Gezag en omgang. Bekrachtiging beslissing rechtbank beëindiging gezamenlijk gezag en ontzegging omgang, omdat niet is gebleken van een aanmerkelijke verbetering in de situatie van de moeder.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24 September 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2026:5987
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-09-2026
Datum publicatie
24-09-2026
Zaaknummer
200.364.229/01
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
ECLI:NL:GHARL:2026:5987text/xmlpublic2026-09-24T12:00:212026-09-17Raad voor de RechtspraaknlGerechtshof Arnhem-Leeuwarden2026-09-17200.364.229/01UitspraakHoger beroepNLLeeuwardenCiviel recht; Personen- en familierechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:5987text/htmlpublic2026-09-23T16:02:292026-09-24Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:GHARL:2026:5987 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 17-09-2026 / 200.364.229/01 Gezag en omgang. Bekrachtiging beslissing rechtbank beëindiging gezamenlijk gezag en ontzegging omgang, omdat niet is gebleken van een aanmerkelijke verbetering in de situatie van de moeder.
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 193379) over het gezag van [de minderjarige] ( [de minderjarige] ) en haar contact met de moeder beschikking van 17 september 2026 in de zaak van
[verzoekster] (de moeder),
die woont op een geheim te houden adres,
verzoekster in hoger beroep,
advocaat: mr. J.D. Nijenhuis te Leeuwarden, en
[verweerder]
(de vader),
die woont op een geheim te houden adres,
verweerder in hoger beroep,
advocaat: mr. B.M. Speel-van Dijk te Heerenveen. In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming (de raad),
regio Noord-Nederland, locatie Leeuwarden. 1Samenvatting De rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft op 22 oktober 2025 het gezamenlijk gezag van de ouders over [de minderjarige] beëindigd en bepaald dat de vader voortaan alleen het gezag over [de minderjarige] heeft. Verder heeft de rechtbank bepaald dat er geen vaste omgangsregeling geldt tussen [de minderjarige] en de moeder. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom. 2De feiten2.1. De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige] . [de minderjarige] is geboren [in] 2020. Tot de bestreden beschikking hadden de ouders samen het gezag over [de minderjarige] . 2.2. De ouders hebben een relatie gehad. Deze relatie is verbroken in maart 2021.
De ouders hebben in hun ouderschapsplan van oktober 2022 afgesproken dat [de minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft. Verder zijn de ouders een co-ouderschap overeengekomen, waarbij [de minderjarige] de ene week bij haar moeder verblijft en de andere week bij haar vader. Dit ouderschapsplan is opgenomen in de beschikking van 14 december 2022. 2.3. Eind december 2023 heeft de moeder in verwarde toestand [de minderjarige] onttrokken aan het ouderlijk gezag van de vader en was het gedurende bijna een week voor de vader en anderen rondom de moeder onbekend waar zij met [de minderjarige] verbleef. Uiteindelijk is [de minderjarige] in zorgwekkende toestand in Oostenrijk aangetroffen. Sinds 28 december 2023 verblijft [de minderjarige] volledig bij de vader (en zijn partner). 2.4. De moeder is vanwege de hiervoor genoemde gebeurtenis van januari 2024 tot 26 juli 2024 gedetineerd geweest in [PI] in [plaats1] ( [provincie] ) en het Penitentiair Psychiatrisch Centrum (PPC) [plaats2] .
