ECLI:NL:GHDHA:2026:2413text/xmlpublic2026-08-04T17:48:412026-07-22Raad voor de RechtspraaknlGerechtshof Den Haag2026-07-21200.213.191/02UitspraakHoger beroepNLDen HaagCiviel rechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2413text/htmlpublic2026-08-04T17:48:292026-08-04Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:GHDHA:2026:2413 Gerechtshof Den Haag , 21-07-2026 / 200.213.191/02 Dexia / Advisering / Wetenschap / Tussenpersoon / Spaar Select
GERECHTSHOF DEN HAAG Civiel recht
Team Handel Zaaknummer hof : 200.213.191/02
Zaaknummer rechtbank: : 3668394 / CV EXPL 14-6354 Arrest van 21 juli 2026 in de zaak van
[appellante]
wonende in [woonplaats] ,
appellante in het principaal appel,
geïntimeerde in het incidenteel appel,
hierna te noemen: [appellante] ,
advocaat: mr. J.B. Maliepaard, kantoorhoudende in Rotterdam. tegen Dexia Nederland B.V.,
gevestigd in Amsterdam,
geïntimeerde in het principaal appel,
appellante in het incidenteel appel,
hierna te noemen: Dexia,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer, kantoorhoudende in Amsterdam. 1De procedure in eerste aanleg Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar het vonnis van 21 april 2016 van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag. 2De procedure in hoger beroep2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep; de memorie van grieven met producties; de memorie van antwoord tevens akte wijziging eis met producties; de nadere akte van [appellante] met producties; de antwoordakte van Dexia met producties; de akte uitlaten jurisprudentie van [appellante] met producties; de antwoordakte van Dexia met producties. 2.2. Het hof heeft een datum bepaald voor arrest. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De kern van de zaak3.1. Deze zaak gaat over effectenleaseovereenkomsten, tot stand gekomen tussen Dexia en [appellante] via een tussenpersoon, Spaar Select. In hoger beroep is met betrekking tot één overeenkomst aan de orde de vraag of [appellante] is geadviseerd door een tussenpersoon die niet de daarvoor vereiste vergunning had, terwijl Dexia dat wist, dan wel behoorde te weten. Als deze tussenpersoon beleggingsadvies heeft gegeven en Dexia dat wist, dan wel behoorde te weten, heeft Dexia onrechtmatig gehandeld en moet zij de volledige schade die het gevolg is van die overeenkomst aan [appellante] vergoeden. 3.2. Dexia heeft – zakelijk weergegeven – gevorderd dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht verklaart dat Dexia ten aanzien van de met [appellante] gesloten effectenleaseovereenkomsten met de nummers [nummer 1] en [nummer 2] aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [appellante] is verschuldigd. Verder heeft Dexia gevorderd dat de kantonrechter [appellante] veroordeelt in de proceskosten. 3.3. De kantonrechter heeft voor recht verklaard dat Dexia jegens [appellante] aan al haar verplichtingen uit hoofde van de leaseovereenkomsten met nummers [nummer 1] en [nummer 2] heeft voldaan en op grond daarvan niets meer aan [appellante] verschuldigd is. Ook heeft de kantonrechter [appellante] , uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten veroordeeld. 4De beoordeling4.1. Het hof verwijst naar het bestreden vonnis voor de feiten die de kantonrechter heeft vastgesteld onder het kopje ‘Feiten’. Deze feiten zijn niet bestreden, zodat ze ook in hoger beroep het uitgangspunt vormen. 4.2. In hoger beroep heeft [appellante] grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis, en tot alsnog afwijzing van de vordering van Dexia. 4.3. Dexia heeft geconcludeerd tot verwerping van de aangevoerde grieven en tot bekrachtiging van het bestreden vonnis. Tevens heeft Dexia haar eis gewijzigd. Het hof beschouwt de memorie van antwoord van Dexia in zoverre als een incidenteel appel. Dexia heeft deze eiswijzing gemotiveerd met haar reactie op de memorie van grieven en geen afzonderlijke toelichting gegeven. [appellante] heeft op de memorie van antwoord gereageerd bij akte. Hiermee acht, in dit specifieke geval, het hof [appellante] genoegzaam in de gelegenheid geweest te reageren op de eiswijziging. De eiswijziging houdt in dat het hof verklaart voor recht dat Dexia ten aanzien van de tussen haar en [appellante] gesloten overeenkomsten van effectenlease met nummers [nummer 1] en [nummer 2] aan [appellante] niet meer verschuldigd is dan een bedrag ad EUR 