Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:GHDHA:2026:890

Wet IB. eigenbouwer. Artikel 6:6 Awb bevat een discretionaire bevoegdheid om een beroep niet-ontvankelijk te verklaren. Beroep terecht ontvankelijk verklaard. De Rechtbank heeft terecht de ontvankelijkheid van het bezwaar beoordeeld en zij heeft terecht geoordeeld dat het bezwaar tijdig is ingediend en dus ontvankelijk is. Artikel 24b UBOB. Eigenbouwer. De Inspecteur heeft aannemelijk gemaakt d...

Gerechtshof Den Haag 27 May 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:GHDHA:2026:890 text/xml public 2026-05-27T17:38:59 2026-04-21 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Den Haag 2026-03-25 BK-25/22 en BK-25/23 Uitspraak Hoger beroep NL Den Haag Bestuursrecht; Belastingrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2024:22384, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:890 text/html public 2026-04-30T16:14:18 2026-05-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHDHA:2026:890 Gerechtshof Den Haag , 25-03-2026 / BK-25/22 en BK-25/23
Wet IB. eigenbouwer. Artikel 6:6 Awb bevat een discretionaire bevoegdheid om een beroep niet-ontvankelijk te verklaren. Beroep terecht ontvankelijk verklaard.

De Rechtbank heeft terecht de ontvankelijkheid van het bezwaar beoordeeld en zij heeft terecht geoordeeld dat het bezwaar tijdig is ingediend en dus ontvankelijk is.

Artikel 24b UBOB. Eigenbouwer. De Inspecteur heeft aannemelijk gemaakt dat de algehele leiding met betrekking tot de renovaties aan woningen bij belanghebbende berust.

Artikel 2 lid 3 Besluit proceskosten bestuursrecht. De Rechtbank heeft voldoende gemotiveerd waarom zij is afgeweken van de forfaitaire proceskostenvergoeding.

Voor de bezwaarfase heeft de Rechtbank terecht een proceskostenvergoeding toegekend.
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-25/22 en BK-25/23
Uitspraak van 25 maart 2026
in het geding tussen:
[X] , belanghebbende,
(gemachtigde: H. Weisfelt)

en
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 10 december 2024, nummers SGR 22/8184 en SGR 22/8185.
Procesverloop 1.1.1.
Aan belanghebbende is over het jaar 2015 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd van € 4.107 (naheffingsaanslag I). Bij gelijktijdig gegeven beschikkingen is € 759 aan belastingrente in rekening gebracht en is een boete van € 882 opgelegd.
1.1.2.
Aan belanghebbende is over de periode 1 januari 2016 tot en met 31 december 2018 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd van € 12.367 (naheffingsaanslag II). Bij gelijktijdig gegeven beschikkingen is € 1.976 aan belastingrente in rekening gebracht en is een boete van € 2.421 opgelegd.
1.2.
Bij uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de boetebeschikking bij naheffingsaanslag I verminderd. Het bezwaar tegen naheffingsaanslag II heeft de Inspecteur niet-ontvankelijk verklaard en aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering. Vervolgens heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag II en de daarbij behorende boetebeschikking verminderd.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 365. Het oordeel van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

verklaart de beroepen gegrond;

vernietigt de uitspraken op bezwaar;

vermindert naheffingsaanslag I tot € 955 aan omzetbelasting, met dienovereenkomstige vermindering van de belastingrente, en vermindert boete I tot € 94;

vermindert naheffingsaanslag II tot € 4.464 aan omzetbelasting, met dienovereenkomstige vermindering van de belastingrente, en vermindert boete II tot € 466;

bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;

veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.500;

veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 500;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot het bedrag van € 2.998;

draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 365 aan eiser te vergoeden.”
1.4.
De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 29 januari 2026. Partijen zijn verschenen. Partijen hebben een pleitnota overgelegd. Gelijktijdig met de behandeling van de onderhavige zaken zijn ter zitting ook de zaken met de nummers BK-25/18 en BK-25/19 en de zaken met nummers BK-25/22 en BK-25/23 behandeld. Al hetgeen in de ene zaak wordt aangevoerd, wordt geacht te zijn aangevoerd in de andere zaken, tenzij het specifiek op de desbetreffende zaak betrekking heeft. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten 2.1.
[A] en [B] investeren gezamenlijk, in hun eigen namen, in onroerende zaken. Bij brief van 3 november 2020 heeft de Inspecteur laten

weten dit samenwerkingsverband aan te merken als belastingplichtige voor de

omzetbelasting.
2.2.
[A] is enig aandeelhouder van [B.V. 1] en [B] is enig aandeelhouder van [B.V. 2] .

[B.V. 1] en [B.V. 2] zijn ieder voor de helft de aandeelhouders van [B.V. 3] . De onderneming van [B.V. 3] bestaat uit de aankoop, renovatie en verkoop van woningen.

[B.V. 1] en [B.V. 2] zijn ook, ieder voor een derde, aandeelhouder in [B.V. 4] . De derde aandeelhouder van [B.V. 4] is [B.V. 5] . Enig aandeelhouder van [B.V. 5] is [C] (broer van [B] ). [B.V. 5] is actief op het gebied van bouwbegeleiding.

Voorts zijn [B.V. 1] en [B.V. 2] , ieder voor de helft, de aandeelhouders van [B.V. 6] . Deze vennootschap drijft een groothandel in bouwmaterialen.
2.3.
Belanghebbende heeft in de loop van de jaren 2012 tot en met 2017 ruim 50 onroerende zaken verworven. Overwegend waren dat woningen in gedateerde staat, die na aankoop werden gerenoveerd en vervolgens door belanghebbende werden verhuurd. In enkele gevallen werden woningen na renovatie niet verhuurd maar doorverkocht. De woningen werden overwegend van derden verworven en een aantal keren van [B.V. 3] . Daarbij ging het om woningen die [B.V. 3] niet goed verkocht kreeg of waar anderszins iets mee aan de hand was. Daarnaast bezit belanghebbende enige garages die zij verhuurt.
2.4.
Bij de renovaties gaat belanghebbende steeds op dezelfde wijze te werk als [B.V. 3] en [B.V. 4] . Zij schakelt daarvoor dezelfde vaste architect en aannemer in, maakt eveneens gebruik van de diensten van [B.V. 5] en laat de woningen opknappen in dezelfde stijl, met gebruikmaking van dezelfde van [B.V. 6] betrokken standaardmaterialen als [B.V. 3] en [B.V. 4] dat doen.
2.5.
Belanghebbende had in de onderhavige perioden [B.V. 7] ingeschakeld. [B.V. 7] is ontbonden met achterlating van aanzienlijke omzetbelastingschulden.
2.6.1.
Op 17 december 2018 heeft de Inspecteur een boekenonderzoek bij [A] en [B] aangekondigd. Het is afgerond met een controlerapport van 20 juli 2021. In dit rapport heeft de Inspecteur het standpunt ingenomen dat belanghebbende op grond van artikel 12, lid 5, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB) in samenhang met artikel 24b van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 (UBOB) met een aannemer moet worden gelijkgesteld – dat hij een zogenaamde ‘eigenbouwer’ is – en daarom de verleggingsregeling van toepassing is op de diensten van de aannemer aan belanghebbende. Voorts heeft hij de verhuur van de garages op de voet van artikel 7, lid 2, onderdeel b, Wet OB als belaste prestatie aangemerkt.

In het verlengde daarvan heeft de Inspecteur naheffingsaanslagen aangekondigd. Bij de berekening daarvan heeft hij de omzetbelasting die [B.V. 7] (wel) heeft voldaan, toegerekend en in mindering gebracht op de bedragen aan verlegde omzetbelasting die belanghebbende als eigenbouwer had moeten verantwoorden.

Voorts heeft de Inspecteur vergrijpboetes aangekondigd, met de motivering dat belanghebbende grofschuldig nalatig is geweest door niet te onderkennen eigenbouwer te zijn, alsmede verzuimboetes ter zake van de verhuur van de garages.
2.6.2.
Het controlerapport vermeldt onder meer:
“4.1.3 Beoordeling eigenbouwerschap en toepassing van de verleggingsregeling
<nr>4</nr>1.3.1 Bedrijfsactiviteiten (projectontwikkeling)
Door belanghebbenden worden gedateerde woningen met onder andere achterstallig onderhoud gekocht, volledig gerenoveerd/verbouwd voor eigen rekening en uiteindelijk in de verhuur (en incidenteel verkoop) op de woningmarkt aangeboden. Verder is in een aantal gevallen op projectmatige wijze een object ontwikkeld: aankoop van het registergoed, inwendig volledig gesloopt, bouwkundig gesplitst in verschillende appartementen en verbouwd en op de woningmarkt aangeboden in de verkoop of aangeboden voor de verhuur. Voorts hebben belanghebbenden appartementen ontwikkeld/gebouwd op de panden [adres 1] en [adres 2] en twee garages gebouwd. Ook komt het voor dat vóór de aanvang van de verbouwing al een koper is gevonden en dat in gezamenlijk overleg de verbouwing door middel van nadere afspraken wordt uitgevoerd. Hierbij wordt dan gerefereerd aan 'door [B.V. 3] gehanteerde opleveringsniveau' en aan referentieobjecten welke al door [B.V. 3] zijn verbouwd/gerenoveerd. Voor een nadere omschrijving van werkzaamheden bij de verbouwingen wordt verwezen naar de hoofdstuk 3 waarin een aantal projecten en de betrokkenheid van de belanghebbenden bij deze projecten uitgebreid is beschreven. Ten behoeve van deze werkzaamheden zijn door belanghebbenden aannemers ingehuurd om deze werkzaamheden van stoffelijke aard te verrichten. Uit de bovengenoemde omstandigheden en activiteiten van het samenwerkingsverband volgt het eigenbouwerschap en dit heeft tot gevolg dat de (onder)aannemers de verleggingsregeling moeten toepassen. De eerder genoemde uitzonderingen op de verleggingsregeling doen zich bij het samenwerkingsverband niet voor.
<nr>4</nr>1.3.2 Geen opdracht van een opdrachtgever
(…)

