ECLI:NL:HR:2025:1150text/xmlpublic2025-07-11T11:56:582025-07-11Raad voor de RechtspraaknlHoge Raad2025-07-1125/00852UitspraakCassatieNLBestuursrecht; BelastingrechtIn cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2025:462Rechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2025:1150text/htmlpublic2025-07-11T11:55:532025-07-11Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:HR:2025:1150 Hoge Raad , 11-07-2025 / 25/00852 HR verklaart het beroep in cassatie n-o.
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 25/00852
Datum 11 juli 2025 ARREST op het door [X] (hierna: belanghebbende), vertegenwoordigd door R. Zilver, ingestelde beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 januari 2025, nr. BK-ARN 23/1199. 1Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 11 april 2025 gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en voor de betaling daarvan een termijn van vier weken gesteld. Deze brief is volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL afgeleverd op het door belanghebbende opgegeven adres. Het griffierecht is niet voldaan.
De griffier van de Hoge Raad heeft op 14 mei 2025 een bericht in het digitale dossier van belanghebbende geplaatst waarbij belanghebbende in de gelegenheid is gesteld mee te delen waarom het griffierecht niet is betaald. Van de plaatsing van het hiervoor vermelde bericht in dit digitale dossier is eveneens op 14 mei 2025 een kennisgeving verzonden naar het door belanghebbende voor dit doel opgegeven e-mailadres. Op grond hiervan neemt de Hoge Raad aan dat belanghebbende dit bericht heeft ontvangen, en wel, gelet op artikel 8:36c, lid 2, Awb, op 14 mei 2025.
Belanghebbende heeft van de hiervoor bedoelde gelegenheid geen gebruikgemaakt. Het beroep in cassatie moet daarom op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb niet-ontvankelijk worden verklaard. 2Proceskosten De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. 3Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2025. ECLI:NL:GHARL:2025:462.