Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:GHARL:2026:5846

Art. 1:265b lid 1 BW en 1:265c lid 2 BW en 810a lid 2 Rv Het hof heeft de beschikking van de kinderrechter, waarbij de machtiging tot uithuisplaatsing is verlengd, bekrachtigd en het verzoek van de moeder om een deskundigenonderzoek te bevelen afgewezen.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21 September 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:GHARL:2026:5846 text/xml public 2026-09-21T16:36:28 2026-09-10 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-09-10 200.371.595 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:5846 text/html public 2026-09-21T16:36:14 2026-09-21 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:5846 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 10-09-2026 / 200.371.595
Art. 1:265b lid 1 BW en 1:265c lid 2 BW en 810a lid 2 Rv

Het hof heeft de beschikking van de kinderrechter, waarbij de machtiging tot uithuisplaatsing is verlengd, bekrachtigd en het verzoek van de moeder om een deskundigenonderzoek te bevelen afgewezen.

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem, afdeling civiel

zaaknummer gerechtshof 200.371.595

zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 605948

beschikking van 10 september 2025

over de uithuisplaatsing van [kind1]

in de zaak van

[moeder] (de moeder)

die woont in [woonplaats1] ( [gemeente1] )

advocaat: mr. N. Schietekatte

tegen

de gecertificeerde instelling

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, (de GI)

die is gevestigd in Amsterdam.

Het hof heeft als belanghebbende aangemerkt:

[oma/pleegmoeder] (de oma/pleegmoeder)

die woont op een bij het hof bekend adres.
<nr>1</nr>Samenvatting
De kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, heeft in de beschikking van 9 april 2026 (de bestreden beschikking) de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind1] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 14 maart 2027.

Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.
<nr>2</nr>De feiten 2.1.
De moeder is de ouder van:

[kind1] , geboren op 27 augustus 2021.

De moeder heeft het eenhoofdig gezag over [kind1] . Zij verwacht half september 2026 een baby.
2.2.
[kind1] is op 15 maart 2022 onder toezicht gesteld van de GI. Deze ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd, de laatste keer in de beschikking van 12 maart 2026, tot 14 maart 2027.
2.3.
[kind1] verblijft sinds eind mei 2023 bij de oma van moederszijde (de pleegmoeder).
2.4.
Bij beschikking van 20 juli 2023 heeft de kinderrechter een machtiging verleend om [kind1] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg. Die machtiging is daarna steeds verlengd.
<nr>3</nr>De procedure bij de kinderrechter 3.1.
De GI heeft in januari 2026 de kinderrechter verzocht om de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind1] te verlengen met een jaar.
3.2.
Bij beschikking van 12 maart 2026 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [kind1] verlengd tot 14 maart 2027, de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind1] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 14 mei 2026 en de beslissing op het overige deel van het verlengingsverzoek van de uithuisplaatsing aangehouden.
3.3.
Bij de bestreden beschikking (van 9 april 2026) heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind1] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 14 maart 2027.
<nr>4</nr>De procedure bij het hof 4.1.
De moeder is het niet eens met de bestreden beschikking van de kinderrechter. Zij komt daarvan in hoger beroep en verzoekt het hof om die beschikking te vernietigen en:

Primair:

het verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind1] af te wijzen;

Subsidiair:

dat verzoek toe te wijzen voor een kortere duur onder aanhouding van het overige en een nader onderzoek te gelasten op grond van artikel 810a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), waarbij de moeder denkt aan een NIFP-onderzoek of een onderzoek van het Instituut Van der Stam.
4.2.
De GI is het wel eens met de beslissing van de kinderrechter. Zij wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter bekrachtigt.
4.3.
De pleegmoeder (oma) wil dat de beslissing in stand blijft, omdat [kind1] op dit moment geen verandering aan kan.

De informatie die het hof heeft ontvangen
4.4.
Het hof heeft de volgende stukken:

het beroepschrift, ontvangen op 8 juli 2026

het verweerschrift van de GI

de brief van de raad van 27 juli 2026, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting
4.5.
De zitting bij het hof was op 14 augustus 2026. Aanwezig waren:

de moeder met haar advocaat

een vertegenwoordiger van de GI.

De pleegmoeder heeft via een online verbinding deelgenomen aan de zitting.
<nr>5</nr>Het oordeel van het hof
Wat staat in de wet?
5.1.
De kinderrechter kan een machtiging geven de kinderen uit huis te plaatsen. De kinderrechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van de kinderen of voor onderzoek van de kinderen. De kinderrechter kan die machtiging ook verlengen als de GI of de raad dat verzoeken.

