Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:GHSHE:2026:1741

De verdachte is ter zake van mishandeling veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 dagen hechtenis. Voorts is de vordering van de benadeelde partij toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente, en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor het toegewezen bedrag.

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 8 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:GHSHE:2026:1741 text/xml public 2026-07-08T17:29:47 2026-07-02 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-06-29 20-000659-25 Uitspraak Hoger beroep Op tegenspraak NL Maastricht Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1741 text/html public 2026-07-08T17:27:43 2026-07-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2026:1741 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 29-06-2026 / 20-000659-25
De verdachte is ter zake van mishandeling veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 dagen hechtenis. Voorts is de vordering van de benadeelde partij toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente, en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor het toegewezen bedrag.

Parketnummer : 20-000659-25

Uitspraak : 29 juni 2026

TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 21 februari 2025, in de strafzaak met parketnummer 03-326567-23 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 1985,

wonende te [adres 1] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘mishandeling’ veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 140 uren, subsidiair 70 dagen hechtenis. Voorts heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toegewezen tot een bedrag van € 949,19, bestaande uit € 249,19 aan vergoeding van materiële schade en € 700,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 augustus 2023 tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met aanvulling van de bewijsmiddelen en met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.

De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit en heeft subsidiair een straftoemetingsverweer gevoerd. Voorts heeft de verdediging verweer gevoerd ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 12 augustus 2023 te Afferden (L), gemeente Bergen (L), althans in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] een kopstoot te geven en/of te slaan.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 12 augustus 2023 te Afferden (L), gemeente Bergen (L), [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] een kopstoot te geven.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Tenzij anders vermeld wordt hierna verwezen naar pagina’s van het dossier van de politie-eenheid Limburg, registratienummer PL2300-2023128211, gesloten d.d. 20 november 2023, opgemaakt door verbalisant [verbalisant] , brigadier van politie (doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 42). Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.

1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 15 augustus (p. 9-12), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [slachtoffer] :

Op 12 augustus 2023 was ik op camping [camping] . Deze camping is gelegen op [adres 2] .

De jongen (het hof begrijpt: de zoon van de verdachte) rende naar boven weg en zei dat hij zijn vader ging halen. Op een gegeven moment hoor ik een jongensstem roepen: "Daar is hij." Ik zie dat die jongen, die zijn vader ging halen, naar mij wijst. Op dat moment komt er een man naar mij toe en pakt mij vast. De man zei: "Jij gaat mijn zoon niet aanraken of bedreigen" en geeft mij vervolgens een kopstoot. Wat hierna gebeurde, weet ik niet meer. Ik werd op de grond gewerkt. Daarna werd de man door iemand anders van mij afgehaald.

Ik ben hierna naar de huisartsenpost gegaan. Ik heb 4 hechtingen bij mijn rechterwenkbrauw gekregen. Tevens zijn mijn bril en kleding kapotgegaan door de mishandeling. Mijn bril was verbogen en het brilmontuur is gescheurd. In mijn kleding zit bloed en dat krijg ik er niet meer uit.

Ik hoorde op de camping dat de man die mij mishandeld had [verdachte] betrof.

2. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 9 november 2023 (p. 19-22), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige 1] :

Op 12 augustus 2023 was ik op camping [camping] te Afferden. De jongen (het hof begrijpt: de zoon van de verdachte) liep weg en zei nog dat hij zijn vader ging halen. In een keer hoorde ik een geschreeuw van de jongen die riep “Daar is hij papa.” Ik zag dat de vader van deze jongen met een versnelde pas op ons af kwam lopen en ik zag dat hij boos keek. Ik kon aan zijn houding zien dat hij boos was.

Ik zag dat deze man mijn man bij zijn schouder pakte en iets tegen hem zei in de zin van “Je bedreigt mijn zoon”. Ik zag dat deze man mijn man meteen een kopstoot gaf. Ik zag dat mijn man op zijn gezicht, op zijn shirt en op zijn handen onder het bloed zat. Ik zag dat mijn man's rechterwenkbrauw open was gesprongen.

Ik kreeg via de eigenaar van Camping [camping] te horen dat de man die mijn man aanviel [verdachte] heet.

3. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 20 november 2023 (p. 13-15), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige 2] :

Ik ben werkzaam op camping [camping] in Afferden. Op 12 augustus 2023 stond ik achter de bar. Ik zag dat de zoon van [verdachte] huilend uit de speeltuin kwam en naar zijn vader liep. Daarop zag ik dat [verdachte] helemaal overstuur richting de speeltuin liep. Ik liep er meteen achteraan omdat ik dacht dat dit fout zou gaan. Ik ken [verdachte] al wat langer dus ik zag dat hij boos was.

Ik hoorde de zoon van [verdachte] ineens tegen zijn vader roepen 'Daar loopt hij'. Daarop hoorde ik dat [verdachte] de man aanriep. Toen ik de hoek omkwam zag ik dat [verdachte] de man op de grond gooide. Ik zag dat de man zich probeerde te verdedigen. Ik zag ook dat de man die op de grond lag bloed op zijn voorhoofd had.

4. Het proces-verbaal van getuigenverhoor van de getuige [getuige 2] door de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit gerechtshof, d.d. 8 januari 2026, voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige 2] voornoemd:

[verdachte] liep naar beneden toe. Ik zei tegen mijn vrouw dat ik er beter achteraan kon gaan omdat ik dacht dat het uit de hand kon lopen, want je zag aan [verdachte] dat hij boos was. Er zat denk ik 15 tot 20 seconden tussen het moment dat [verdachte] was vertrokken en ik erachteraan ging. Toen ik de hoek om kwam zag ik een meneer op de grond liggen met een bebloed voorhoofd en [verdachte] erbovenop. Die meneer lag op de grond op zijn rug, [verdachte] zat op de borst van die meneer met zijn knie.

5. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 7 november 2023 (p. 16-18), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige 3] :

V: Kunt u zo gedetailleerd mogelijk verklaren wat u zag?

A: Op 12 augustus 2023 bevond ik mij op het terras tegenover het zwembad op camping [camping] . De vader van het kindje dat geduwd werd (het hof begrijpt: de benadeelde partij [slachtoffer]) vroeg aan de andere vader (het hof begrijpt: de verdachte) of het normaal was dat er geduwd werd op de trampoline. De andere vader reageerde hier al meteen heel erg fel op. Ik hoorde dat de vader van het duwende kind begon te schreeuwen. Ik zag dat de man van het duwende kind daarna ook nog een harde kopstoot gaf tegen de andere vader. Hierop viel deze vader op de grond. Ik zag dat deze vader meteen bloed had bij de neus en mond en dat dit bloed naar de kin liep. Ik zag ook dat de bril van de man was afgevallen. Ik zag dat man die de mishandeling pleegde daarna ook boven op de andere man sprong.

V: Weet u wie deze man is?

A: Dit betreft een vaste gast van de camping. Volgens mij heeft hij [verdachte] .

6. Het proces-verbaal van getuigenverhoor van de getuige [getuige 3] door de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit gerechtshof, d.d. 8 januari 2026, voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige 3] voornoemd:

Raadsman: Kunt u nog eens omschrijven wat er volgens uw herinnering gebeurde?

Getuige: In eerste instantie werd er zoals het op het oog leek een beetje gepraat. Toen deelde de verdachte een kopstoot uit waardoor het slachtoffer op de grond viel. De verdachte sprong er toen echt bovenop.

Raadsheer-commissaris: U zegt de verdachte sprong er bovenop.

Getuige: Ik weet niet hoe ik dat moet uitleggen. De verdachte gaf die kopstoot, die andere man viel en de verdachte ging er bovenop. De getuige maakt een beweging waarbij ze haar lichaam van achteren naar voren beweegt en haar armen gebogen naar voren houdt. Na die kopstoot viel de andere man op zijn rug en hij probeerde een beetje naar de zijkant te draaien, meer een beschermende houding.

Raadsheer-commissaris: Heeft u gezien of het slachtoffer ook fysieke handelingen heeft gedaan in de richting van de verdachte?

Getuige: Alleen afweren.

Raadsman: Heeft u op enig moment gezien dat zij met de hoofden tegen elkaar aan stonden?

Getuige: Dat was secondewerk voordat de kopstoot werd uitgedeeld, na de duw. Het slachtoffer was terug op zijn voeten, toen stonden zij best dicht op elkaar door het terug stappen, dat was toen secondewerk waarop zij heel dicht bij elkaar hebben gestaan.