De opdrachtgever wordt door belanghebbenden gevonden tijdens het uitvoeren van het werk of na de voltooiing van het werk. Het komt ook voor dat al een afnemer/opdrachtgever wordt gevonden voordat de verbouwing plaatsvindt. In dat geval kan het samenwerkingsverband als aannemer aangemerkt worden. Ook dan geldt verplicht de verleggingsregeling. Er worden dan immers overeenkomsten met klanten gesloten waarbij met de kopende partij al afspraken worden gemaakt op welke wijze de verbouwingen worden uitgevoerd en wat de verbouwing inhoudt, waaronder de uitvoering keuken, badkamer et cetera.
<nr>4</nr>1.3.3 Het werk behoort tot de normale bedrijfsuitoefening
(…)

De algehele leiding over de werkzaamheden berust in dit geval bij het samenwerkingsverband. Van belang daarbij is dat het samenwerkingsverband zo'n 65 en [B.V. 3] vanaf 2008 tot 2017 circa 200 panden op deze manier hebben verbouwd en gerenoveerd. Het samenwerkingsverband en in het verlengde daarvan [B.V. 3] hebben derhalve meer kennis dan een 'normale' opdrachtgever. Weliswaar wordt ook bouwbegeleiding ingehuurd van de heer [C] via [B.V. 5] h.o.d.n. [Adviesbureau] , maar het veronderstelde aantal uren dat de heer [C] aan de bouwprojecten van het samenwerkingsverband en [B.V. 3] heeft besteed, maakt niet dat er sprake is van algehele leiding door derden. Voor wat betreft het aantal veronderstelde uren merken wij op dat de bouwbegeleider vermoedelijk beperkt is ingezet wanneer de grootboekrekeningen en bankafschriften worden afgespeurd. Voor wat betreft inzet van de heer [C] dan wel zijn vennootschap zijn in 2014 geen afschrijvingen te bespeuren. In 2015 bedraagt dit € 3.050 en € 2.796. Alleen in 2017 is een substantieel bedrag van € 22.543 ontvangen. Belanghebbenden hebben verklaard dat de heer [C] circa € 500 per project ontvangt en meer voor de grotere projecten. Op de rekeningafschriften zien wij een enkele keer € 508, wat aansluit bij de

verklaring van belanghebbenden. Wij vragen ons echter af hoeveel werk belanghebbenden

daadwerkelijk uit handen is genomen. Het bedrag is inclusief omzetbelasting waardoor het een zeer geringe vergoeding betreft. Bij het becommentariëren van het conceptrapport hebben belanghebbenden aangegeven dat de inzet van [C] zeer intensief is. Gelet op hetgeen is vastgelegd en is af te leiden uit de administratie achten wij intensieve inzet zeer onwaarschijnlijk.

Blijkens ons ten dienste staande gegevens die volgen uit het inleidend gesprek bij gelieerde

vennootschap [B.V. 3] heeft de heer [A] verklaard dat hij prijsafspraken maakte met de heer [D] , bestuurder van [Ltd. 1] en medewerker van [B.V. 7] (onderaannemers van het samenwerkingsverband in 2014 tot en met 2016). Dit is tevens gebleken uit het e-mailverkeer tussen [B.V. 7] (onderaannemer in 2015 en 2016) en [B.V. 3] waarbij naar voren komt dat de rol bij prijsafspraken direct maar ook indirect bij belanghebbenden als DGA's ligt. Tevens is gebleken dat belanghebbenden actief betrokken zijn bij de verbouwingen ten behoeve van de verhuur. Zo bespreekt de heer [B] en/of [A] met de architecten en bouwkundigen hoe hij de verbouwing ziet, wat zij precies met het pand willen en of hun ideeën met betrekking tot de verbouwing/splitsing mogelijk zijn. Met de (potentiële) kopers worden voornamelijk door de heer [B] en/of [A] afspraken gemaakt over hoe het pand verbouwd wordt en of de wensen van de klant mogelijk zijn.

Bij specifieke bouwkundige vragen wordt de koper in bepaalde gevallen naar de heer [C] verwezen. Echter, de bemoeienis van de heer [C] lijken ons zoals eerder beschreven niet heel intensief, gezien de vergoedingen voor zijn werkzaamheden die hij van het samenwerkingsverband ontvangt. De heer [C] dient met de belanghebbenden te overleggen. Nergens is uit gebleken dat hij zelfstandig (zonder toestemming van de

belanghebbenden) beslissingen mag nemen. Tijdens een bespreking op 3 maart 2021 hebben

belanghebbenden erkend dat presterende partijen graag een handtekening zien van de

opdrachtgevers. Wij nemen aan dat het toezicht op het verloop van de verbouwingen mede door de belanghebbenden wordt verricht.

Van belang is voorts dat belanghebbenden al dan niet via [B.V. 3] zich sinds 2008 met deze activiteiten bezighouden en dat de heer [B] in het verleden een

controllersfunctie bij een bouwbedrijf heeft bekleed. Naast de algemene kennis op het gebied van aankoop, verbouwing en verkoop, beschikt de heer [B] ook over technische kennis. De technische kennis van de heer [B] blijkt onder meer uit zijn werkervaring, de taakverdeling van de werkzaamheden en de aard van zijn werkzaamheden en hetgeen de heer [A] over de heer [B] zegt op de website van [B.V. 3] : "Hij is de technische man van ons tweeën. Vrijwel zijn gehele familie zit in de aannemerij. Hij is opgegroeid tussen architecten, ingenieurs en uitvoerders. [B] is theoretisch uitstekend onderlegd en door zijn praktijkervaring heeft hij een groot technisch inzicht. Hij kan een pand beoordelen op zijn huidige staat en de bouwkundige mogelijkheden. [B.V. 3] is zijn vermogen om overzicht te bewaren bij complexe projecten." Daarnaast blijkt de technische kennis van de heer [B] onder meer uit een door hem opgestelde zeer uitgebreide offerte in februari 2014 namens [B.V. 4] van een verbouwing van het pand [adres 3] te [woonplaats] voor een bedrag van ruim € 190.000. De offerte begint met: "Beste […] en […] , In aansluiting op onze diverse besprekingen en gedane opname ter plaatse bevestigen wij de volgende werkzaamheden in uitvoering te zullen nemen en wel (...)".

Wat volgt zijn zeven pagina's met beschrijvingen van werkzaamheden. Vervolgens wordt

afgesloten met "Vertrouwende u hiermee een passende aanbieding te hebben gedaan, Met

vriendelijke groet, [B] / [B.V. 4] ".

Gezien de jarenlange ervaring met betrekking tot dit soort objecten en het gezamenlijke optreden voor [B.V. 3] en het samenwerkingsverband moet de organisatorische en technische kennis ook bij de heer [A] aanwezig zijn. Dit blijkt onder meer uit de intensieve bemoeienis tijdens de ontwikkeling van projecten en de contacten met architecten, het offreren en het maken van afspraken met kopers. Daarnaast blijkt de organisatorische en technische kennis van de heer [A] onder meer uit zijn werkervaring, de taakverdeling van de werkzaamheden en de aard van zijn werkzaamheden.

Het voornoemde volgt met name uit het bij [B.V. 3] uitgevoerde onderzoek. Gelet op vermenging van eenzelfde netwerk en de aanwezige kennis veronderstellen wij dat de situatie van belanghebbenden nooit veel kan afwijken van de situatie bij [B.V. 3] In de navolgende alinea wordt aan het voornoemde nadere invulling gegeven.