3.679,90, althans hetgeen zij onder het Hofmodel aan [appellante] verschuldigd is. [appellante] heeft geen bezwaar gemaakt tegen deze eiswijzing en deze komt het hof niet voor als strijdig met een goede procesorde. Het hof gaat uit van de gewijzigde eis. Verjaring 4.4. Dexia heeft een beroep gedaan op verjaring van de vordering van [appellante] . Dat beroep gaat niet op. De vordering van [appellante] is gebaseerd op een onrechtmatige daad van Dexia. Deze vordering verjaart door verloop van vijf jaren vanaf het moment waarop [appellante] daadwerkelijk bekend is geworden met de schade en de aansprakelijke persoon (artikel 3:310 lid 1 BW). De verjaring kan worden gestuit door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht voorbehoudt (artikel 3:317 lid 1 BW). Of de schriftelijke mededeling voldoet als stuitingshandeling hangt niet alleen af van de inhoud van de mededeling, maar ook van de context waarin deze werd gedaan en de overige omstandigheden van het geval. Anders dan Dexia lijkt te betogen, kan aan een mededeling als bedoeld in artikel 3:317 lid 1 BW niet de eis worden gesteld dat daarin een precieze feitelijke en juridische inkleding wordt gegeven waarop het vorderingsrecht zijn grondslag vindt. 4.5. Gelet op de inhoud van de brief van 15 augustus 2005 (productie 31 bij conclusie van dupliek) en de gestelde inhoud van de overige sommatiebrieven, die door Dexia niet wordt bestreden, en de context waarin deze aan Dexia zijn gestuurd, moet het Dexia duidelijk zijn geweest dat zij rekening moest houden met de mogelijkheid dat de vordering van [appellante] alsnog geldend gemaakt zou worden. Ook moet het Dexia duidelijk zijn geweest tegen welke (toekomstige) vordering van [appellante] zij zich in dat geval zou moeten verweren. In de sommatiebrief van 15 augustus 2005 staat immers welke verwijten [appellante] Dexia maakt ter zake van de effectenleaseovereenkomst, waaronder dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld. De onderhavige vordering van [appellante] is gegrond op artikel 6:162 BW. Het feit dat [appellante] aanvoert dat Dexia een wettelijke plicht heeft geschonden, namelijk artikel 41 NR 1999, betekent niet dat er sprake is van een van de onrechtmatige daad-grondslag te onderscheiden vordering gegrond op artikel 41 NR 1999. Voor het stuiten van de vordering op grond van onrechtmatige daad was het niet nodig dat [appellante] ook expliciet in haar stuitingsberichten vermeldde dat zij Dexia onrechtmatig handelen verweet specifiek (ook) op grond van artikel 41 NR 1999. 4.6. De conclusie is dat [appellante] de verjaring heeft gestuit, zodat het beroep van Dexia op verjaring faalt. Klachtplicht 4.7. Het beroep van Dexia op de klachtplicht faalt. De klachtplicht (artikel 6:89 BW) ziet op prestaties van een schuldenaar die niet aan zijn verbintenis beantwoorden. Artikel 6:89 BW geldt dus niet voor een (daarvan losstaande) vordering uit onrechtmatige daad, waarvan hier sprake is (HR 13 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1176, rov. 3.6). Juridisch kader 4.8. Dexia handelt als aanbieder van een effectenleaseovereenkomst ten opzichte van [appellante] onrechtmatig, indien voorafgaand aan de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst met [appellante] (a) een cliëntenremisier tevens als financieel adviseur is opgetreden zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning, en (b) Dexia hiervan op de hoogte was of behoorde te zijn. Daadwerkelijke (subjectieve) bekendheid van Dexia met de advisering aan [appellante] is dus niet vereist. Vast staat dat bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst met [appellante] Spaar Select als cliëntenremisier is betrokken en dat deze niet beschikte over een vergunning om te adviseren. Het hof moet beoordelen of in dit geval is voldaan aan de hiervoor onder (a) en (b) genoemde vereisten met betrekking tot ‘advisering’ en ‘wetenschap’. Is dat het geval, dan heeft Dexia onrechtmatig gehandeld en is zij schadeplichtig. Verder geldt in dat geval dat een beroep van Dexia op eigen schuld van de afnemer geen succes heeft, omdat de billijkheid in een dergelijk geval in beginsel eist dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. De inhoud van het advies van de cliëntenremisier of een eventueel eigen inzicht van de afnemer in het af te nemen effectenleaseproduct is ook niet meer van belang.