Raadsman: Als ik u goed begrijp dan heeft u qua geweldshandelingen gezien dat er in eerste instantie werd geduwd door verdachte, daarop de andere meneer struikelde, wankelde en terugkwam. U heeft dat weren of afweren genoemd. Nadat zij dichtbij elkaar waren is er een kopstoot uitgedeeld, de andere meneer is op de grond gevallen…

Getuige: Ja en toen is de verdachte er letterlijk meteen bovenop gesprongen. De verdachte zat op hem.

7. Een overig geschrift, te weten een geneeskundige verklaring, betreffende het slachtoffer [slachtoffer] d.d. 17 november 2023 (p. 41), voor zover inhoudende als verklaring van [arts] , huisarts:

Medische informatie betreffende:

Achternaam: [slachtoffer]

Voornamen: [slachtoffer]

Geboren: [geboortedag 2] 1992

Geboorteplaats: [geboorteplaats 2]

Omschrijving van het letsel:

Uitwendig waargenomen letsel: Scheurwond rechterwenkbrauw aan de kant van de neus. Is gehecht.

Datum waarop voornoemde persoon werd onderzocht: 12 augustus 2023.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging vrijspraak bepleit. Hiertoe heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier voorhanden is om tot een bewezenverklaring te komen. De raadsvrouw van de verdachte heeft in dat kader naar voren gebracht dat de verklaringen van getuige [getuige 3] onvoldoende betrouwbaar zouden zijn om als steunbewijs gebruikt te worden, omdat hierin discrepanties zouden zitten ten opzichte van de aangifte en overige getuigenverklaringen. Voorts kan volgens de raadsvrouw van de verdachte niet met zekerheid gesteld worden dat het letsel dat bij de benadeelde partij [slachtoffer] is ontstaan het gevolg is van de tenlastegelegde handelingen. Hieromtrent wijst zij op het door de verdachte aangebrachte alternatieve scenario, waarbij het letsel zou zijn ontstaan doordat de verdachte en [slachtoffer] elkaar vasthielden en samen op de grond vielen, waarbij de verdachte met zijn elleboog op het gezicht van [slachtoffer] zou zijn gevallen.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Ten aanzien van de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen stelt het hof voorop dat de selectie en waardering van het beschikbare bewijsmateriaal is voorbehouden aan het hof. Ook de vraag of bepaalde verklaringen gelet op hun betrouwbaarheid voor het bewijs kunnen worden gebruikt is een kwestie van waardering van het bewijs en daarmee voorbehouden aan het hof. In deze zaak zijn verschillende getuigen gehoord, zowel door de politie als door de raadsheer-commissaris. Het hof is van oordeel dat de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] onafhankelijke getuigen zijn; zij hebben geen directe (familiaire) connectie met de verdachte, dan wel met de benadeelde partij [slachtoffer] en hebben het incident van dichtbij meegemaakt. De discrepanties in de getuigenverklaring van getuige [getuige 3] ten opzichte van de aangifte en overige getuigenverklaringen die door de raadsvrouw van de verdachte worden omschreven, herkent het hof niet. De getuigenverklaring is consistent en sluit aan bij het verhaal van de aangever en haar verklaring bij de raadsheer-commissaris bevestigt dit verhaal. Ook vindt deze verklaring op onderdelen bevestiging in de verklaring van de onafhankelijke getuige [getuige 2] en in de verklaring van de partner van de aangever. Het hof acht daarmee de getuigenverklaring van [getuige 3] betrouwbaar om als bewijsmiddel in deze zaak gebezigd te worden.

Ten aanzien van het door de raadsvrouw van de verdachte geschetste alternatieve scenario overweegt het hof dat dit scenario niet aannemelijk is geworden. Zoals hiervoor overwogen gaat het hof uit van de verklaringen van de getuigen [getuige 3] en [getuige 2] , omdat deze getuigen de meest onafhankelijke getuigen zijn. Hun verklaringen weerspreken het scenario zoals door verdachte geschetst op verschillende onderdelen. Zo weerspreken de getuigenverklaringen de verklaring van de verdachte dat het letsel van aangever [slachtoffer] zou zijn ontstaan doordat de verdachte op zijn gezicht zou zijn gevallen. Getuige [getuige 2] omschrijft hoe de verdachte [slachtoffer] op de grond gooide, terwijl [slachtoffer] zich probeerde te verdedigen en waarbij hij op dat moment reeds bloedde in het gezicht. Getuige [getuige 3] omschrijft hoe de verdachte [slachtoffer] , na de kopstoot (waarbij zij direct bloed zag in het gezicht van [slachtoffer] ) hem eerst op de grond duwde en daarna boven op hem sprong. Door verschillende getuigen is verklaard dat de verdachte vervolgens bovenop [slachtoffer] zat. Ook door de partner van de aangever is verklaard dat zij na de kopstoot zag hoe [slachtoffer] in het gezicht bloedde. Het hof stelt op grond hiervan vast dat het letsel reeds is ontstaan voordat de verdachte en [slachtoffer] samen op de grond belandden. Het hof schuift het door de verdediging opgeworpen alternatieve scenario dan ook als ongeloofwaardig terzijde.