Belanghebbenden hebben hun projecten doorgaans mede laten financieren. Uit de taxatierapporten die ten behoeve hiervan zijn opgestelde blijkt meer dan incidenteel dat belanghebbenden hun te maken kosten aanzienlijk lager inschatten dan de taxateur. De reden die zij hiervoor hebben aangevoerd is dat zij de verbouwing deels in eigen beheer laten uitvoeren. Als voorbeeld citeren wij uit het taxatierapport van de [adres 4] : "Kosten volgens opgave toekomstige eigenaren circa € 30. 000, waarbij de werkzaamheden deels in eigen beheer en deels door derden, doch vaste relaties, worden uitgevoerd, waardoor het als reële schatting van de kosten wordt aangemerkt. Indien de werkzaamheden geheel door derden worden uitgevoerd, in opdracht van een particulier, worden de kosten geschat op € 45.000” Wij nemen gelet op het voornoemde aan dat belanghebbenden zich inhoudelijk bemoeien met de projecten. Verder merken wij op dat uit het gros van de taxatierapporten die zijn opgemaakt voorafgaand aan de verbouwing blijkt dat werkzaamheden deels in eigen beheer worden uitgevoerd. Het heeft er dus alle schijn van dat de feitelijk leiding bij belanghebbenden berust.

Op basis van de opgedane ervaringen met [B.V. 3] zagen de heren [B] en

[A] kennelijk een markt voor soortgelijke activiteiten door middel van een aannemingsbedrijf dan wel ontstond er vraag van de particuliere woningbezitter om soortgelijke verbouwingen/renovaties in opdracht te verrichten. Dit heeft geresulteerd in de oprichting van het aannemingsbedrijf [B.V. 4] op […] 2012. Sinds de oprichting van [B.V. 4] in 2012 zijn er tot 2017 ongeveer 60 woningen ingrijpend verbouwd of gerenoveerd.

De kennis, kunde en vakmanschap en ondernemingszin van beide aandeelhouders in de burgerlijke (ver)bouw blijkt ook uit het feit dat zij gezamenlijk het volledige kapitaalbelang in [B.V. 6] bezitten. Via deze vennootschap worden allerlei bouwmaterialen ingekocht, al dan niet door middel van import. Niet onaannemelijk zijn de voordelen die komen kijken bij grootschalige inkoop. De bouwmaterialen worden geleverd aan het samenwerkingsverband, [B.V. 3] en [B.V. 4] ten behoeve van de uit te voeren projecten, maar ook aan niet-gelieerde bouwbedrijven. Het betreft dan bijvoorbeeld de levering van vloerdelen, badkameruitrusting (o.a. doucheschermen, wand- en vloertegels), deuren, deurbeslag, hang- en sluitwerk. In koopovereenkomsten bij verbouwingsstelposten voor vloeren, sanitair, tegels en deurbeslag wordt regelmatig verwezen naar de 'collectie [B.V. 3] '. Hiermee wordt dan bedoeld de via [B.V. 6] te verwerken materialen. Op het bedrijfsadres van de ondernemingen aan de [adres 5] te [woonplaats] zijn op de benedenverdieping diverse door [B.V. 6] te leveren artikelen uitgestald in de showroom.

Uit dit alles blijkt dat de eigen technische en/of organisatorische kennis bij het belanghebbenden en [B.V. 3] aanwezig is en een veel grotere rol speelt dan bij een 'normale' opdrachtgever. Daarmee ligt de algehele leiding en verantwoordelijkheid van de uitgevoerde projecten bij belanghebbenden en [B.V. 3] en daarmee dus niet bij derden.”
2.7.1.
Met dagtekening van 30 november 2020 heeft de Inspecteur over de periode 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015 naheffingsaanslag I ten bedrage van € 4.107 opgelegd. Daarvan ziet € 3.152 op toepassing van de verleggingsregeling en € 955 op de verhuur van garages. Bij de aanslag is belastingrente in rekening gebracht en is boete I ten bedrage van € 882 opgelegd. Dat bedrag bestaat voor € 788 uit een vergrijpboete en voor € 94 uit een verzuimboete.
2.7.2.
Met dagtekening van 28 augustus 2021 heeft de Inspecteur over de periode 1 januari 2016 tot en met 31 december 2018 naheffingsaanslag II ten bedrage van € 12.367 opgelegd. Daarvan ziet € 7.903 op toepassing van de verleggingsregeling en € 4.464 op de verhuur van garages. Bij de aanslag is belastingrente in rekening gebracht en is boete II ten bedrag van € 2.421 opgelegd. Dat bedrag bestaat voor € 1.975 uit een vergrijpboete en voor € 446 uit een verzuimboete.
2.8.
In de uitspraak op bezwaar van 25 november 2022 heeft de Inspecteur naheffingsaanslag I in stand gelaten en boete I wegens overschrijding van de redelijke termijn met 20% verminderd tot € 705 (vergrijpboete € 630 en verzuimboete € 75).

Bij uitspraak van eveneens 25 november 2022 heeft de Inspecteur het bezwaar van belanghebbende tegen naheffingsaanslag II en boete II niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. Wel is daarbij boete II wegens overschrijding van de redelijke termijn verminderd tot € 1.937 (vergrijpboete € 1.580 en verzuimboete € 60).
2.9.1.
Bij brief van 19 december 2022, ontvangen door de Rechtbank op 20 december 2022, heeft belanghebbende beroep ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar.
2.9.2.
De Rechtbank heeft bij brief van 22 december 2022 belanghebbende gelegenheid gegeven de gronden binnen vier weken aan te vullen.
2.9.3.
Bij brief van 23 januari 2023, ontvangen door de Rechtbank op dezelfde datum, heeft belanghebbende de gronden van het beroep kort weergegeven en verzocht om de termijn voor het aanvoeren van nadere gronden met acht weken te verlengen.
2.9.4.
Naar aanleiding van voormeld verzoek heeft de Rechtbank bij brief van 30 januari 2023 belanghebbende gelegenheid gegeven de gronden binnen acht weken aan te vullen.
2.9.5.
Bij brief van 24 maart 2023, ontvangen door de Rechtbank op dezelfde datum, heeft belanghebbende de gronden aangevuld.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft overwogen en geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

Ontvankelijkheid

12. Eiser heeft met dagtekening van 19 december 2022 pro-forma beroepschriften tegen de uitspraken op bezwaar van 25 november 2022 ingediend, die door de rechtbank zijn ontvangen op 20 december 2022. Bij brief van 22 december 2022 heeft de rechtbank eiser verzocht haar beroepen uiterlijk binnen vier weken van de gronden te voorzien, mitsdien voor 20 januari 2023. Dat heeft eiser gedaan bij brief van 23 januari 2024, door de rechtbank ontvangen op 24 januari 2024.

13. Op grond van artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een beroep niet-ontvankelijk worden verklaard indien het niet de gronden bevat, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het binnen een door de rechtbank gestelde termijn te motiveren. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de beroepen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard om de reden dat eiser de gronden enige dagen na het einde van de daarvoor gestelde termijn heeft ingediend.

14. De rechtbank ziet in die overschrijding van de door haar gestelde termijn geen aanleiding de beroepen niet-ontvankelijkheid te verklaren.

Beoordeling van het geschil

In de zaak SGR 22/8185: ontvankelijkheid bezwaar

15. Bij de gecombineerde hoorzitting van 17 januari 2022 inzake de bezwaren van [B.V. 3] , [B.V. 4] en dat van eiser tegen naheffingsaanslag I heeft eiser naar voren gebracht dat hij bij die bijeenkomst voor het eerst vernam dat nog een tweede naheffingsaanslag was opgelegd. Nadat verweerder bij e-mail van 1 februari 2022 duplicaat van naheffingsaanslag II aan eiser had toegezonden, heeft eiser daar bij brief van dezelfde dag bezwaar tegen gemaakt.

16. Verweerder acht het bezwaar niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding. Eiser stelt zich op het standpunt dat naheffingsaanslag II eerst is bekend gemaakt met de toezending van het duplicaat-biljet op 1 februari 2022 en dat hij mitsdien binnen de daarvoor geldende termijn in bezwaar is gekomen.

17. Bij haar beoordeling neemt de rechtbank de navolgende feiten in aanmerking.

Het kantoor van [B.V. 3] en [B.V. 4] is eind maart / begin april 2020 verhuisd, van de [adres 6] te [woonplaats] naar de [adres 7] aldaar. De adreswijziging is aan verweerder doorgegeven.

Bij brief van 3 november 2020, per adres [adres 6] , heeft verweerder te kennen gegeven het samenwerkingsverband tussen [A] en [B] aan te merken als belastingplichtige voor de omzetbelasting. Ook naheffingsaanslag I, met dagtekening van 30 november 2020, is toegezonden aan het adres [adres 6] . Namens eiser is daartegen bezwaar gemaakt door zijn gemachtigde. Vanaf dat moment verliep de correspondentie tussen verweerder en eiser via de gemachtigde. Naheffingsaanslag II is met dagtekening van 28 augustus 2021 toegezonden aan het adres [adres 6] . Dit poststuk heeft eiser, naar hij stelt, niet bereikt.

18. Eiser heeft niet enig adres aan verweerder opgegeven. Het is verweerder zelf die, toen hij bevond dat het samenwerkingsverband als entiteit voor de heffing van omzetbelasting heeft te gelden, ervoor koos aan eiser gerichte post te verzenden naar het adres [adres 6] . Dat deed hij terwijl hem bekend was dat – met de verhuizing van het kantoor van [B.V. 3] en [B.V. 4] – de plek van waaruit [A] en [B] hun samenwerkingsverband bestierden al ruim een half jaar eerder aan de [adres 7] was terecht gekomen. Door niettemin naheffingsaanslag II te verzenden aan het adres [adres 6] is deze niet op de in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorgeschreven wijze bekend gemaakt, maar is dat eerst met toezending van het duplicaat-biljet gebeurd. De bezwaartermijn is daarmee eerst op 1 februari 2022 aangevangen (artikel 6:8 Awb).