Advisering 4.9. Er is sprake van niet-toegestane advisering, indien een tussenpersoon in het kader van zijn beroep of bedrijf aan een afnemer een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan tot het aangaan van een specifieke effectenleaseovereenkomst of een ander specifiek financieel product. Voor de beoordeling of sprake is van een dergelijke gepersonaliseerde aanbeveling is vereist, maar ook voldoende, dat een effectenleaseproduct is voorgesteld als geschikt voor deze afnemer, of berust op een afweging van de persoonlijke omstandigheden van de afnemer. Voor de beoordeling of de tussenpersoon een aanbeveling heeft gedaan die berust op een afweging van persoonlijke omstandigheden van de afnemer is van belang of de tussenpersoon al dan niet: i) heeft geïnformeerd naar de financiële omstandigheden en financiële doelen van de afnemer; ii) ook andere mogelijke effectenleaseproducten heeft genoemd en besproken dan het uiteindelijk afgenomen product; iii) naast of in samenhang met het afgenomen effectenleaseproduct een ander financieel product heeft geadviseerd. Maar ook als deze omstandigheden in een concreet geval niet worden vastgesteld, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer. Hoewel een zodanige, niet op een afweging van persoonlijke omstandigheden berustende aanprijzing onder omstandigheden mogelijk ook als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd, gaat de tussenpersoon daarmee niettemin de reikwijdte van zijn vrijstelling te buiten. 4.10.
[appellante] heeft een concrete uiteenzetting gegeven van de wijze waarop Spaar Select in dit geval heeft bemiddeld bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst, onder “Advisering door Spaar Select” onder meer in het eerste processtuk van [appellante] in eerste aanleg. De stellingen van [appellante] komen, samengevat, op het volgende neer. [appellante] ging in december 1996 al een effectenleaseovereenkomst (Capital Effect) aan op advies van een medewerker van Spaar Select. Dat advies werd gegeven in het kader van de pensioendoelstelling van [appellante] . Begin juli 1999 heeft Spaar Select ongevraagd contact opgenomen met [appellante] . Spaar Select maakte kenbaar aan [appellante] dat Spaar Select een interessant aanbod had. Vervolgens is een bij naam genoemde medewerker van Spaar Select bij [appellante] thuis geweest voor een adviesgesprek. De medewerker vertelde dat de eerder afgesloten effectenleaseovereenkomst intussen aanzienlijk in waarde was gestegen en adviseerde die overeenkomst te beëindigen en te laten uitkeren. De medewerker adviseerde om het geld daarna gelijk te investeren in een beter effectenleaseproduct (Allround Sparen). De medewerker vertelde dat het pensioen op deze wijze nog beter zou uitpakken dan met de eerder afgesloten overeenkomst. [appellante] heeft op het advies van de medewerker vertrouwd en heeft dit advies opgevolgd. [appellante] heeft de overeenkomst die zij in 1996 aanging beëindigd en is de overeenkomst die de medewerker adviseerde aangegaan, aldus [appellante] . 4.11. Dexia heeft de stellingen over wat feitelijk tussen [appellante] en de betrokken tussenpersoon is voorgevallen betwist. Dexia betoogt dat uit de blote – en overigens ook onjuiste – stellingen van [appellante] en de overgelegde producties niet volgt dat Spaar Select vergunningplichtig advies heeft uitgebracht aan [appellante] . Dexia wijst er daarnaast op dat er rekening mee dient te worden gehouden dat de stellingen van [appellante] sjabloonmatig zijn opgesteld. Dexia meent dat deze omstandigheid een zwaarwegende aanwijzing vormt voor de onjuistheid van de stellingen van [appellante] . Dexia stelt