Tussenarrest. Beslissing op bezwaar tegen voorwaardelijke eiswijziging door geïntimeerde. Verwerping van bezwaar dat geïntimeerde geen incidenteel hoger beroep heeft ingesteld.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18 August 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2026:5244
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-08-2026
Datum publicatie
18-08-2026
Zaaknummer
200.360.442/01
Rechtsgebied
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
ECLI:NL:GHARL:2026:5244text/xmlpublic2026-08-18T12:00:132026-08-11Raad voor de RechtspraaknlGerechtshof Arnhem-Leeuwarden2026-08-11200.360.442/01UitspraakHoger beroepTussenuitspraakNLLeeuwardenCiviel rechtEerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2025:5831Rechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:5244text/htmlpublic2026-08-12T15:56:502026-08-18Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:GHARL:2026:5244 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 11-08-2026 / 200.360.442/01 Tussenarrest. Beslissing op bezwaar tegen voorwaardelijke eiswijziging door geïntimeerde. Verwerping van bezwaar dat geïntimeerde geen incidenteel hoger beroep heeft ingesteld.
zaaknummer rechtbank Overijssel 320702 arrest van 11 augustus 2026 in de zaak van DJM Bedrijfsdiensten B.V.die gevestigd is in Raalte die hoger beroep heeft ingestelden bij de rechtbank optrad als gedaagde en als eiseres in reconventie hierna te noemen: DJMadvocaat: mr. D.B. Dubach en Rovapro B.V.die gevestigd is in Rotterdamdie voorwaardelijk hoger beroep heeft ingestelden bij de rechtbank optrad als eiseres en als verweerster in reconventiehierna te noemen: Rovapro advocaat: mr. C.L. Verhoef 1. Het verloop van de procedure in hoger beroep DJM heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, (hierna: de rechtbank) op 1 oktober 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep de memorie van grieven de memorie van antwoord tevens voorwaardelijke wijziging van eis de akte uitlating voorwaardelijke wijziging van eis het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 16 juli 2026 is gehouden 2. Beslissing op het bezwaar van DJM tegen de voorwaardelijke wijziging van eiszaak 2.1 Rovapro heeft in randnummer 138 van haar memorie van antwoord aangegeven:
“Voorzover Uw Gerechtshof één of meerdere van de door DJM aangevoerde grieven
gegrond zou achten en tot vernietiging van het bestreden vonnis in conventie zou komen,
zie Rovapro aanleiding haar eis in hoger beroep voorwaardelijk te vermeerderen.” Zij heeft deze vermeerdering van eis en de redenen ervoor vervolgens van een toelichting voorzien. DJM heeft in haar akte uitlating voorwaardelijke wijziging van eis tegen dit een en ander bezwaar gemaakt. 2.2 Die voorwaardelijke wijziging behelst dat als het hof één of meer grieven van DJM gegrond zou achten en daarmee zou komen tot een nieuwe beoordeling van de schade, Rovapro haar eis vermeerdert, aldus dat zij vordert dat DJM wordt veroordeeld tot betaling van een vervangende schadevergoeding van € 105.901,83 in hoofdsom (in plaats van € 94.787,14). 2.3 DJM heeft tegen die wijziging bezwaar gemaakt onder meer omdat Rovapro geen incidenteel hoger beroep heeft ingesteld. Volgens DJM zou toelating van de eiswijziging op ontoelaatbare wijze de omvang van het hoger beroep uitbreiden. De eiswijziging moet vanwege dit alles buiten beschouwing worden gelaten.DJM heeft het hof in haar akte verzocht om op haar bezwaar zo spoedig mogelijk te beslissen, maar in ieder geval ruim voor de mondelinge behandeling van deze zaak. 2.4 Dit verzoek is voorafgaand aan de mondelinge behandeling aan de aandacht van het hof ontglipt. Het hof zal alsnog beslissen op het bezwaar voordat de mondelinge behandeling zal worden hervat. 2.5 Het hof verwerpt het bezwaar van DJM. Een partij mag in hoger beroep zijn vordering (voorwaardelijk) wijzigen, mits hij dat doet niet later dan in zijn eerste processtuk. Dit volgt uit de twee-conclusie-regel die ligt besloten in art. 347 lid 1 Rv. Als een partij geïntimeerde in het hoger beroep is, zoals in dit geval Rovapro, is de memorie van antwoord dus in beginsel zijn enige en laatste mogelijkheid om haar eis te wijzigen. DJM heeft de (voorwaardelijke) eiswijziging dus tijdig gedaan. Hoewel een eiswijziging in beginsel is te beschouwen als een grief en daarmee technisch gesproken tevens sprake is van incidenteel appel, is daarvoor niet vereist dat expliciet wordt aangeven dat in incidenteel hoger beroep wordt gegaan. Voldoende is dat de eiswijziging in het eerste processtuk is gedaan en deze redelijkerwijs kenbaar is voor de wederpartij. Deze dient vervolgens de gelegenheid te krijgen om daarop te reageren, maar de gelegenheid om bij akte daarop te reageren is DJM ook geboden. Het bezwaar van DJM tegen de (voorwaardelijke) eiswijziging wordt dus verworpen. 2.6 Het hof heeft ambtshalve geen bezwaar tegen de voorwaardelijke eiswijziging. Die zal dus worden betrokken bij de verdere behandeling. Het dient voor risico van DJM te worden gelaten dat zij geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid om (ook) inhoudelijk te reageren op de voorwaardelijke eiswijziging. Haar zal daarom niet nogmaals de gelegenheid worden geboden om daarop bij akte te reageren. Voor de goede orde wordt opgemerkt dat DJM dat – binnen de gebruikelijke procesrechtelijke grenzen - nog wel zal kunnen doen tijdens de voorzetting van de mondelinge behandeling. 2.7 Voor een effectieve voortzetting van de mondelinge behandeling acht het hof het wenselijk dat DJM zich bij de voortzetting van de mondelinge behandeling zo mogelijk (mede) zal laten vertegenwoordigen door de heer S. ter Wal, omdat uit de stukken van partijen naar voren komt dat hij van de zijde van DJM het meest direct betrokken was bij het onderwerp van deze zaak. 2.8 Iedere verdere beslissing worden aangehouden. De beslissing Het hof: verklaart ongegrond het bezwaar van DJM tegen de (voorwaardelijk) eiswijziging van Rovapro; houdt iedere verdere beslissing aan. Dit arrest is gewezen door mrs. O.E. Mulder, J.H. Kuiper en P.S. Bakker en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
11 augustus 2026. Hoge Raad 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:BC4959. Vgl. randnummer 2.30 in de conclusie van A-G Wuisman voor HR 19 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8771, NJ 2010/154 alsmede par. 15 in de annotatie bij dit arrest van B.T.M van der Wiel (JBPR 2009/39). Art. 347 lid 3 Rv