Het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging wordt derhalve verworpen.

Op grond van de gebezigde en door het hof betrouwbaar aangemerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:
mishandeling.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen sanctie

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw van de verdachte primair bepleit dat het hof zal volstaan met de oplegging van een voorwaardelijke taakstraf zoals zou volgen uit de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en daarbij rekening houdt met het tijdsverloop en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat het hof in ieder geval niet een straf zal opleggen die hoger uitkomt dan deze oriëntatiepunten voorschrijven.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Het hof heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling. Hij heeft aan de benadeelde partij een kopstoot gegeven, waardoor letsel is ontstaan. Dit alles gebeurde op een camping, voor de ogen van hele jonge kinderen, waaronder zijn eigen kind en het kind van de aangever. Dit heeft logischerwijs een diepe indruk achtergelaten bij het slachtoffer en de mensen die eromheen stonden. De verdachte heeft door zijn handelen de lichamelijke integriteit van het slachtoffer aangetast. De verdachte heeft met zijn handelswijze zich daar geen enkele rekenschap van gegeven, hetgeen hem door het hof wordt aangerekend.

Het hof heeft voorts acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 9 maart 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte. Daaruit blijkt dat de verdachte eerder, maar niet in de afgelopen vijf jaren, onherroepelijk is veroordeeld voor geweldsdelicten. Deze veroordelingen hebben de verdachte er niet van weerhouden opnieuw een strafbaarfeit te begaan.

Voorts heeft het hof acht geslagen op het reclasseringsadvies d.d. 15 februari 2024. Hieruit komt naar voren dat de leefgebieden op orde lijken te zijn. Er kunnen geen (in)directe verbanden worden gelegd tussen de verdenking en mogelijke criminogene- of beschermende factoren. Een plan van aanpak met toezicht en/of interventies wordt niet geadviseerd. Het risico op recidive kan niet worden ingeschat.

Daarnaast heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. In dat kader heeft de verdediging gewezen op het feit dat de verdachte zzp’er is, maar door lichamelijke klachten beperkt wordt in zijn mogelijkheden. Ook toont de verdachte tekenen van een burn-out. De verdachte gebruikt pijn- en slaapmedicatie voor zijn klachten. De verdediging heeft voorts gewezen op de grote gevolgen die het campingverbod voor de verdachte heeft. Hij is niet meer welkom op de camping waar hij jarenlang met zijn familie stond en heeft zijn caravan met verlies moeten verkopen.

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf tevens de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) in aanmerking genomen. Volgens de LOVS-oriëntatiepunten kan bij een mishandeling door een kopstoot, lichamelijk letsel ten gevolge hebbend, een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 120 uren als oriëntatiepunt aangehouden worden.

Alles afwegende acht het hof oplegging van een taakstraf voor de duur van 120 uren passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 949,19, bestaande uit € 249,19 aan materiële schade en € 700,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De materiële schadevordering valt uiteen in de volgende onderdelen:

Bril € 199,20

Korte broek € 29,99

T-shirt € 20,00.

Bij het vonnis waarvan beroep is de vordering toegewezen tot een totaalbedrag van

€ 949,19, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 augustus 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.

De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven.

De verdediging heeft de vordering ter terechtzitting in hoger beroep betwist en heeft daarbij mede gewezen op de verweren die in eerste aanleg zijn gevoerd, welke derhalve als herhaald en opnieuw ingelast zullen worden beschouwd. In dat kader is primair door de verdediging naar voren gebracht dat onvoldoende duidelijk is geworden dat het letsel het gevolg is van het bewezenverklaarde, wat ertoe zou moeten leiden dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering tot schadevergoeding. Subsidiair is bepleit dat het hof de vordering ten aanzien van de materiële schade niet-ontvankelijk dient te verklaren, omdat deze schade niet goed onderbouwd zou zijn en het een feit van algemene bekendheid zou zijn dat bloedvlekken op koude temperatuur gewassen moeten worden. Meer subsidiair is bepleit dat de immateriële schadevergoeding gematigd zou moeten worden, omdat er een mate van eigen schuld aan de kant van de benadeelde partij zou bestaan doordat deze een vorm van confrontatie heeft gezocht bij het kind van de verdachte.

Het hof overweegt als volgt

Uit het onderzoek ter terechtzitting is, anders dan de verdediging, gebleken dat het door de verdediging gevoerde scenario dat het letsel bij de benadeelde partij is ontstaan nadat de verdachte op het gezicht van de benadeelde partij zou zijn gevallen, onaannemelijk is. Uit de gebezigde en door het hof als betrouwbaar aangemerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, blijkt dat het niet is gegaan zoals de verdachte heeft verklaard. Dit weerspreekt de verklaring van de verdachte en daarmee ook de verklaring dat het letsel is ontstaan door een val. Wat resteert is de conclusie dat het letsel is ontstaan als gevolg van de kopstoot. Het hof verwerpt daarmee dit verweer.

Gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, is het hof van oordeel dat voldoende verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de door de benadeelde partij gevorderde schade om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden.

Materiële schade

Anders dan de verdediging, acht het hof het aannemelijk dat als gevolg van deze geweldshandeling schade is ontstaan aan de bril en kleding van de benadeelde partij. Hierover is ook door meerdere getuigen verklaard. Deze schade is voldoende onderbouwd middels het voegingsformulier en hetgeen ter terechtzitting namens de benadeelde partij naar voren is gebracht. Het hof erkent niet dat het een feit van algemene bekendheid zou zijn dat bloedvlekken op koude temperatuur gewassen moeten worden. In ieder geval heeft de benadeelde partij naar het oordeel van het hof, conform het oordeel van de politierechter, zijn schadebeperkingsplicht niet geschonden.

Op grond van het voorgaande zal het hof de vordering ten aanzien van de materiële schade geheel toewijzen.

Immateriële schade

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 700,- aan immateriële schade. De benadeelde partij heeft de vordering gebaseerd op artikel 6:106 sub b BW. Vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 sub b BW is mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer of goede naam of 'op andere wijze' in zijn persoon is aangetast.​

Het hof stelt vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit, te weten een scheurwond bij de rechterwenkbrauw aan de kant van de neus, een litteken ten gevolge hebbende.

Immateriële schade wordt naar billijkheid begroot met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt. Verder wordt bij de begroting, zoveel als mogelijk, gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.

Het hof ziet, anders dan de verdediging, geen aanleiding om het bedrag te matigen op grond van eigen schuld. Het hof is van oordeel dat er geen sprake is van een mate van eigen schuld aan de kant van de benadeelde partij doordat deze het kind van de verdachte had aangesproken op zijn speelgedrag. Het door een volwassene aanspreken van een kind over gedrag tijdens een speelactiviteit is geenszins reden om door een andere volwassene mishandeld te worden. De reactie daarop door de verdachte was buitensporig.

Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend is het hof van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. Het hof wijst de vordering van de benadeelde partij daarom geheel toe.

Wettelijke rente

Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 augustus 2023, zijnde het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening.

Proceskosten

Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de kosten en de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer] is toegebracht tot een bedrag van € 949,19. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen tot een bedrag van € 949,19, te vermeerderen met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 9 dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 949,19 (negenhonderdnegenenveertig euro en negentien cent) bestaande uit € 249,19 (tweehonderdnegenenveertig euro en negentien cent) als vergoeding van materiële schade en € 700,00 (zevenhonderd euro) als vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 augustus 2023 tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 949,19 (negenhonderdnegenenveertig euro en negentien cent) bestaande uit € 249,19 (tweehonderdnegenenveertig euro en negentien cent) aan materiële schadevergoeding en € 700,00 (zevenhonderd euro) aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 augustus 2023 tot aan de dag der voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogte 9 dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Aldus gewezen door:

mr. G.M. Goes, voorzitter,

mr. C.A. van Roosmalen en mr. M.J.M.A. van der Put, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.D. van Zaalen, griffier,

en op 29 juni 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Artikel delen