dat het onjuist is dat Spaar Select een vaste werkwijze had, waarbij altijd een gepersonaliseerde aanbeveling werd gegeven. Daarbij wijst Dexia onder meer op een verklaring van de oprichter en toenmalig bestuursvoorzitter van Spaar Select, waaruit volgens Dexia blijkt dat het doen van een gepersonaliseerde aanbeveling voor het jaar 2000 geen deel was van de werkwijze van Spaar Select. Van Dexia kon niet worden verlangd, zo stelt zij, dat zij destijds onderzoek verrichtte naar de werkwijze van de tussenpersoon, laat staan dat zij de rechtsplicht had de resultaten van een dergelijk onderzoek vast te leggen en te bewaren, zodat zij een kwart eeuw later over die gegevens zou kunnen beschikken. Dat zou erop neerkomen dat ruim twee decennia na dato nieuwe regels op Dexia van toepassing worden verklaard die destijds niet golden. Daarvoor is des te minder aanleiding nu Dexia destijds onderworpen was aan zeer gedetailleerde regelgeving waarvan een dergelijke verplichting geen deel uitmaakte. Aldus is sprake van een verplichting die achteraf in het leven wordt geroepen om de afnemer zonder bewijslevering in het gelijk te kunnen stellen. Als een dergelijke verplichting al zou moeten worden aangenomen, had Dexia in ieder geval tot (tegen)bewijslevering moeten worden toegelaten, aldus Dexia. 4.12. Het hof overweegt als volgt. In de vele andere procedures die Dexia over de effectenleaseproblematiek heeft gevoerd, zijn stukken in het geding gebracht waaruit duidelijk is geworden dat Dexia voor de distributie van haar effectenleaseproducten op grote schaal tussenpersonen heeft ingezet. Ook in deze procedure heeft [appellante] deze stukken (deels) overgelegd. Dexia maakte gebruik van tussenpersonen juist omdat die hun cliënten zouden kunnen adviseren een effectenleaseproduct af te nemen. Zij wist, dan wel behoorde te begrijpen, dat de bij haar aangesloten tussenpersonen de afnemers niet slechts in algemene zin over deze producten pleegden te informeren. Zo volgt (onder meer) uit het jaarverslag van (de rechtsvoorgangster van) Dexia over 1997, een artikel uit Het Financieele Dagblad van 22 april 1998, de tekst op de website van Dexia op 11 mei 2000 en een interview met de directeur beleggingsproducten van Dexia in het blad ‘Het effect van Spaar Select’ uit 2000 dat Dexia bewust gebruikmaakte van tussenpersonen als afzetkanaal, juist omdat zij belangstellenden van een persoonlijk advies konden voorzien. 4.13. Door deze bedrijfsmatige opzet waarmee effectenleaseproducten door tussenpersonen werden verkocht, heeft Dexia gefaciliteerd en bevorderd dat tussenpersonen (die doorgaans op commissiebasis werkten) een specifiek op de persoon toegesneden advies gaven aan (potentiële) afnemers, terwijl het juist op de weg van Dexia had gelegen na te gaan wat de aard van de betrokkenheid van de tussenpersoon was en of er al dan niet sprake was van (verboden) vergunningplichtige advisering door de tussenpersoon. Dexia voert aan dat op haar geen ‘rechtsplicht’ rust om de werkwijze van de tussenpersoon te controleren. Echter, dat neemt niet weg dat het Dexia niet was toegestaan om een effectenleaseovereenkomst te sluiten als de tussenpersoon beleggingsadvies had gegeven zonder over een vergunning te beschikken. Dexia had niet haar ogen mogen sluiten voor het feit dat tussenpersonen afnemers slechts zelden in algemene zin pleegden te informeren over effectenleaseproducten. Het betreft hier een eigen verantwoordelijkheid van Dexia. Zij heeft niet erop mogen vertrouwen dat de Stichting Toezicht Effectenverkeer (STE; nu AFM) erop zou toezien dat de tussenpersonen niet in strijd met de wet handelden. Dat Dexia de