De moeder is van 15 augustus 2024 tot 8 juli 2025 gedwongen opgenomen geweest in de Forensisch Psychiatrische Afdeling GGZ in [plaats3] (FPA). 2.5. Na de gebeurtenis in december 2023 heeft [de minderjarige] geen contact meer met de moeder gehad. 3De procedure bij de rechtbank3.1. De vader heeft op 24 januari 2024 de rechtbank verzocht het ouderschapsplan van 25 oktober 2022 te wijzigen en te bepalen dat
I [de minderjarige] haar hoofdverblijf zal hebben bij de vader;
II de moeder de omgang tussen haar en [de minderjarige] wordt ontzegd dan wel dat de
zorgregeling c.q. het co-ouderschap wordt geschorst voor de minimale periode van
een jaar;
III indien en voor zover de moeder geen toestemming geeft voor het inschakelen van
psychische c.q. medische hulp en/of andere noodzakelijke hulp de toestemming van de rechtbank daarvoor in de plaats kan worden gesteld;
IV het gezamenlijk gezag van partijen wordt gewijzigd in het eenhoofdig gezag van de vader. 3.2. De moeder was het niet eens met de verzoeken van de vader en heeft de rechtbank verzocht om de verzoeken van de vader af te wijzen. 3.3. De rechtbank heeft op 22 april 2024 een tussenbeslissing genomen en de raad verzocht een onderzoek in te stellen en haar te rapporteren en te adviseren over de hoofdverblijfplaats, de zorgregeling (waaronder het ontzeggen van de omgang) en het gezag. 3.4. De raad heeft gerapporteerd op 27 juni 2024. 3.5. In een beschikking van 26 februari 2025 heeft de rechtbank overeenkomstig het advies van de raad het hoofdverblijf van [de minderjarige] bij de vader bepaald en een voorlopige zorg- en contactregeling tussen de moeder en [de minderjarige] bepaald, waarbij [de minderjarige] en de moeder minimaal eenmaal per week gedurende 45 minuten een door een professional (zo mogelijk van [naam] ) begeleide omgang hebben, tenzij deze begeleider de omgang voor [de minderjarige] niet verantwoord vindt. De definitieve beslissing over het gezag en de zorg-/omgangsregeling is aangehouden. 3.6. Ondanks de inzet van de hulpverlening vanuit het gebiedsteam [gemeentenaam] en [naam] is er geen contact tussen de moeder en [de minderjarige] tot stand gekomen. [naam] is in januari 2025 gestart met de voorbereiding van [de minderjarige] op het contactherstel met de moeder. De moeder heeft echter het ondersteuningsplan van [naam] niet ondertekend en daarnaast werd zowel het gebiedsteam als [naam] niet geïnformeerd over het psychisch welzijn van de moeder. Het traject is vanwege gebrek aan medewerking van de moeder in april 2025 stopgezet. 3.7. De raad heeft aanvullend gerapporteerd op 17 september 2025. 3.8. In de beschikking van 22 oktober 2025 (hierna: de bestreden beschikking) heeft de rechtbank het gezamenlijk gezag beëindigd en bepaald dat de vader voortaan alleen het gezag heeft over [de minderjarige] . Ook heeft de rechtbank het ouderschapsplan van oktober 2022 gewijzigd voor zover het gaat om de omgang en bepaald dat er geen vaste omgangsregeling geldt tussen [de minderjarige] en de moeder. 4De procedure bij het hof4.1. De moeder is het niet eens met de beslissing van de rechtbank om het gezamenlijk gezag te beëindigen en om te bepalen dat geen vaste omgangsregeling geldt. Zij komt daarvan in hoger beroep. De moeder wil dat het hof die beslissing ongedaan maakt en de verzoeken van de vader alsnog afwijst, zodat het gezamenlijk gezag van de ouders in stand blijft. Daarnaast verzoekt de moeder alsnog een zorgregeling dan wel een omgangsregeling vast te stellen tussen haar en [de minderjarige] , waarbij [de minderjarige] en de moeder minimaal eenmaal per week omgang hebben met elkaar gedurende minimaal twee uur waarbij minimaal gedurende drie maanden hulpverlening en begeleiding ingezet kan worden. 4.2. De vader is het wel eens met de beslissing van de rechtbank. Hij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank in stand laat. De informatie die het hof heeft ontvangen 4.3. Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
- het beroepschrift ontvangen op 22 januari 2026;
- de stukken namens de moeder van 12 februari 2026;
- de stukken namens de moeder van 27 februari 2026;
- het verweerschrift;
- de stukken namens de moeder van 10 augustus 2026;
- de stukken namens de moeder van 17 augustus 2026. 4.4. De zitting bij het hof was op 20 augustus 2026. Aanwezig waren:
- de moeder met haar advocaat;
- de vader met zijn advocaat;
- een vertegenwoordiger van de raad. 5Het oordeel van het hof De wet 5.1. De rechter kan op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen als de omstandigheden na het ontstaan van het gezamenlijk gezag zijn gewijzigd.
De rechter kan dan bepalen dat het gezag over een kind aan een van hen toekomt indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. 5.2. De rechter kan op verzoek van de ouders of van een van hen een eerdere beslissing of afspraak tussen de ouders over de omgangsregeling wijzigen als de omstandigheden daarna zijn gewijzigd.
