Knipscheer stelt dat zij erop mocht vertrouwen dat Epsilon haar voldoende in de bouwteamfase zou betrekken en Knipscheer de gelegenheid zou hebben haar deel van de opdracht bij de provincie toe te lichten en zo nodig te verdedigen. Volgens Knipscheer had zij er recht op en belang bij dat de provincie kennis zou nemen van de inhoud van haar offerte. Voor zover Knipscheer met dit betoog bedoelt te stellen dat het afbreken van de onderhandelingen onaanvaardbaar is vanwege andere omstandigheden van het geval, is het hof van oordeel dat dit betoog niet slaagt. Knipscheer miskent hiermee immers haar rol in het project – zij was geen contractspartij of gesprekspartner van de provincie, dat was Epsilon. Daarnaast heeft Knipscheer geen concrete omstandigheden gesteld op grond waarvan Epsilon gehouden zou zijn Knipscheer in de gesprekken met de provincie te betrekken of de provincie te voorzien van de aanbieding van Knipscheer. Dat Knipscheer in de aanbestedingsfase mee is gegaan naar het interview bij de provincie, is daarvoor niet genoeg. 3.36. Ten slotte kan de stelling van Knipscheer dat Epsilon de onderhandelingen op oneigenlijke gronden heeft gestaakt en de aanbieding van Knipscheer zonder onderbouwing heeft afgewezen niet tot een toewijzing van haar vorderingen leiden. Uit de communicatie tussen partijen naar aanleiding van de eerste aanbieding in november 2022 en de tweede aanbieding in februari 2023 blijkt dat en waarom Epsilon van mening was dat de door Knipscheer gedane aanbiedingen niet passend waren. Anders dan Knipscheer stelt, is Epsilon niet gehouden te bewijzen dat daadwerkelijk een goedkopere offerte van een andere aannemer voorhanden was. Het is aan Knipscheer om aan te tonen dat het afbreken van de onderhandelingen door Epsilon onrechtmatig was en daarin is zij – zoals hiervoor uiteengezet - naar het oordeel van het hof niet geslaagd. Bewijs 3.37. Het algemene bewijsaanbod van Knipscheer – “bewijs van al haar stellingen” – is onvoldoende concreet, zodat het hof daaraan voorbij gaat. De conclusie 3.38. Het hoger beroep slaagt niet. Omdat Knipscheer in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof Knipscheer tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. 3.39. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad). 4De beslissing Het hof: 4.1. bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 18 december 2024; 4.2. veroordeelt Knipscheer tot betaling van de volgende proceskosten van Epsilon:
€ 6.803,-- aan griffierecht
€ 7.594,-- aan salaris van de advocaat van Epsilon (2 procespunten x het toepasselijke tarief V); 4.3. bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente; 4.4. verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad; 4.5. wijst af wat verder is gevorderd. Dit arrest is gewezen door mrs. P.E. Lucassen, S.B. Boorsma en W.C. Haasnoot, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026. Hoge Raad 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1980:AG4158 (Haviltex) Hoge Raad 12 augustus 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7337 (CBB/JPO)