stellingen van [appellante] inmiddels slechts bij gebrek aan wetenschap kan betwisten, is dan ook het gevolg van haar eigen nalatigheid en komt daarom voor haar rekening en risico. In de verhouding met [appellante] komt ook voor haar risico dat zij – naar eigen zeggen – pas sinds het arrest van de Hoge Raad van 2 september 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2012) wist dat de inhoud van de contacten tussen de afnemer en de tussenpersoon van doorslaggevende betekenis zouden zijn. 4.14. Naar het oordeel van het hof moet de door [appellante] geschetste betrokkenheid van de tussenpersoon bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst, worden gekwalificeerd als vergunningplichtige advisering. Uit de stellingen van [appellante] volgt namelijk dat (i) de tussenpersoon met [appellante] heeft gesproken over de eerder afgesloten overeenkomst en het feit dat zij met de opbrengst daaruit een nieuwe overeenkomst kon afsluiten, (ii) [appellante] het financiële doel aan de tussenpersoon bekend heeft gemaakt, (iii) de tussenpersoon vervolgens een specifiek effectenleaseproduct van een specifieke aanbieder heeft geadviseerd. Deze stellingen volstaan in ieder geval voor de conclusie dat de tussenpersoon de effectenleaseproducten aan [appellante] heeft voorgesteld als geschikt voor [appellante] , en dat op die grond sprake is van een gepersonaliseerde aanbeveling. Naar het oordeel van het hof bieden de door [appellante] overgelegde producties voldoende aanknopingspunten voor haar standpunt dat Spaar Select met [appellante] de aanschaf van het effectenleaseproduct heeft besproken. Mede gelet op het feit dat tussenpersonen veelvuldig bij potentiële afnemers op huisbezoek gingen en daarbij een specifiek op de persoon toegesneden advies gaven aan potentiële afnemers, waarbij het gesprek volgens een min of meer vast patroon verliep, heeft [appellante] de stelling dat er is geadviseerd, hiermee voldoende gemotiveerd onderbouwd. 4.15. Dexia heeft de door [appellante] geschetste gang van zaken niet voldoende gemotiveerd betwist. Het hof zal haar daarom niet toelaten tot het leveren van tegenbewijs. Dexia heeft immers onvoldoende aanknopingspunten verschaft om te kunnen concluderen dat de stellingen van [appellante] over de gang van zaken niet (in grote lijnen) stroken met de werkelijkheid. 4.16. De stellingen die Dexia voor het overige heeft ingenomen, gaan uit van een onjuist (achterhaald) adviesbegrip. Het hof gaat uit van het begrip ‘advies’ zoals omschreven door de Hoge Raad in zijn prejudiciële beslissing. 4.17. Uit het voorgaande volgt dat het ervoor moet worden gehouden dat Spaar Select vergunningplichtig advies heeft gegeven aan [appellante] in de zin van de prejudiciële beslissing. Wetenschap Dexia 4.18. Ter zake van de wetenschap van Dexia heeft [appellante] gesteld dat Dexia een bedrijfsmatige werkwijze had voor de verkoop van effectenleaseproducten, waarvan onderdeel was dat door de tussenpersonen die effectenleaseproducten voor haar verkochten financieel advies werd gegeven gericht op de aanschaf van een effectenleaseproduct van Dexia. Volgens [appellante] was Dexia op de hoogte van de werkwijze van de door haar ingeschakelde tussenpersonen. Zij wist dat deze tussenpersonen standaard, althans op grote schaal, beleggingsadvies gaven aan de cliënten die zij als cliëntenremisier vervolgens bij Dexia aanbrachten als afnemers van effectenleaseproducten. [appellante] is dan ook van mening dat Dexia bekend heeft moeten zijn met de advisering aan [appellante] . 