19. Gelet op het voorgaande is het beroep van eiser voor zover het zich richt tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen naheffingsaanslag II gegrond.

In beide zaken: eigenbouwerschap

20. Krachtens artikel 12, vijfde lid, van de Wet OB wordt in de bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gevallen de belasting geheven van degene aan wie de levering wordt verricht of de dienst wordt verleend. In het vijfde lid van artikel 24b van het UBOB is het geval aangewezen waarin de levering bestaat uit een werk van stoffelijke aard dat betrekking heeft op een onroerende zaak dat door een onderaannemer aan een aannemer wordt geleverd. Het derde lid stelt met een aannemer gelijk, degene die het werk uitvoert in de normale uitoefening van zijn bedrijf zonder daartoe van een opdrachtgever opdracht te hebben gekregen (de ‘eigenbouwer’).

21. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser een bedrijf uitoefent in de zin van artikel 24b, vijfde lid, van het UBOB en dat de renovaties werken van stoffelijke aard zijn die zijn uitgevoerd in de normale uitoefening van dat bedrijf. Nu eiser dat niet heeft weersproken en dat niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, gaat ook de rechtbank daarvan uit.

22. Of eiser als eigenbouwer kan gelden, spitst zich daarmee erop toe of jij die werken heeft ‘uitgevoerd’, in de zin van artikel 24b, derde lid, van het UBOB. Voor een bevestigende beantwoording van die vraag is niet vereist dat eiser die werken ook zelf geheel of gedeeltelijk heeft uitgevoerd, maar volstaat het dat de algehele leiding bij het tot stand brengen van de werken bij hem berustte.[2] Uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 24b UBOB[3] volgt dat die leiding betrekking moet hebben op het werk in eigenlijke zin. De gelijkstelling van de eigenbouwer met een aannemer is namelijk erdoor ingegeven dat hij daarmee vergelijkbaar is in die zin, dat ook van de eigenbouwer het bedrijf “het bouwen” is.[4] De wetgever heeft daarbij benadrukt dat de eigenbouwer “goed [moet] worden onderscheiden van de opdrachtgever … die een overeenkomst met een aannemer sluit”.[5] De rechtbank leidt daaruit als het onderscheidende criterium af dat een eigenbouwer betrokken is bij bouwkundige vragen en problemen die rijzen bij de uitvoering van het bouwproject en daarin een beslissende stem heeft. Aldus komt het erop aan, of eiser een verdergaande bemoeienis had met de bouwwerkzaamheden in eigenlijke zin dan een ‘normale’ opdrachtgever pleegt te hebben.

23. Verweerder heeft zijn standpunt omtrent het eigenbouwerschap in beroep onderbouwd door te verwijzen naar zijn verweerschrift in de zaken van [B.V. 3] . Dat heeft hij ermee toegelicht dat de activiteiten van eiser “in het verlengde liggen” van die van [B.V. 3] , waarmee hij klaarblijkelijk gezegd wil hebben dat eiser wat betreft de renovaties op dezelfde wijze te werk gaat als [B.V. 3] . De stellingen van verweerder over die werkwijze laten zich, toegespitst op de onderhavige zaken, samenvatten als volgt.

[B] en [A] voeren zelf de besprekingen met de architecten. In de gevallen waarin een bouw- en/of splitsingsvergunning moet worden aangevraagd zijn zij daarbij steeds ook zelf betrokken. In voorkomend geval richt eiser een vereniging van eigenaren op. Eiser maakt prijsafspraken met de aannemers. De offertes van de aannemers plegen summier te zijn en in enkele gevallen is niet eens een schriftelijke offerte uitgebracht. In de taxatierapporten die ten behoeve van de financiering zijn opgesteld, zijn de kosten van renovatie structureel lager ingeschat dan in de markt gebruikelijk is. Gelet op het aantal renovaties waar [B] en [A] in de loop van de tijd bij betrokken zijn geweest, zullen zij de technische en organisatorische know-how hebben verworven die nodig is om het bouwproces te kunnen leiden. Het tijdsbeslag van [B.V. 5] was zodanig gering, dat het niet anders kan of [B] en [A] hebben zich ook zelf met begeleiding van de bouw ingelaten.

24. Eiser heeft hier het navolgende tegenover gesteld.

Vergunningaanvragen worden ingediend door de architect, namens eiser als de eigenaar van het desbetreffende object. De renovaties zijn steeds volgens een standaardconcept uitgevoerd. Eiser werkte steeds met dezelfde aannemer, die het concept kende zodat aan de offerte niet veel meer te pas kwam dan een prijsopgave op basis van de aangeleverde plannen van de architect. Door te werken met een standaardconcept worden schaalvoordelen behaald, onder andere bij de inkoop van materialen, waardoor de renovaties minder kostten dan gemiddeld in de markt gebruikelijk is. Eiser betwist te beschikken over know-how op het gebied van bouwen. Daarvoor schakelt hij [B.V. 5] in, voor de vragen die tijdens het bouwproces opkomen en voor de controle van het werk bij de oplevering.

25. Aangezien verweerder zich op de verleggingsregeling beroept, rust op hem de last te bewijzen dat eiser de algehele leiding had over de bouwwerkzaamheden.

De door verweerder gestelde werkzaamheden van eiser betreffen vooral de voorbereiding en het verlenen van opdrachten aan de aannemer. Verweerder heeft omtrent de bouwwerkzaamheden in eigenlijke zin wezenlijk niet meer naar voren gebracht, dan dat het gelet op de tijdsbesteding van [B.V. 5] niet anders kan of eiser was daarbij betrokken. Gelet op wat naar voren is gekomen over de werkwijze van eiser acht de rechtbank aannemelijk dat hij de uitvoering van de met de architect uitgewerkte plannen aan de aannemer heeft kunnen overlaten, en dat hij de weinige bemoeienis die daar nog wel bij kwam kijken aan [B.V. 5] had uitbesteed.

De rechtbank is daarmee van oordeel dat verweerder niet is geslaagd in de op hem rustende bewijslast dat de betrokkenheid van eiser bij de bouw in betekende mate verder ging dan die van een ‘gewone’ opdrachtgever.

26. Gelet op het voorgaande zijn de beroepen gegrond.

Overschrijding redelijke termijn

27. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

28. Eiser heeft op 22 december 2020 bezwaar gemaakt tegen naheffingsaanslag I. Vanaf dat moment tot de uitspraak van de rechtbank zijn ruim drieënhalf jaar verstreken. Omstandigheden op grond waarvan de redelijke termijn verlengd zou moeten worden, zijn niet gesteld of gebleken. Dat betekent dat de redelijke termijn met (afgerond) twee jaar is overschreden. De rechtbank ziet daarin aanleiding een vergoeding ter zake van immateriële schade toe te kennen van € 2.000. De termijnoverschrijding is voor anderhalf jaar toe te rekenen aan de bezwaarfase en voor een half jaar aan de beroepsfase. Verweerder dient daarom een bedrag van € 1.500 aan eiser te vergoeden en de Staat een bedrag van € 500.

Proceskosten

29. Nu de beroepen van eiser gegrond zijn, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Daarbij merkt zij de onderhavige zaken aan als samenhangend, als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit), met de zaken van [B.V. 3] en die van [B.V. 4] .

30. Eiser heeft in de bezwaarfase aanspraak gemaakt op vergoeding van de kosten van rechtsbijstand. In de beroepsfase heeft hij verzocht om integrale proceskostenvergoeding.

31. Om af te wijken van een forfaitaire proceskostenvergoeding moet op grond van artikel 2, derde lid, van het Besluit sprake zijn van een bijzondere omstandigheid. Bijzondere omstandigheden die een hogere dan forfaitaire proceskostenvergoeding kunnen rechtvaardigen doen zich voor als verweerder een besluit neemt of handhaaft terwijl op dat moment duidelijk is dat het besluit in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden, of als hij anderszins in vergaande mate onzorgvuldig handelt.[6]

32. Van verweerders standpunt omtrent het eigenbouwerschap was niet zodanig voorzienbaar dat het in rechte geen stand zou houden, dat om die reden afwijking van het forfait geboden is.

Anders is dat met betrekking tot de vergrijpboete. Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder beter moeten weten, dan te verdedigen dat het standpunt van eiser omtrent het eigenbouwerschap niet pleitbaar zou zijn.

Bij uitspraken van heden in de zaken van [B.V. 3] en van [B.V. 4] oordeelt de rechtbank in gelijke, respectievelijk vergelijkbare zin over de aan hen opgelegde vergrijpboeten.

33. Eiser heeft geen opgave gedaan van de door hem belopen kosten van rechtsbijstand en heeft niet gespecificeerd welke tijd zijn gemachtigde aan welke onderwerpen heeft besteed. De rechtbank kan daardoor niet bepalen welk bedrag aan kosten van rechtsbijstand is gemoeid met standpunten die verweerder tegen beter weten in heeft betrokken, maar wel constateert zij dat de gemachtigde in betekenende mate tijd heeft besteed aan de bestrijding van de boeten. Om deze redenen geeft de rechtbank toepassing aan artikel 2, derde lid, van het Besluit door de forfaitair bepaalde proceskostenvergoeding te verdubbelen.

34. De rechtbank stelt aldus de te vergoeden kosten op grond van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 8.994 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 624, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875, factor 1,5 vanwege het aantal beroepen en vermenigvuldigd met 2 om de hiervoor genoemde reden).

De rechtbank kent in de onderhavige zaken een derde van deze vergoeding, derhalve € 2.998 toe aan eiser.

(…)

[2] HR 15 oktober 1986, ECLI:NL:HR:AS8673, r.o. 4.3.

[3] Artikel 24b UBOB is ingevoerd bij Besluit van 19 juni 1982, Stb. 357. Het derde lid is daarbij toegelicht met de opmerking dat de bepaling is overgenomen uit de Wet ketenaansprakelijkheid (Wet van 4 juni 1981, Stb. 370).

[4] Kamerstukken II, 1978-1979, 15 697, nr. 3, blz. 13 en bijlage 2 daarbij, blz. 33.

[5] Kamerstukken II, 1978-1979, 15 697, nr. 3, blz. 20.

[6] Hoge Raad 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2975.”
Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen 4.1.
In geschil is of:

a. a) de beroepen terecht ontvankelijk zijn verklaard door de Rechtbank;

b) de Rechtbank terecht heeft beoordeeld of het bezwaar tegen de naheffingsaanslag II ontvankelijk is;

c) de Rechtbank het bezwaar tegen de naheffingsaanslag II terecht ontvankelijk heeft verklaard;

d) de Rechtbank terecht heeft geoordeeld dat belanghebbende geen eigenbouwer is;

e) recht bestaat op interne compensatie voor een bedrag van € 19.615 over 2015 en € 12.438 over 2016;

f) de Rechtbank terecht de forfaitair bepaalde proceskostenvergoeding heeft verdubbeld;

g) de Rechtbank terecht een proceskostenvergoeding heeft toegekend voor de bezwaarfase.
4.1.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat de vergrijpboeten terecht zijn vernietigd.
4.2.
De Inspecteur concludeert primair tot niet-ontvankelijkverklaring van de beroepen, subsidiair tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen naheffingsaanslag II en handhaving van naheffingsaanslag I. Meer subsidiair concludeert de Inspecteur tot handhaving van beide naheffingsaanslagen. Indien het Hof van oordeel is dat belanghebbende een eigenbouwer is maar de naheffingsaanslagen om een andere reden verminderd worden, doet de Inspecteur een beroep op interne compensatie. In alle gevallen concludeert de Inspecteur tot behoud van de beslissing van de Rechtbank de vergrijpboeten te vernietigen. Verder concludeert de Inspecteur tot vermindering van de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase en tot vernietiging van de veroordeling in de proceskosten voor de bezwaarfase.
4.3.
Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot veroordeling van de Inspecteur in de werkelijke proceskosten.
Beoordeling van het hoger beroep
Zijn de beroepen terecht ontvankelijk verklaard door de Rechtbank?
5.1.
De Inspecteur stelt dat de Rechtbank de beroepen van belanghebbende ten onrechte ontvankelijk heeft verklaard. Hij voert aan dat de Rechtbank belanghebbende op 22 december 2022 heeft verzocht om de gronden van het beroep binnen een termijn van vier weken in te dienen, zijnde uiterlijk 20 januari 2023. Belanghebbende heeft de gronden van het beroep pas op 23 januari 2023 ingediend. Omdat belanghebbende de termijn heeft overschreden en de Rechtbank niets heeft vastgesteld over de eventuele verschoning van de overschrijding van de termijn dienen de beroepen niet-ontvankelijk te worden verklaard.
5.2.1.
Op grond van artikel 6:5, lid 1, aanhef en onderdeel d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), wordt het beroepschrift ondertekend en bevat het ten minste de gronden van het bezwaar.
5.2.2.
Artikel 6:6, aanhef, onderdeel a, en slotregel, Awb bepaalt dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
5.2.3.
Het procesreglement van de Rechtbank (geldend in 2022 en 2023) vermeldt voor zover van belang:

“Artikel 2.4 Herstel van een verzuim en opvragen machtiging (de artikelen 6:5, 6:6, 8:24 en 8:36a van de Awb)

1. Indien sprake is van een herstelbaar verzuim als bedoeld in artikel 6:6 of 8:36a van de Awb of indien de bestuursrechter van een gemachtigde een machtiging verlangt, stelt de bestuursrechter de indiener van het beroepschrift per bericht in de gelegenheid binnen vier weken het verzuim te herstellen dan wel de machtiging in te zenden.

(…)

3. Niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens een verzuim als bedoeld in het eerste lid vindt slechts plaats, indien:

a. in het geval op papier wordt geprocedeerd de uitnodiging om het verzuim te herstellen bij aangetekende brief is verzonden of anderszins vaststaat dat de uitnodiging is ontvangen,

b. in de uitnodiging is medegedeeld dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien het verzuim niet binnen de gestelde termijn is hersteld en het verzuim niet verschoonbaar is, en

c. binnen de termijn geen herstel heeft plaatsgevonden en dit verzuim niet verschoonbaar is.”
5.3.
Artikel 6:6, Awb bevat geen verplichting maar een discretionaire bevoegdheid voor de Rechtbank om een beroep niet-ontvankelijk te verklaren (vgl. HR 2 september 1987, ECLI:NL:HR:1987:AW7608, BNB 1987/318). Anders dan de Inspecteur meent, volgt uit artikel 2.4 van het procesreglement (zie 5.2.3) ook geen verplichting een beroep niet-ontvankelijk te verklaren. Dat artikel stelt slechts de voorwaarden waaronder de rechtbanken kunnen overgaan tot de niet-ontvankelijkverklaring van een beroep.
5.4.1.
Belanghebbende heeft in haar brief, ontvangen door de Rechtbank op 23 januari 2023, de gronden van het beroep kort weergegeven en verzocht om de termijn voor het aanvoeren van nadere gronden met acht weken te verlengen. De Rechtbank is bij brief van 30 januari 2023 aan dit verzoek tegemoetgekomen (zie 2.9). Zoals uit overweging 14 van haar uitspraak volgt, heeft de Rechtbank geen reden gezien de beroepen niet-ontvankelijk te verklaren. Het Hof vindt dit oordeel niet onlogisch. Het feit dat belanghebbende de motivering enkele dagen na de aanvankelijk gestelde termijn heeft ingediend en dat aan belanghebbende vervolgens (nogmaals) uitstel is verleend om de beroepen verder te motiveren, heeft het verdere goede verloop van de procedure niet belemmerd. De Inspecteur is bijvoorbeeld niet benadeeld door het feit dat de motivering later is ingediend. Hij heeft immers voldoende gelegenheid gehad daarop te reageren. Daarbij weegt het belang van belanghebbende dat haar beroepen worden beoordeeld door de rechter in dit geval zwaarder dan het feit dat de motivering enkele dagen later dan de aanvankelijk gestelde termijn is ontvangen.
5.4.2.
De situatie van belanghebbende verschilt ook van de door de Inspecteur aangehaalde situatie in de uitspraak van dit Hof, ECLI:NL:GHDHA:2022:948. In de laatstgenoemde zaak was belanghebbende een paar maanden te laat met het indienen van de gronden van het beroep. In dit geval heeft belanghebbende de brief met de verkorte motivering en het uitstelverzoek slechts enkele dagen te laat ingediend en heeft de Rechtbank (nogmaals) uitstel verleend om de beroepen verder te motiveren. Nadat de Rechtbank het verzochte uitstel had verleend, heeft belanghebbende de motivering binnen de gestelde termijn ingediend (zie 2.9).
5.4.3.
Dat de Inspecteur zich niet kan vinden in het oordeel van de Rechtbank of op een uitgebreidere motivering rekende, betekent niet dat de Rechtbank het motiveringsbeginsel heeft geschonden. Wat er verder ook zij van deze stelling van de Inspecteur, hij heeft het standpunt ingenomen dat de zaak niet hoeft te worden teruggewezen naar de Rechtbank en hieraan geen verdere conclusie verbonden zodat deze stelling nergens toe leidt.
5.5.
Het Hof oordeelt dat de beroepen terecht ontvankelijk zijn verklaard door de Rechtbank.

Heeft de Rechtbank terecht beoordeeld of het bezwaar tegen de naheffingsaanslag II ontvankelijk is?
5.6.
De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de Rechtbank ten onrechte ambtshalve heeft beoordeeld of het bezwaar tegen de naheffingsaanslag II ontvankelijk was. Belanghebbende heeft in beroep geen gronden aangevoerd tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar. De Rechtbank had, gelet op onder andere het arrest ECLI:NL:HR:2021:1153, niet ambtshalve mogen beoordelen of de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar door de Inspecteur terecht is geweest.
5.7.1.
Anders dan de Inspecteur meent, heeft de Rechtbank de niet-ontvankelijkverklaring niet ambtshalve beoordeeld. Het Hof licht dit als volgt toe.
5.7.2.
De toelichting op de uitspraken op bezwaar van 4 november 2022 vermeldt met betrekking tot het bezwaar tegen naheffingsaanslag II onder meer:

“Ondanks de niet-ontvankelijkheid neem ik uw bezwaarschrift wel in behandeling als een verzoek om ambtshalve vermindering. Dit houdt in dat u geen beroep kunt aantekenen tegen mijn inhoudelijke beslissing. U kunt wel beroep instellen tegen mijn beslissing uw bezwaarschrift niet-ontvankelijk te verklaren.”
5.7.3.
Het beroepschrift vermeldt het aanslagnummer van naheffingsaanslag II. Dit aanslagnummer wordt ook vermeld in de nadere motivering. Uit de toelichting op de uitspraak op bezwaar volgt dat met betrekking tot de naheffingsaanslag II alleen beroep kon worden ingesteld tegen de beslissing van de Inspecteur het bezwaarschrift niet-ontvankelijk te verklaren. Gelet op de vermelding van het aanslagnummer van naheffingsaanslag II in het beroepschrift en de nadere motivering heeft belanghebbende dus (mede) beroep ingesteld tegen de niet-ontvankelijkverklaring door de Inspecteur van het bezwaar tegen de naheffingsaanslag II.
5.7.
Bovendien werpt de Inspecteur de (niet-)ontvankelijkheid van het bezwaar zelf op in zijn verweerschrift.
5.8.1.
Het Hof voegt hier het volgende aan toe. Het voormelde arrest van de Hoge Raad van 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1153, vermeldt, voor zover van belang (het Hof heeft de voetnoten in het citaat weggelaten):

“4.3.3. Tot nu toe komt het in de praktijk voor dat de rechter ook de tijdigheid van een bij het bestuursorgaan ingediend bezwaarschrift ambtshalve beoordeelt. De Hoge Raad heeft deze praktijk in belastingzaken in het verleden aanvaard. De Hoge Raad ziet echter aanleiding deze rechtspraak te heroverwegen. De hiervoor in 4.3.2 vermelde bepalingen van de Awb brengen namelijk niet zonder meer mee dat in een volgende instantie ambtshalve de tijdigheid van het aanwenden van een rechtsmiddel in de vorige instantie opnieuw moet worden beoordeeld. Verder valt niet in te zien welk zwaarwegend belang gediend kan zijn met ambtshalve beoordeling van die ontvankelijkheid in (hoger) beroep.
4.3.4.
Gelet op hetgeen in 4.3.2 en 4.3.3 is overwogen, zal de Hoge Raad voortaan het uitgangspunt hanteren dat de rechter de tijdigheid van een bezwaar of beroep in een vorige instantie niet ambtshalve behoort te beoordelen. In zoverre komt de Hoge Raad terug van de hiervoor in 4.3.3 bedoelde rechtspraak. Dit betekent dat de rechtbank het bij het bestuursorgaan gemaakte bezwaar niet ambtshalve wegens termijnoverschrijding nietontvankelijk mag verklaren, en dat het hof het bij de rechtbank ingestelde beroep of het bij het bestuursorgaan gemaakte bezwaar niet ambtshalve wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk mag verklaren.”
5.8.2.
Het Hof stelt voorop dat overweging 4.3.4 van het voormelde arrest betrekking heeft op een andere situatie dan in deze zaak aan de orde is. Voor wat betreft de beoordeling door de rechtbank gaat het in die overweging om een bezwaar dat door het bestuursorgaan ontvankelijk is verklaard en dat vervolgens door de rechtbank niet ambtshalve wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk mag worden verklaard. In deze zaak is het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en heeft de Rechtbank dat beoordeeld. Het voormelde arrest is daarom niet van toepassing. Bovendien wordt met een beoordeling van de Rechtbank of het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard een zwaarwegend belang van belanghebbende gediend, te weten het recht op toegang tot de rechter. Hiervan uitgaande mocht de Rechtbank de ontvankelijkheid van het bezwaar beoordelen.

Heeft de Rechtbank het bezwaar tegen de naheffingsaanslag II terecht ontvankelijk verklaard?
5.9.1.
De regel dat met de terpostbezorging van het aanslagbiljet de bekendmaking heeft plaatsgevonden, lijdt uitzondering indien de zending de belastingschuldige niet heeft bereikt als gevolg van een fout van de Belastingdienst, zoals een verkeerde adressering die aan deze dienst is te wijten. In zo’n geval kan niet worden gezegd dat bekendmaking van de aanslag op de voorgeschreven wijze heeft plaatsgevonden (HR 4 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:45).
5.9.2.
Het risico van een onjuiste adressering ligt in beginsel bij de verzender van het geschrift, in casu de Inspecteur. Dit is slechts anders ingeval een onjuiste adressering is te wijten aan degene voor wie het geschrift is bestemd, in dit geval de belastingplichtige, zoals zich bijvoorbeeld kan voordoen indien deze niet heeft zorggedragen voor een juiste vermelding in het bevolkingsregister, of niet gedurende een lopende briefwisseling heeft opgegeven dat een adreswijziging heeft plaatsgevonden (HR 3 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:AA1935).
5.10.1.
De Inspecteur heeft een samenwerkingsverband vastgesteld tussen [B] en [A] en dit samenwerkingsverband aangemerkt als belastingplichtige. Het samenwerkingsverband is geen rechtspersoon en is niet geregistreerd bij de Kamer van Koophandel. Het lag daarom voor de hand om de correspondentie voor het samenwerkingsverband te sturen naar het privéadres van [B] en [A] zoals geregistreerd in de Basisregistratie Personen. Bovendien was bekend dat [B] en [A] een gemachtigde hadden, zodat de Inspecteur ook een kopie van de correspondentie naar de gemachtigde had kunnen sturen.
5.10.2.
Daarbij komt dat de adreswijziging van de [adres 5] naar de [adres 7] voor de andere entiteiten van [B] en [A] , te weten [B.V. 3] en [B.V. 4] , eind maart/begin april 2020 is doorgegeven. De Inspecteur heeft pas daarna, in zijn brief van 3 november 2020, de belastingplicht van het samenwerkingsverband vastgesteld. Deze brief is verzonden naar de [adres 5] . De Inspecteur heeft geen afdoende verklaring kunnen geven waarom de correspondentie met betrekking tot het samenwerkingsverband naar de [adres 5] is verzonden terwijl hij i) wist dat voor de andere entiteiten een adreswijziging was doorgegeven en ii) het bovendien voor de hand lag om de correspondentie naar het privéadres van [B] en [A] te sturen. De verklaring van de Inspecteur dat het adres van het samenwerkingsverband is gekoppeld aan de [adres 5] door een medewerker die inmiddels met pensioen is, is daartoe onvoldoende. Dit kan belanghebbende immers niet worden aangerekend. Dit maakt dat de verkeerde adressering aan de Inspecteur is te wijten, zodat niet gezegd kan worden dat de bekendmaking van de naheffingsaanslag II met de verzending daarvan aan de [adres 5] op de voorgeschreven wijze heeft plaatsgevonden.
5.11.
Het voorgaande brengt mee dat de naheffingsaanslag II voor het eerst bekend is gemaakt met de toezending van het duplicaat-biljet op 1 februari 2022. Aangezien belanghebbende bij brief van dezelfde dag bezwaar heeft gemaakt, is het bezwaar tijdig ingediend en dus ontvankelijk.

Heeft de Rechtbank terecht geoordeeld dat belanghebbende geen eigenbouwer is?
5.12.1.
Op grond van artikel 12, lid 5, Wet OB in verbinding met artikel 24b, van het UBOB wordt in geval van onderaanneming en uitlening van personeel in de bouw, waarbij een werk van stoffelijke aard met betrekking tot onroerende zaken (of schepen) wordt uitgevoerd, de heffing van omzetbelasting verlegd van degene die de prestatie (levering of dienst) verricht naar degene aan wie de prestatie wordt verleend (de afnemer, zijnde de aannemer of eigenbouwer). Deze verlegging brengt met zich dat de afnemer de verschuldigde omzetbelasting op aangifte moet voldoen en - indien en voor zover hij aftrekrecht heeft - die omzetbelasting in dezelfde aangifte als voorbelasting weer in aftrek kan brengen. Voorwaarde is daarbij dat een onderaannemer ten behoeve van een aannemer of eigenbouwer het werk van stoffelijke aard uitvoert.
5.12.2.
Aannemer is degene, die zich jegens een ander, de opdrachtgever, verbindt om buiten dienstbetrekking tegen een te betalen prijs een werk van stoffelijke aard uit te voeren. De verleggingsregeling is van toepassing op de prestatie die een onderaannemer verricht aan de (hoofd)aannemer. Op de prestatie die de aannemer voor zijn opdrachtgever verricht is de verleggingsregeling niet van toepassing, behoudens de situatie van een opdrachtgever die als eigenbouwer moet worden aangemerkt. Als eigenbouwer wordt aangemerkt degene die zonder daartoe van een opdrachtgever opdracht te hebben gekregen buiten dienstbetrekking in de normale uitoefening van zijn bedrijf een werk van stoffelijke aard uitvoert dat betrekking heeft op onroerende zaken (of schepen).
5.12.3.
In het “Besluit van 19 juni 1982 tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968, Stb. 357 is onder meer opgemerkt:

“Behoudens de beperking tot de drie eerdergenoemde sectoren is voor de terminologie en het bereik van de verleggingsregeling zo veel mogelijk aansluiting gezocht bij de Wet Ketenaansprakelijkheid. Deze samenloop biedt het voordeel dat veel van hetgeen tijdens de parlementaire behandeling van deze wet over het bereik en de daarin gehanteerde begrippen naar voren is gebracht, tevens geldt voor de verleggingsregeling. Voorts zullen praktijk en jurisprudentie zich parallel kunnen ontwikkelen en in voorkomende gevallen voor beide regelingen van waarde zijn. De rechtszekerheid en een verantwoorde uitvoering zullen hierdoor worden bevorderd.”
5.12.4.
Met betrekking tot het begrip eigenbouwer in de Wet ketenaansprakelijkheid is een nadere invulling gegeven in de Resolutie van 25 juli 1986, nr. 286-10846:

“Of een bedrijf voor de toepassing van de Wet ketenaansprakelijkheid is te beschouwen als een "eigenbouwer", valt volgens Staatssecretaris Koning niet in algemene termen aan te geven. Bedrijven en uitgevoerde werkzaamheden zullen steeds, van geval tot geval beoordeeld moeten worden. Enkele kenmerken voor de karakterisering als "eigenbouwer" zijn:

1. Een werk wordt niet uitgevoerd in opdracht van een opdrachtgever maar het bedrijf werkt "voor de markt";

2. Een bedrijf voert een werk uit ter voorziening in zijn eigen behoefte aan bijv. bedrijfsmiddelen, waarbij

- niet van belang is of het bedrijf winst beoogt en/of feitelijk maakt. (…)

- de activiteiten moeten passen binnen de normale bedrijfsuitoefening. Daarbij is de statutaire doelomschrijving niet van belang, noch hetgeen overigens in de bedrijfstak waartoe dit bedrijf behoort, gebruikelijk is. Het incidenteel vervaardigen van een bedrijfsmiddel leidt niet tot een handelen als eigenbouwer.

3. Wanneer een bedrijf een geheel werk uitbesteedt kan toch sprake zijn van

"eigenbouwer", nl. wanneer

a. het betrokken bedrijf de werkzaamheden ook wel zelf geheel of gedeeltelijk pleegt uit te voeren;

b. het uiteindelijk tot stand te brengen werk past binnen het kader van het bedrijf, terwijl dat bedrijf ook vaak een schakel vormt bij de uitvoering, doordat eigen technische- of organisatorische know-how een belangrijkere rol speelt dan bij normale opdrachtgevers.

(…)”
5.12.5.
Om de vraag, of een belastingplichtige als bedoeld in artikel 24b, lid 3, van het UBOB “in de normale uitoefening van zijn bedrijf een werk van stoffelijke aard uitvoert”, bevestigend te kunnen beantwoorden, kan niet de eis worden gesteld dat moet komen vast te staan dat die belastingplichtige zelf het desbetreffende werk feitelijk geheel of gedeeltelijk kan uitvoeren. Immers een werk wordt in de normale uitoefening van het bedrijf door de belastingplichtige uitgevoerd in de hierboven bedoelde zin indien die belastingplichtige van het tot stand brengen van zodanige werken zijn bedrijf maakt. Daartoe is niet vereist dat hij die werken ook zelf geheel of gedeeltelijk feitelijk uitvoert of kan uitvoeren. Voldoende is dat de algehele leiding bij het tot stand brengen van de werken bij hem berust (HR 15 oktober 1986, ECLI:NL:HR:1986:AS8673, r.o. 4.3).
5.12.6.
In de memorie van toelichting bij de Invorderingswet 1989 (Kamerstukken II 1987-1988, 20 588, nr. 3, p. 92) staat onder meer:

“Voor deze opvatting vind ik steun in de memorie van toelichting bij de Wet ketenaansprakelijkheid, waarin is opgemerkt dat de bepaling inzake de eigenbouwer ruim moet worden uitgelegd, alsmede dat men aan eigenbouwerschap niet kan ontkomen door het gehele werk uit te besteden.»

In concreto wordt daarna aandacht besteed aan de woningcorporatie en het gemeentelijk grondbedrijf:

«Woningcorporaties en andere zogenaamd toegelaten instellingen oefenen naar mijn oordeel een bedrijf uit. Indien voor eigen rekening en risico een nieuwbouwproject wordt gerealiseerd, hetzij voor de verkoop, hetzij voor de verhuur, kunnen zich verschillende situaties voordoen. In het onderstaande wordt ervan uitgegaan dat de corporatie het bouwen niet door eigen werknemers laat verrichten. Indien het realiseren van een nieuwbouwproject slechts eenmalig of sporadisch voorkomt is de corporatie geen eigenbouwer. Indien het realiseren van een nieuwbouwproject meer dan sporadisch geschiedt, is de corporatie naar mijn oordeel eveneens geen eigenbouwer, tenzij de corporatie een zodanige ervaring en know-how met betrekking tot het bouwen heeft, dat zij met gebruikmaking daarvan feitelijk op dezelfde wijze optreedt als een hoofdaannemer die het gehele werk uitbesteedt.”
5.13.
Tussen partijen is niet in geschil dat de diensten van de (onder)aannemers als werken van stoffelijke aard zijn aan te merken. De Inspecteur stelt dat belanghebbende is opgetreden als eigenbouwer als bedoeld in artikel 24b, lid 3, van het UBOB, zodat de verleggingsregeling van toepassing is en zij dus de omzetbelasting is verschuldigd ter zake van de diensten die de (onder)aannemers hebben verricht. Belanghebbende bestrijdt dat zij is opgetreden als eigenbouwer. Belanghebbende voert aan dat zij een handelsonderneming is en het uitvoeren van werk van stoffelijke aard niet tot de normale uitoefening van haar bedrijf behoort. Verder ontbreekt bij belanghebbende de technische en organisatorische kennis om leiding te kunnen geven bij het tot stand brengen van de werken van stoffelijke aard met betrekking tot onroerende zaken.
5.14.
Het is aan de Inspecteur om de feiten aannemelijk te maken die de conclusie rechtvaardigen dat belanghebbende is aan te merken als eigenbouwer als bedoeld in artikel 24b, lid 3, UBOB en dat daarmee de verleggingsregeling van toepassing is. Gelet op hetgeen is overwogen in 5.12.1 tot en met 5.12.6 betekent dit dat hij aannemelijk moet maken dat het verrichten van renovaties onderdeel is van de normale uitoefening van het bedrijf van belanghebbende. Aangezien belanghebbende de renovaties volledig uitbesteedt, is daarbij van belang dat aannemelijk wordt gemaakt dat de algehele leiding van de renovaties bij belanghebbende berust. Uit de aangehaalde passage in 5.12.6 volgt dat aannemelijk is dat de algehele leiding bij belanghebbende berust als belanghebbende een zodanige ervaring en know-how met betrekking tot de renovaties heeft, dat zij met gebruikmaking daarvan feitelijk op dezelfde wijze optreedt als een hoofdaannemer die het gehele werk uitbesteedt.
5.15.
Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de algehele leiding van de renovaties bij belanghebbende berust en motiveert dit oordeel als volgt.
5.16.1.
De werkwijze van belanghebbende was erop gericht om gedateerde panden te moderniseren volgens een standaardconcept, door belanghebbende een “ [B.V. 3] pand” genoemd, om deze vervolgens te verhuren aan particulieren. Hierbij werden voornamelijk “cosmetische wijzigingen” aangebracht, gericht op het bewerkstelligen van zoveel mogelijk licht(inval) en vierkante meters. Verder werd een aantal standaardwerkzaamheden verricht zoals het plaatsen van een nieuwe keuken, het leggen van een nieuwe vloer, het plaatsen van nieuwe deuren, het vervangen van de badkamer en het toilet, het vervangen van kozijnen, het stuken en sauzen van muren en plafonds en schilderen aan de binnenzijde waarbij gebruik werd gemaakt van vaste kleuren en lijnen.
5.16.2.
Uit de correspondentie die [B] en [A] hebben gevoerd met onder andere de architect volgt dat zij zich bemoeien met de indeling van de panden waarbij zij steeds het standaardconcept voor ogen hebben. Zo worden aanwijzingen gegeven over het plaatsen van lichtkoepels, de plaats waar de badkamer moet komen, het plaatsen van kastenwanden, het doorbreken van muren om een ruimte groter te maken, het plaatsen dan wel vergroten van dakkapellen, het verplaatsen van trappen en het realiseren van openslaande deuren.
5.16.3.
Verder schrijft belanghebbende voor welke materialen en kleuren gebruikt moeten worden om het pand in de mal van het standaardconcept te gieten. Daarbij gebruikt zij de materialen, zoals deuren, die door de gelieerde vennootschap [B.V. 6] in bulk worden ingekocht, zodat de kosten laag gehouden kunnen worden. Voor keukens maakt zij gebruik van de keukens van [naam] die belanghebbende vanwege de grote afname korting geeft.
5.16.4.
Belanghebbende werkte voor alle panden samen met dezelfde aannemer omdat deze op de hoogte was van het standaardconcept dat belanghebbende wilde toepassen. Voor het beantwoorden van vragen tijdens de renovaties en de controle van het werk (bij de oplevering) maakte belanghebbende gebruik van de diensten van [B.V. 5] die ook op de hoogte was van het door belanghebbende bedachte standaardconcept. Door steeds samen te werken met dezelfde personen was het voor belanghebbende mogelijk de feitelijke uitvoering van het standaardconcept, na afstemming met de architect (zie 5.16.2), uit te besteden aan de vaste aannemer.
5.16.5.
Belanghebbende heeft bij de renovaties een meer omvattende rol dan een ‘normale’ opdrachtgever omdat zij haar eigen technische en organisatorische kennis inzet om de renovaties tot het naar hem gewenste resultaat te brengen. Via de gelieerde vennootschap [B.V. 6] koopt zij materialen in bulk in die gebruikt worden bij de renovaties. Ook heeft belanghebbende haar kennis en ervaring gebruikt om een standaardconcept te ontwikkelen voor renovaties die op al haar panden kan worden toegepast. De bemoeienis van belanghebbende met de renovaties, onder andere bij het uitdenken van het standaardconcept, de aanwijzingen volgens dit concept aan de architect, [B.V. 5] en de aannemer en de inkoop van materialen via [B.V. 6] , heeft steeds een professioneel karakter gehad. De renovaties waren immers gericht op de commerciële, op winst gerichte doelstelling van belanghebbende. Kennis van zaken met betrekking tot de (inkoop van de) te gebruiken renovatiematerialen en hetgeen gerenoveerd dient te worden alsmede de wijze waarop om een woning aantrekkelijk te maken voor een huurder of koper moet noodzakelijk zijn geweest. Dit blijkt ook uit het feit dat de kosten van renovatie, vanwege het “in eigen beheer” uitvoeren van de werkzaamheden, in de taxatierapporten die ten behoeve van de financiering zijn opgesteld meer dan incidenteel lager zijn ingeschat dan in de markt gebruikelijk is. Dat belanghebbende het standaardconcept met haar (organisatorische) kennis dusdanig efficiënt heeft weten in te richten en voor het beantwoorden van vragen tijdens de renovaties en de controle van het werk (bij de oplevering) gebruik maakt van de diensten van [B.V. 5] , zodat zij zich niet of weinig met de feitelijke uitvoering daarvan hoeft te bemoeien (zie 5.16.4), betekent niet dat zij haar overkoepelende betrokkenheid bij de uitwerking van het concept en de daarbij behorende renovaties uit handen heeft gegeven.
5.16.6.
Uit het voorgaande volgt dat belanghebbende de algehele leiding heeft met betrekking tot de renovaties. Wellicht ten overvloede merkt het Hof op dat gelet op de regelmaat waarmee belanghebbende renovaties van de te verhuren woningen liet uitvoeren deze behoorden tot haar normale bedrijfshandelingen (vgl. HR 29 augustus 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC4370, r.o. 3). Bij belanghebbende gaat het om meer dan 50 renovaties.
5.17
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat belanghebbende wordt aangemerkt als eigenbouwer en dat het hoger beroep van de Inspecteur slaagt.