De rechter kan het recht op omgang ook ontzeggen indien
a. de omgang een ernstig nadeel is voor de ontwikkeling van het kind, of
b. de ouder kennelijk ongeschikt of niet in staat is tot omgang, of
c. het kind dat twaalf jaren of ouder is ernstige bezwaren daartegen heeft, of
d. de zwaarwegende belangen van het kind zich daartegen verzetten. De motivering van de beslissing van het hof 5.3. Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat het gezamenlijk gezag van de ouders moet worden beëindigd en bepaald moet worden dat de vader alleen het gezag heeft over [de minderjarige] . Daarnaast is het hof van oordeel dat het ouderschapsplan moet worden gewijzigd en dat er, zoals ook de rechtbank heeft bepaald, geen vaste omgangsregeling moet gelden tussen [de minderjarige] en de moeder. De beslissingen van de rechtbank zullen daarom in stand blijven (worden bekrachtigd).
Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank haar beslissingen goed uitgelegd. De rechtbank heeft zeer volledig beschreven waarom een gezagsbeëindiging van de moeder noodzakelijk is en waarom er op dit moment geen vaste omgangsregeling tussen [de minderjarige] en de moeder kan worden vastgesteld. Het hof neemt de motivering van de rechtbank over en voegt daaraan nog het volgende toe. 5.4. Uit de behandeling ter zitting noch uit de stukken is gebleken dat de situatie van de moeder na de beschikking van de rechtbank aanmerkelijk is verbeterd, laat staan dat sprake zou zijn van een voor het gezag en de omgang relevante verbetering. Dat dit het geval zou zijn, zoals de moeder stelt, heeft zij niet aannemelijk gemaakt. Stukken met betrekking tot de zorgmachtiging, de aanvraag van de zorgaanbieder en een verklaring van een psychiater zijn bijvoorbeeld niet overgelegd, ondanks de door de moeder eerder gestelde bereidheid daarin inzage te geven. Dergelijke stukken hadden inzicht kunnen geven in de huidige situatie van de moeder. De door de moeder in hoger beroep overgelegde arbeidsovereenkomsten, bewijzen van huurbetaling en korte verslagen over depotmedicatie geven onvoldoende inzicht in de huidige situatie van de moeder. De omstandigheid dat zij werk heeft, zelfstandig woont en depotmedicatie krijgt, laat weliswaar ruimte voor de stelling van de moeder dat haar situatie is verbeterd, maar zegt weinig over haar mogelijkheden als het gaat om een verantwoorde uitoefening van het gezag over [de minderjarige] of om een verantwoorde, consequente naleving van een omgangsregeling met haar. Evenmin heeft de moeder op andere wijze aannemelijk gemaakt dat haar situatie zodanig is gewijzigd, dat gezamenlijk gezag en een vaste omgangsregeling met het oog op het belang van [de minderjarige] weer tot de mogelijkheden behoren. 5.5. Wat betreft de mogelijkheid tot contact verdient opmerking dat nog in januari 2025 [naam] is gestart met het opbouwen van een vertrouwensband met [de minderjarige] ter voorbereiding op begeleid contact met de moeder. In april 2025 heeft het gebiedsteam echter besloten om de inzet van [naam] te stoppen, omdat de moeder geen handtekening onder het ondersteuningsplan wilde zetten en geen informatie over haar psychisch welzijn wilde (laten) delen. Daarbij is van belang dat [de minderjarige] een jong en kwetsbaar meisje is, dat haar moeder inmiddels al twee jaar en negen maanden niet heeft gezien. De ernstige en voor [de minderjarige] zeer ingrijpende gebeurtenissen van december 2023, en ook de periode daarna, waarin de moeder vanwege haar psychische kwetsbaarheid niet in staat is gebleken uitvoering te geven aan haar gezag en aan de beoogde contactmomenten, hebben een grote impact gehad op [de minderjarige] . Deze gebeurtenissen zijn traumatisch voor haar geweest en zij kampt hierdoor met hechtingsproblematiek. In verband hiermee heeft [de minderjarige] behandeling nodig. De kwetsbaarheid van [de minderjarige] brengt mee dat het juist voor haar van groot belang is dat haar moeder voorspelbaar is in het nakomen van contactafspraken. In plaats daarvan is de moeder nog tot in het recente verleden in het nakomen van afspraken weinig betrouwbaar gebleken. 6Beslissing Het hof, beschikkende in hoger beroep: bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 22 oktober 2025, waarvan beroep; wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mr. K.H.P Selcraig, mr. L. van Dijk en mr. C. Coster, en bijgestaan door mr. M. Marsnerova als griffier, en is op 17 september 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier. Artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 1:377a lid 3 van het Burgerlijk Wetboek.