4.19. Het hof overweegt als volgt. Uit de door [appellante] en Dexia overgelegde producties, die deels ook in vele andere procedures zijn overgelegd, volgt dat Dexia haar producten aanbood via tussenpersonen. Dexia heeft deze tussenpersonen destijds zelf omschreven als onafhankelijke, gespecialiseerde adviseurs met kwaliteit en kennis van zaken, zodat een met zorg omkleed persoonlijk advies gegarandeerd was. Dat terwijl zij deze tussenpersonen aan zich had gebonden als cliëntenremisier (op commissiebasis) en wist of moest weten dat deze tussenpersonen niet beschikten over een vergunning om te adviseren. Uit de overgelegde producties blijkt ook dat het voor Dexia kenbaar was dat deze tussenpersoon zich voorafgaand aan de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst tegenover [appellante] als adviseur had gepresenteerd. Gezien deze gang van zaken had Dexia behoren te waarborgen dat Spaar Select aan de eisen van artikel 41 NR 1999 voldeed. Dexia heeft onvoldoende feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit volgt dat zij ook bij nader onderzoek niet had kunnen weten dat de tussenpersoon vergunningplichtig advies had gegeven. Tegen deze achtergrond had het op de weg van Dexia gelegen nader te onderbouwen waarom zij in dit concrete geval niet wist en ook niet kon weten dat [appellante] door Spaar Select werd geadviseerd. Kortom, er is voldaan aan het vereiste dat Dexia wist of behoorde te weten dat Spaar Select [appellante] advies heeft gegeven. 4.20. Het hof gaat voorbij aan het bewijsaanbod van Dexia, omdat zij de hiervoor geschetste gang van zaken met betrekking tot haar ‘wetenschap’ onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Bovendien heeft Dexia onvoldoende concrete feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden. Tussenconclusie 4.21. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat grief 2 slaagt. Dexia heeft onrechtmatig gehandeld en moet de schade van [appellante] volledig vergoeden. 4.22.
[appellante] voert met grief 1 aan dat Dexia geen belang heeft bij een verklaring voor recht met betrekking tot de overeenkomst met nummer [nummer 1] , die [appellante] met een batig saldo afsloot. Het hof is van oordeel dat Dexia er in beginsel belang bij heeft om zekerheid te verkrijgen rondom de effectenleaseovereenkomsten die zij met afnemers heeft afgesloten, zo ook bij deze overeenkomst. Het feit dat deze overeenkomst met een batig saldo eindigde, doet daar niet aan af. Omdat [appellante] stelt voor deze overeenkomst geen vordering op Dexia te hebben, zal het hof voor recht verklaren dat Dexia met betrekking tot die overeenkomst aan al haar verplichtingen heeft voldaan. 4.23. De door [appellante] geleden schade kunnen partijen inmiddels berekenen. De voor vergoeding in aanmerking komende schade bestaat uit de door [appellante] betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen minus (dividend)uitkeringen) en het niet vergoede gedeelte van de eventueel betaalde (fictieve) restschuld. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met te verrekenen genoten voordelen, waaronder fiscale voordelen en in aanmerking te nemen batig saldo uit vorige overeenkomsten (HR 3 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:164, rov. 3.6.8). De berekening kan worden gebaseerd op het door Dexia bij memorie van antwoord overgelegde financiële overzicht. Ook dient een eventueel eerder betaalde schadevergoeding in aanmerking te worden genomen. De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag vanaf elk moment waarop schade wordt geleden. Het voorgaande betekent voor de onderhavige inleg, bestaande uit termijnbetalingen en eventuele aflossingen, dat de wettelijke rente over elk betaald gedeelte van de inleg verschuldigd wordt vanaf de dag van