Hoe luiden de standpunten?
5.2.
Volgens de moeder is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing niet noodzakelijk in het belang van [kind1] . Zij erkent dat zij een verslavingsverleden heeft en dat de pogingen om van haar verslaving af te komen tot in het voorjaar van 2026 geen succes hebben gehad. Daarna is het haar echter wel gelukt om af te kicken. De moeder erkent dat [kind1] al geruime tijd zijn basis heeft bij de pleegmoeder en dat hij het daar goed heeft. Zij heeft haar leven nu echter voldoende op orde om weer zelf voor [kind1] te kunnen zorgen. De moeder beseft dat [kind1] niet direct weer bij haar thuis kan wonen, maar hij zou volgens haar mee kunnen naar het moeder-kind-huis, waar zij verwacht op enig moment met de baby te kunnen verblijven. Zij zou graag zien dat [kind1] mee gaat naar het moeder-kind-huis. Zij werkt hard aan bestendiging van de huidige situatie. Volgens de moeder is de kinderrechter er in de bestreden beschikking ten onrechte van uitgegaan dat het perspectief van [kind1] niet meer bij haar ligt.

Als het hof van oordeel is dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing toch in het belang van [kind1] is, dan verzoekt de moeder om op basis van artikel 810a Rv een nader onderzoek te gelasten.
5.3.
De GI voert aan dat de uithuisplaatsing nog steeds in het belang van [kind1] is.

De moeder is opgegroeid in een omgeving waar drugsgebruik en mensenhandel aan de orde waren. De moeder heeft diverse gewelddadige relaties gehad, zo ook met de biologische vader van [kind1] , die daarom niet wordt toegelaten in het leven van [kind1] . Ook is de moeder lange tijd verslaafd geweest. [kind1] heeft een zeer belast verleden, is vaak verhuisd en is in de thuissituatie bij de moeder blootgesteld aan onveilige situaties.

[kind1] is daardoor beschadigd en hij heeft een bovengemiddelde opvoedbehoefte. Hij heeft dagelijks structuur en begeleiding nodig, die hij bij zijn oma krijgt. De moeder is op dit moment niet in staat om de dagelijkse verzorging en opvoeding van [kind1] op zich te nemen, aldus de GI.

Hoe oordeelt het hof?
5.4.
Volgens de moeder heeft de kinderrechter ten onrechte overwogen dat het perspectief van [kind1] niet bij haar, maar bij de oma ligt en dat het niet de verwachting is dat die situatie zal veranderen. Het hof stelt voorop dat het perspectiefbesluit niet geregeld is in de wet. De wet voorziet (mede daarom) niet in een mogelijkheid om het perspectiefbesluit als zodanig te laten toetsen door een rechter. De rechter kan een door de GI genomen perspectiefbesluit wel betrekken bij de beoordeling van andere aan de rechter voorgelegde verzoeken, die wel in de wet zijn geregeld, zoals een machtiging tot uithuisplaatsing. Als de rechter dit doet, dan heeft het oordeel van die rechter over dat perspectiefbesluit in dat kader niet een structureel, maar een voorlopig karakter.

