ECLI:NL:GHDHA:2026:1891
Hersteluitspraak BK-25/413
Gerechtshof Den Haag 29 June 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI:NL:GHDHA:2026:1891
text/xml
public
2026-06-29T15:04:22
2026-06-06
Raad voor de Rechtspraak
nl
Gerechtshof Den Haag
2026-04-24
BK-25/413bis
Uitspraak
Hoger beroep
NL
Den Haag
Bestuursrecht; Belastingrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:1891
text/html
public
2026-06-25T15:23:28
2026-06-29
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:GHDHA:2026:1891 Gerechtshof Den Haag , 24-04-2026 / BK-25/413bis
Hersteluitspraak BK-25/413
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/413bis
Uitspraak van 24 april 2026 ter herstel van de uitspraak van 31 maart 2026
in het geding tussen:
[X] te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: D.A.N. Bartels)
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Noordwijk, de Heffingsambtenaar,
(vertegenwoordiger: […] )
gedaan ter verbetering van de uitspraak van dit Hof van 31 maart 2026, nr. BK-25/413, inzake het hoger beroep van de Heffingsambtenaar en het incidenteel hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 22 april 2025, nummers SGR 23/6491, SGR 23/6492, SGR 23/6493 en SGR 23/6494.
De uitspraak in het hoger beroep
1.1.
Het Hof heeft in deze zaak op 31 maart 2026 uitspraak gedaan. Nadien heeft de Heffingsambtenaar het Hof gewezen op een misslag in het dictum.
1.2.
In het dictum staat vermeld dat het Hof de Heffingsambtenaar veroordeelt in de proceskosten in beroep. Voorts staat in overweging 5.18 van de uitspraak vermeld dat de Rechtbank de Heffingsambtenaar heeft veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze vermeldingen berusten op een misslag. De juiste vermeldingen zijn dat het Hof de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) veroordeelt in de proceskosten in beroep respectievelijk dat de Rechtbank de Minister van Justitie en Veiligheid heeft veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Naar het oordeel van het Hof is sprake van een kennelijke fout, aangezien uit het dictum van de Rechtbank (zoals aangehaald in overweging 1.3 van de uitspraak) blijkt dat de Rechtbank de Minister van Justitie en Veiligheid had veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade (welke beslissing in hoger beroep niet werd bestreden), zodat het Hof dit bestuursorgaan ook in de proceskosten in beroep had dienen te veroordelen. Deze misslag leent zich voor herstel door middel van de onderhavige hersteluitspraak. Herstel van deze misslag brengt het volgende mee.
1.3.
Het dictum van de uitspraak van 31 maart 2026 komt als volgt te luiden:
“Het Gerechtshof:
vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissing ten aanzien van de vergoeding van immateriële schade;
bevestigt de uitspraak op bezwaar; en
veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten in beroep, vastgesteld op € 226,75.”
1.4.
Overweging 5.18 van de uitspraak van 31 maart 2026 komt als volgt te luiden:
“5.18. Gelet op de omstandigheid dat het principale hoger beroep van de Heffingsambtenaar gelet op hetgeen hiervoor is overwogen gegrond is en de uitspraak op bezwaar dient te worden bevestigd, ontvalt voor belanghebbende het recht op proceskostenvergoeding voor de door een derde in de beroepsfase beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor andere proceshandelingen dan de proceshandeling verzoek om schadevergoeding (zie 5.8) en in beginsel ook het recht op vergoeding van het griffierecht. Aangezien de Rechtbank de Minister van Justitie en Veiligheid heeft veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, hetgeen in hoger beroep niet is bestreden, maakt belanghebbende in beginsel wel aanspraak op een vergoeding van het griffierecht als het overgangsrecht uit het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, rechtsoverweging 6.2, van toepassing is.”
Beslissing
Het Gerechtshof herstelt de uitspraak van 31 maart 2026, nr. BK-25/413, op de hiervoor onder 1.3 en 1.4 vermelde wijze.
Deze uitspraak is vastgesteld door P.J.J. Vonk, H.A.J. Kroon en C. Maas, in tegenwoordigheid van de griffier J. Azmi Shenouda. Bij afwezigheid van de voorzitter is deze hersteluitspraak ondertekend door H.A.J. Kroon.
De griffier, de raadsheer,
J. Azmi Shenouda H.A.J. Kroon
De beslissing is op 24 april 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden.