Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:HR:2025:391

Oplichting, meermalen gepleegd (art. 326.1 Sr), misbruik maken van identificerende persoonsgegevens, meermalen gepleegd (art. 231b Sr) en diefstal, meermalen gepleegd (art. 310 Sr). Nietigheid uitspraak, nu beëdiging raadsheer-plaatsvervanger die zitting had in meervoudige kamer hof niet had plaatsgevonden waardoor benoeming niet was ingegaan. Is uitspraak hof gewezen door vereist aantal raadsh...

Hoge Raad 18 March 2025

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:HR:2025:391 text/xml public 2025-03-18T14:40:22 2025-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2025-03-18 23/04376 Uitspraak Cassatie NL Strafrecht Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:325 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2025:391 text/html public 2025-03-18T14:40:01 2025-03-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2025:391 Hoge Raad , 18-03-2025 / 23/04376
Oplichting, meermalen gepleegd (art. 326.1 Sr), misbruik maken van identificerende persoonsgegevens, meermalen gepleegd (art. 231b Sr) en diefstal, meermalen gepleegd (art. 310 Sr). Nietigheid uitspraak, nu beëdiging raadsheer-plaatsvervanger die zitting had in meervoudige kamer hof niet had plaatsgevonden waardoor benoeming niet was ingegaan. Is uitspraak hof gewezen door vereist aantal raadsheren (art. 5.2 RO)? Uit stukken, die zijn weergegeven in CAG PHR:2024:435, blijkt dat bedoelde persoon bij koninklijk besluit van 14-3-2023 is benoemd tot raadsheer-plaatsvervanger “met als datum van indiensttreding de datum van beëdiging”. Op moment van uitspraak hof (op 27-10-2023) was deze persoon niet beëdigd als raadsheer-plaatsvervanger, zodat betreffende benoeming nog niet was ingegaan. Dat betekent dat arrest van meervoudige kamer hof niet door 3, maar door 2 raadsheren is gewezen en dat die uitspraak daarom nietig is o.g.v. art. 5.2 RO (vgl. HR:2017:2561).

Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 23/04377 P.

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/04376

Datum 18 maart 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 oktober 2023, nummer 21-004361-21, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,

hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R. Schreudering, advocaat in Utrecht, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2Beoordeling van het cassatiemiddel 2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het arrest van het hof nietig is, omdat één van de personen die dit arrest heeft gewezen, op het moment van de uitspraak niet als raadsheer-plaatsvervanger beëdigd was, waardoor de benoeming van deze persoon tot raadsheer-plaatsvervanger nog niet was ingegaan.
2.2
Uit de stukken die zijn weergegeven in de conclusie van de procureur-generaal in de zaak onder nummer 23/04238, ECLI:NL:PHR:2024:435, blijkt dat de hiervoor bedoelde persoon bij koninklijk besluit van 14 maart 2023 is benoemd tot raadsheer-plaatsvervanger “met als datum van indiensttreding de datum van beëdiging”. Op het moment van de uitspraak van het hof (op 27 oktober 2023) was deze persoon niet beëdigd als raadsheer-plaatsvervanger, zodat de betreffende benoeming nog niet was ingegaan. Dat betekent dat het arrest van de meervoudige kamer van het hof niet door drie, maar door twee raadsheren is gewezen en dat die uitspraak daarom nietig is op grond van artikel 5 lid 2 van de Wet op de rechterlijke organisatie (vgl. HR 6 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2561).
2.3
Het cassatiemiddel slaagt.
3Beslissing
De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof;

- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 maart 2025.

Artikel delen