Het hof kan het perspectiefbesluit niet beoordelen en dus ook niet bekrachtigen of vernietigen. De vraag naar het structurele opvoedperspectief hoort niet thuis in een procedure die ziet op de (verlenging van de) machtiging tot uithuisplaatsing maar in een procedure tot gezagsbeëindiging.
5.5.
Uit de stukken en wat tijdens de zitting van het hof is gezegd is het volgende gebleken. Hoewel het op dit moment beter met de moeder gaat, heeft zij een belast verleden. Dat erkent zij ook. De moeder is, zowel in haar gezin van herkomst als later tijdens haar zelfstandige leven vaak en langdurig in aanraking geweest met verslaving en geweld. Omdat de moeder [kind1] geen veilige opvoedsituatie kon bieden, is [kind1] , toen hij bijna twee jaar oud was, uit huis geplaatst in het gezin van de oma, bij wie hij sindsdien, met een korte onderbreking, nog steeds woont. Het is prijzenswaardig dat de moeder, mogelijk extra gemotiveerd door haar zwangerschap, nu kennelijk haar verslaving heeft overwonnen. Vorig jaar september heeft de moeder echter de Jellinekkliniek nog vroegtijdig en zonder succes verlaten. Gelet daarop en op de problematische voorgeschiedenis van de moeder, acht het hof de positieve wending die zij op dit moment laat zien nog te pril om nu al te kunnen verwachten dat zij in staat is om weer volledig voor [kind1] te kunnen zorgen, zeker nu zij straks ook de zorg heeft voor de baby. Ook een situatie in een moeder-kind-voorziening, waarin de moeder verwacht binnenkort met de baby te kunnen gaan wonen, zal geen goede setting zijn voor [kind1] , omdat de moeder in die voorziening vooral haar aandacht zal moeten richten op de baby, in verband met wiens komst de voorziening is aangevraagd.
5.6.
Daarnaast is het hof van oordeel dat het ook niet in het belang van [kind1] is dat hij nu of op korte termijn – voor 14 maart 2027 – bij de moeder thuis geplaatst zal worden. [kind1] is in de thuissituatie bij de moeder blootgesteld aan diverse onveilige situaties. Na de uithuisplaatsing moest hij onlangs nog met de oma verhuizen naar een geheime plek in verband met een dreiging, volgens de oma geuit door een gewelddadige ex-partner van de moeder. [kind1] heeft korte tijd in een ander pleeggezin gewoond, waar hij in verband met zijn gedragsproblematiek niet langer kon blijven. Hij trok daar bijvoorbeeld de huisdieren, maar ook de andere in dat gezin aanwezige kinderen, aan de haren. Laatstgenoemd gedrag vertoont hij na zijn terugkeer in het gezin van de oma nu niet meer. Er spelen nu, volgens de verklaring van de oma tijdens de zitting, nog wel andere problemen, onder andere op het gebied van de zindelijkheid en de sociaal-emotionele ontwikkeling. Zo is het lastig voor [kind1] om met meer dan één kindje te spelen. Ook het taxivervoer van en naar de dagopvang is voor hem erg lastig. [kind1] heeft al met al een ‘bovengemiddelde opvoedbehoefte’. Dat is op de zitting ook onderschreven door de jeugdbeschermer, die heeft uiteengezet dat zijn ‘ontwikkelingsleeftijd’ is blijven steken op anderhalf tot zes maanden. Bij spanning valt hij terug in een eerdere leeftijdsfase. Hij kan nog slecht omgaan met veranderingen.Volgens de oma geniet [kind1] wel van de contactmomenten met de moeder. Naar het oordeel van het hof is voldoende duidelijk geworden dat de oma, samen met de ingeroepen hulpverlening, hem op dit moment de structuur en duidelijkheid kan bieden waaraan hij behoefte heeft. Het is niet in het belang van [kind1] om die situatie nu of op korte termijn te doorbreken met een thuisplaatsing bij de moeder, ook niet gefaseerd zoals de moeder voorstaat.
5.7.
Al het voorgaande leidt het hof tot de conclusie dat de machtiging tot uithuisplaatsing in het gezin van de oma op goede gronden en in het belang van [kind1] is verlengd.
5.8.
Omdat het verzoek van de moeder tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing ongedaan te maken, wordt afgewezen, komt het hof toe aan het subsidiaire verzoek van de moeder om een onderzoek op grond van artikel 810a lid 2 Rv. te gelasten. Dit artikel bepaalt dat de rechter in zaken die betrekking hebben op de ondertoezichtstelling of uithuisplaatsing van minderjarigen op verzoek van een ouder een deskundige kan benoemen om onderzoek te verrichten.

Het hof is van oordeel dat, hoewel de moeder een voldoende concreet verzoek heeft gedaan, toewijzing van dit verzoek strijdig is met het belang van [kind1] . De wachttijd voor een onderzoek, en ook het onderzoek zelf, zullen veel tijd in beslag nemen. Uit wat hiervoor is overwogen moet de conclusie worden getrokken dat enerzijds de positieve ontwikkeling die de moeder nu doormaakt nog te pril is en anderzijds de problematiek van [kind1] op dit moment nog te ernstig is om nu een terugplaatsing van [kind1] bij de moeder mogelijk te maken. Deze omstandigheden maken dat de bevindingen van een onderzoeker het oordeel van hof over de uithuisplaatsing op dit moment niet anders maken.
5.9.
Gelet op al het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen en het meer of anders verzochte afwijzen.
<nr>6</nr>De beslissing
Het hof:
6.1.
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 9 april 2026;
6.2.
wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E. de Boer, P.B. Kamminga en S. Kuijpers, bijgestaan door G.E.M. Bours als griffier en is op 10 september 2026 in het openbaar uitgesproken.

artikel 1:265b lid 1 BW.

artikel 1:265c lid 2 BW.

Artikel delen