Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:GHARL:2026:5652

Effectenlease. Dexia.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 9 September 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:GHARL:2026:5652 text/xml public 2026-09-09T18:00:27 2026-09-02 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-09-01 200.354.358 Uitspraak Hoger beroep Tussenuitspraak NL Arnhem Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:5652 text/html public 2026-09-07T10:45:25 2026-09-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:5652 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 01-09-2026 / 200.354.358
Effectenlease. Dexia.
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel

zaaknummer gerechtshof 200.354.358

zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn, 11275890

arrest van 1 september 2026

in de zaak van

Dexia Nederland B.V.

die is gevestigd in Amsterdam

die hoger beroep heeft ingesteld

en bij de kantonrechter optrad als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie

hierna: Dexia

advocaat: mr. I.A. Hoedemaeker

tegen

[geïntimeerde] , zowel handelend voor zichzelf als in de hoedanigheid van erfgenaam van [naam1]

die woont in [woonplaats]

en bij de kantonrechter optrad als eiser in conventie en verweerder in reconventie

hierna (in mannelijk enkelvoud): de afnemer

advocaat: mr. J.B. Maliepaard
<nr>1</nr>Het verloop van de procedure in hoger beroep 1.1.
Dexia heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn, (hierna: de kantonrechter) op 19 maart 2025 tussen partijen heeft uitgesproken (hierna: het bestreden vonnis). Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:

de dagvaarding in hoger beroep

de memorie van grieven

de memorie van antwoord

de akte uitlaten producties van Dexia

de antwoordakte van de afnemer.
<nr>2</nr>De kern van de zaak 2.1.
[geïntimeerde] treedt in deze procedure mede op als erfgenaam van [naam1] . Hierna wordt met “de afnemer” zowel [geïntimeerde] als [naam1] bedoeld.
2.2.
Deze zaak gaat over één effectenleaseovereenkomst (hierna: de effectenleaseovereenkomst) die via een tussenpersoon (SpaarAdvies, hierna: de tussenpersoon) tot stand is gekomen tussen Dexia en de afnemer. Centraal staat de vraag of de afnemer door de tussenpersoon is geadviseerd terwijl deze niet over de daarvoor vereiste vergunning beschikte en of Dexia dat wist dan wel behoorde te weten. Indien dat het geval is, is Dexia gehouden de door de afnemer geleden schade volledig te vergoeden.
2.3.
De afnemer heeft bij de kantonrechter onder meer, kort gezegd, gevorderd om voor recht te verklaren dat Dexia onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld en/of toerekenbaar jegens hem tekort is geschoten en Dexia te veroordelen tot voldoening aan hem van de schade die hij heeft geleden, vermeerderd met rente en kosten. Dexia heeft bij de kantonrechter gevorderd een verklaring voor recht dat Dexia met betrekking tot de effectenleaseovereenkomst aan al haar verplichtingen heeft voldaan en niets meer aan de afnemer is verschuldigd, alsmede een veroordeling van de afnemer in de proceskosten.
2.4.
De kantonrechter heeft voor recht verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens de afnemer heeft gehandeld door hem als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon de afnemer niet alleen als klant aanbracht maar hem tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat. Verder heeft de kantonrechter voor recht verklaard dat de afnemer schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden. Daarnaast heeft de kantonrechter Dexia veroordeeld om de in het vonnis omschreven schadevergoeding en wettelijke rente aan de afnemer te betalen. De kantonrechter heeft de vorderingen van Dexia afgewezen. In dit hoger beroep behandelt het hof de vorderingen van de afnemer en van Dexia opnieuw.
2.5.
Het hof verwijst naar het bestreden vonnis voor de feiten die de kantonrechter heeft vastgesteld. Deze feiten zijn niet bestreden, zodat ze ook in hoger beroep het uitgangspunt vormen.
2.6.
Het hof verwijst naar het bestreden vonnis voor de weergave van de vorderingen van de afnemer en van Dexia, en de grondslagen daarvan. Deze weergave is in hoger beroep niet bestreden.
2.7.
In hoger beroep heeft Dexia grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis, en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van de afnemer en het alsnog toewijzen van haar vorderingen.
2.8.
De afnemer heeft geconcludeerd tot verwerping van de aangevoerde grieven en tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, althans afwijzing van Dexia’s vorderingen.
<nr>3</nr>Het oordeel van het hof 3.1.
Met grief 1 voert Dexia aan dat de afnemer geen bewijs heeft overgelegd waaruit blijkt dat de afnemer de wettige erfgenaam van [naam1] is. Volgens Dexia is niet bewezen dat de afnemer bevoegd is om mede namens de nalatenschap van [naam1] de vorderingen in te stellen. Dexia heeft de afnemer verzocht een verklaring van erfrecht in het geding te brengen. De afnemer stelt in zijn memorie van antwoord dat hij een overlijdensakte heeft overgelegd waaruit volgt dat de afnemer ten tijde van het overlijden van [naam1] met [naam1] gehuwd was. Volgens de afnemer volgt uit artikel 4:10 jo. 4:13 BW dat de langst levende echtgenoot de wettige erfgenaam is. Het hof is van oordeel dat de afnemer slechts ten dele gevolgd kan worden in dit standpunt. Bij uiterste wilsbeschikking kan immers van dit uitgangspunt worden afgeweken, zo volgt uit artikel 4:13 lid 1 BW. Het hof zal de afnemer daarom in de gelegenheid stellen om alsnog een verklaring van erfrecht in het geding te brengen, waaruit opgemaakt kan worden dat de afnemer erfgenaam is van [naam1] .
3.2.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
<nr>4</nr>De beslissing
Het hof:
4.1.
verwijst de zaak naar de rol van 15 september 2026 voor akte overlegging verklaring van erfrecht aan de zijde van de afnemer, waarna Dexia op een termijn van twee weken een antwoordakte zal kunnen nemen;
4.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.C.P. Giesen, M. Schoemaker en G.P. Oosterhoff, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 1 september 2026.

Voor zover Dexia en/of de afnemer in hoger beroep bij de memorie als productie een memorandum of een reactie daarop hebben overgelegd (al dan niet door deponering bij de griffie), stelt het hof vast dat deze producties geen bewijsstuk of productie zijn in de zin van artikel 1.2 aanhef en onder c van het Landelijk Procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven (LPR), maar uitgebreide processtukken, met een uitvoerige toelichting op de standpunten, al dan niet onder verwijzing naar verdere bijlagen die bij deze producties zijn gevoegd. Voor het indienen van dergelijke processtukken, naast de memorie die de argumenten van Dexia en/of de afnemer bevat, bestaat geen ruimte. Bovendien is de maximumomvang van een memorie volgens het LPR 25 pagina’s. Overschrijding van die omvang – zoals door dit memorandum en de reactie daarop het geval is – vereist voorafgaande toestemming van het hof, die niet is gevraagd en dus ook niet is verleend. Een procespartij dient zijn bezwaren tegen de uitspraak in beginsel in zijn memorie gepreciseerd en gemotiveerd uiteen te zetten, niet door verwijzing naar een ander stuk. Op zo’n memorandum en de reactie daarop wordt daarom geen acht geslagen. Een en ander geldt niet of niet zonder meer voor de bij een memorandum overgelegde producties. Zie ook Hof Arnhem-Leeuwarden 26 november 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:7324, rov. 2.2 en Hof Arnhem-Leeuwarden 17 december 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:7752, rov. 1.2. Een eventueel bij de kantonrechter overgelegd en toegelaten memorandum en een reactie daarop behoren tot het procesdossier en zijn in de beoordeling betrokken.

Artikel delen