Bestaat recht op interne compensatie voor een bedrag van € 19.615 over 2015 en € 12.438

over 2016?
5.18.
Het beroep van de Inspecteur op interne compensatie behoeft geen behandeling, aangezien hij in het gelijk wordt gesteld dat belanghebbende kwalificeert als eigenbouwer.

Heeft de Rechtbank terecht de forfaitair bepaalde proceskostenvergoeding verdubbeld?
5.19.1.
Op grond van artikel 8:75, lid 1, Awb is de bestuursrechter bevoegd een partij

te veroordelen in de kosten die een andere partij redelijkerwijs heeft moeten maken in

verband met de behandeling van het bezwaar en de behandeling van het beroep bij de

bestuursrechter. In het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) zijn nadere regels

opgenomen over de kosten waarop de veroordeling betrekking kan hebben en de wijze

waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld. Ter zake van de kosten van

beroepsmatig verleende rechtsbijstand zijn tarieven opgenomen in de bijlage bij het Besluit.

Op grond van artikel 2, lid 3, van het Besluit kan de rechter in bijzondere omstandigheden

naar boven of naar beneden afwijken van die tarieven, of afzien van toekenning van een

proceskostenvergoeding.
5.19.2.
Van een bijzondere omstandigheid als hiervóór bedoeld kan sprake zijn indien het bestuursorgaan in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld (HR 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2975). Voor een hogere proceskostenvergoeding is voorts plaats ingeval een bestuursorgaan een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in de daartegen ingestelde procedure geen stand zal zouden (HR 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2802).
5.19.3.
De Rechtbank heeft in dit verband geoordeeld dat de Inspecteur tegen beter weten in heeft volgehouden dat het standpunt van belanghebbende omtrent het eigenbouwerschap niet pleitbaar zou zijn. Hierin heeft de Rechtbank een bijzondere omstandigheid gevonden om naar boven af te wijken van de in het Besluit geregelde forfaitaire proceskostenvergoeding door deze te verdubbelen. De Rechtbank heeft daarmee voldoende gemotiveerd waarom sprake is van een bijzondere omstandigheid zoals bedoeld in artikel 2, lid 3, van het Besluit. Daarbij komt dat het dossier (interne) e-mails van de Inspecteur bevat die het standpunt van belanghebbende en de pleitbaarheid daarvan ondersteunen. Het Hof voegt hier nog aan toe dat de bijzondere omstandigheid ook gevonden kan worden in de (negatieve) proceshouding van de Inspecteur. Het dossier bevat bijvoorbeeld ook (interne) e-mails van de Inspecteur die -begrijpelijkerwijs- als grievend worden ervaren door belanghebbende. Enige empathie op dit punt aan de zijde van de Inspecteur ontbreekt. De (negatieve) proceshouding laat zich bijvoorbeeld ook zien in de formalistische en starre opstelling van de Inspecteur met betrekking tot de formeelrechtelijke aspecten. Gelet op de (financiële) invloed van een belastingprocedure zoals deze op een belastingplichtige had een minder formalistische proceshouding van de Inspecteur voor de hand gelegen.

Heeft de Rechtbank terecht een proceskostenvergoeding toegekend voor de bezwaarfase?
5.20.
De Inspecteur stelt dat de Rechtbank ten onrechte een vergoeding voor de

bezwaarfase heeft toegekend. De Inspecteur voert aan dat hij in de uitspraak op bezwaar

belanghebbendes verzoek om een proceskostenvergoeding heeft afgewezen. Uit de

processtukken blijkt volgens de Inspecteur niet dat het beroep van belanghebbende ook

betrekking heeft op deze afwijzing. De Rechtbank is dan ook buiten de rechtsstrijd getreden

door toch een proceskostenvergoeding toe te kennen voor de bezwaarfase, aldus de

Inspecteur.
5.21.
Niet in geschil is dat belanghebbende in de bezwaarfase heeft verzocht om een

proceskostenvergoeding zodat voldaan is aan het vereiste van artikel 7:15, lid 3, van de Awb.

Verder heeft belanghebbende in het beroepschrift verzocht om: “veroordeling in de kosten

van het geding in alle instanties van verweerder.” Aangezien de Rechtbank (onder andere)

heeft geoordeeld dat de Inspecteur de boetes ten onrechte heeft opgelegd, mocht zij een

proceskostenvergoeding toekennen voor de bezwaarfase. Gelet op het verzoek van

belanghebbende is de Rechtbank, anders dan de Inspecteur meent, niet buiten de rechtsstrijd

getreden.

Slotsom
5.22.
Het hoger beroep van de Inspecteur is gegrond.
Proceskosten
6. Het Hof ziet geen aanleiding een partij te veroordelen in de proceskosten.
Beslissing
Het Gerechtshof:

vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover daarin de naheffingsaanslagen en belastingrentebeschikkingen zijn verminderd;

bevestigt de uitspraak op bezwaar voor zover daarin de naheffingsaanslagen en belastingrentebeschikkingen in stand worden gelaten.

Deze uitspraak is vastgesteld door L.D.M.A Reijs, W. de Wit en J.B.O. Bijl, in tegenwoordigheid van de griffier R. Wijkstra.

De griffier, de voorzitter,

R. Wijkstra L.D.M.A Reijs

De beslissing is op 25 maart 2026 in het openbaar uitgesproken.

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;

b. - de dagtekening;

c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Artikel delen