betaling van het desbetreffende gedeelte (HR 1 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1198). Daarbij geldt dat er geen voordeelstoerekening plaatsvindt op de ten tijde van de schadebegroting reeds verschenen wettelijke rente omdat een aanspraak op wettelijke rente over nadeel dat bij de voordeelstoerekening tegen voordelen wegvalt, moet worden geacht niet te zijn ontstaan. Slechts over het nadeel dat na voormelde wijze van voordeelstoerekening resteert, kan wettelijke rente in aanmerking worden genomen (HR 3 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:164, rov. 3.6.3). Indien in het verleden een uitbetaling op grond van het Hofmodel heeft plaatsgevonden, dient Dexia nog 1/3 deel van de restschuld te voldoen. Dit bedrag moet worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling van dat deel van de restschuld door [appellante] aan Dexia tot de voldoening door Dexia. 4.24. Grief 3 is gedeeltelijk gegrond: dit vloeit voort uit het hiervoor overwogene. Ook vloeit hieruit voort dat de gewijzigde eis van Dexia niet toewijsbaar is: zij moet meer schade vergoeden dan zij in haar gewijzigde eis in aanmerking neemt. Slotsom en proceskosten 4.25. Uit het voorgaande volgt dat de tweede grief van [appellante] slaagt voor zover deze betrekking heeft op de overeenkomst met nummer [nummer 2] . Wat verder nog is aangevoerd door partijen, kan niet tot een andere beslissing leiden. De grieven 4 en 5 hoeven geen behandeling. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd. Ten behoeve van de leesbaarheid zal het hof het dictum van het bestreden vonnis in zijn geheel vernietigen en een geheel nieuw dictum formuleren. 4.26. Dexia is aan te merken als de meest in het ongelijk gestelde partij. [appellante] is daarom ten onrechte in de proceskosten veroordeeld. Dexia dient ook in hoger beroep te worden veroordeeld in de proceskosten. Gelet op de in hoge mate gestandaardiseerde processtukken in deze procedure, zal het hof voor het bepalen van het salaris van de advocaat aansluiten bij appeltarief II. Omdat het incidenteel appel alleen een eisvermindering omvat zal hiervoor geen afzonderlijke proceskostenveroordeling worden uitgesproken. 5De uitspraak Het hof: 5.1. vernietigt het bestreden vonnis, en opnieuw rechtdoende: 5.2. verklaart voor recht dat Dexia aan al haar verplichtingen met betrekking tot de overeenkomst met nummer [nummer 2] heeft voldaan nadat zij alle schade die [appellante] uit hoofde van de overeenkomst heeft geleden, heeft vergoed conform rechtsoverweging 4.23; 5.3. verklaart voor recht dat Dexia aan al haar verplichtingen met betrekking tot de overeenkomst met nummer [nummer 1] heeft voldaan; 5.4. veroordeelt Dexia in de proceskosten in eerste aanleg, en begroot die kosten aan de zijde van [appellante] op € 150,00; 5.5. veroordeelt Dexia in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [appellante] op € 373,00 aan griffierecht, op € 94,08 aan explootkosten, op € 2.580,00 (2 punten × appeltarief II) voor salaris advocaat, en op € 189,00 voor nakosten. Als Dexia niet binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, worden de proceskosten vermeerderd met € 98,00 en de kosten van betekening; 5.6. verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad. Dit arrest is gewezen door mrs. C.J. Verduyn, M.C.M. van Dijk en J.W. Frieling, en is in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026 in aanwezigheid van de griffier. HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:274. HR 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935. HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862 (hierna: de prejudiciële beslissing).