Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:OGAACMB:2026:38

Beëindiging tijdelijke aanstelling. Het dienstverband is tijdig en op rechtsgeldige wijze opgezegd. Het Gerecht oordeelt dat de Regering het dienstverband mocht beëindigen, nu klaagster herhaaldelijk regels en instructies niet heeft nageleefd, waaronder het niet dragen van voorgeschreven uniformonderdelen en het zonder melding afwezig zijn op de werkvloer. Ondanks meerdere waarschuwingen heeft ...

Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 29 June 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:OGAACMB:2026:38 text/xml public 2026-06-29T18:44:36 2026-06-29 Raad voor de Rechtspraak nl Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 2026-02-13 CUR202505061 Uitspraak Bodemzaak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Bestuursrecht; Ambtenarenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGAACMB:2026:38 text/html public 2026-06-29T18:42:32 2026-06-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:OGAACMB:2026:38 Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba , 13-02-2026 / CUR202505061
Beëindiging tijdelijke aanstelling. Het dienstverband is tijdig en op rechtsgeldige wijze opgezegd. Het Gerecht oordeelt dat de Regering het dienstverband mocht beëindigen, nu klaagster herhaaldelijk regels en instructies niet heeft nageleefd, waaronder het niet dragen van voorgeschreven uniformonderdelen en het zonder melding afwezig zijn op de werkvloer. Ondanks meerdere waarschuwingen heeft zij haar gedrag niet aangepast. Het bezwaar wordt ongegrond verklaard.
GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN CURAÇAO
Uitspraak

in de zaak van:
[Klaagster],
wonende te Curaçao,

klaagster,

gemachtigde: A.V.E. Vilchez,

tegen
de Regering van Curaçao,
verweerster,

hierna: de Regering,

gemachtigde: mr. J.G. Ricardo.
Inleiding 1.1
In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht het besluit van 11 september 2025, door klaagster ontvangen bij e-mail van 18 november 2025. De Regering heeft daarbij het tijdelijke dienstverband van klaagster beëindigd door haar met ingang van 1 oktober 2025 eervol ontslag te verlenen (het ontslagbesluit).
1.2
Daartegen heeft klaagster bezwaar gemaakt en het Gerecht verzocht om een beslissing bij voorraad (CUR202505060).
1.3
De Regering heeft een contramemorie ingediend.
1.4
Het bezwaar is op 26 januari 2026 ter zitting behandeld. Klaagster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Namens de Regering is de gemachtigde verschenen, die was vergezeld door [teamleider] (hierna: [teamleider), teamleider beveiliging bij Sentro di Detenshon i Korekshon Kòrsou (hierna: SDKK). Klaagster heeft het verzoek om een beslissing bij voorraad ter zitting ingetrokken.
Overwegingen
2. Het Gerecht beoordeelt in deze uitspraak het ontslagbesluit aan de hand van de bezwaargronden van klaagster. Het Gerecht komt tot het oordeel dat het bezwaar ongegrond is. Hierna legt het Gerecht uit hoe hij tot dit oordeel komt.

Wat is relevant om te weten in deze zaak?
3.1
Klaagster volgt via het Opleidingsinstituut Rechtshandhaving & Veiligheidszorg (ORV) een opleiding tot beveiligingsmedewerker. Bij landsbesluit van 27 augustus 2024 is klaagster in tijdelijke dienst benoemd als aspirant-beveiligingsmedewerker en tewerkgesteld bij SDKK zodat ze daar het praktische deel van haar opleiding kon doen. De opleider van klaagster bij het ORV was [opleider], Sector Manager Post Initiële Opleiding & Leiderschapstrajecten (hierna: de opleider).
3.2
Bij e-mail van 5 juni 2025 heeft de opleider klaagster erop gewezen dat ze zich herhaaldelijk niet aan de regels houdt. In deze e-mail heeft de opleider vermeld dat klaagster meerdere malen is aangesproken op het niet dragen van een pet, hetgeen volgens hem in strijd is met de geldende voorschriften. Ondanks meerdere waarschuwingen bleef klaagster deze regel overtreden, aldus de opleider. Verder heeft de opleider vermeld dat dit gedrag onacceptabel is, dat de e-mail als een laatste waarschuwing geldt en dat bij verdere overtreding disciplinaire maatregelen zullen volgen.
3.3
Op 6 juni 2025 heeft klaagster, op hun uitnodiging daartoe, gesproken met de waarnemend directeur (hierna: de wnd. directeur), het Unithoofd Beveiliging (het Unithoofd) en het hoofd Human Resources (hierna: hoofd HRM) van SDKK. Daarbij werd onder meer besproken het feit dat klaagster herhaaldelijk is aangesproken op het niet dragen van een pet tijdens werkuren en het feit dat zij op 26 en 28 mei 2025 zonder afmelding niet is verschenen bij de post VODC waar zij op die dagen werkzaam had moeten zijn.
3.4
Klaagster heeft bij e-mailbericht van 11 juni 2025 gereageerd op de e-mail van de opleider van 5 juni 2025. Zij heeft daarbij, kort gezegd, aan de opleider bericht dat er geen reglement van het ORV bestaat waaruit volgt dat het dragen van een pet verplicht is en evenmin dat de pet deel uitmaakt van het uniform. Ook heeft ze vermeld dat ze de pet als cadeau heeft ontvangen van SDKK. Klaagster heeft de opleider verzocht zijn beslissing te herzien, zodat de waarschuwing uit haar dossier wordt verwijderd.
3.5
Op 11 juni 2025 heeft het hoofd HR een rapport opgesteld en geadresseerd aan de wnd. directeur waarin is vermeld dat klaagster zich schuldig heeft gemaakt aan “dienstweigering (plichtsverzuim)” op 26 en 28 mei 2025.
3.6
Klaagster heeft bij brief van 18 juni 2025 gericht aan de wnd. directeur van SDKK gereageerd op het even genoemde rapport van 11 juni 2025. In haar reactie heeft zij vermeld dat zij zich op 26 en 28 mei 2025 niet bij de post waar zij volgens het dienstrooster was ingedeeld heeft gemeld, omdat zij naast de opleiding Beveiliging ook de spw-opleiding volgde, bedoeld wordt de opleiding Sociaal Pedagogisch Werk, en bezig was met het afmaken van enkele opdrachten voor die opleiding. Zij had een beveiliger gevraagd om aan de leidinggevende door te geven dat zij “langer zou blijven”, maar heeft niet gecontroleerd of de beveiliger haar bericht had doorgegeven. Klaagster heeft ook vermeld dat zij tijdens het gesprek van 6 juni 2025 spontaan had gezegd dat zij de post VODC niet prettig vond en zich daarom niet had gemeld op de eerdergenoemde dagen, maar dat het niet haar bedoeling was om het zo te zeggen”. Klaagster heeft zich bereid verklaard om “op zaterdag die twee dagen te komen invullen”. Verder heeft klaagster vermeld “op de hoogte te zijn dat ze af en toe een gevoel geeft te mondig te zijn” en dat ze bereid is om onder begeleiding van een mentor hieraan te werken om haar opleiding met goed gevolg af te ronden.
3.7
Bij rapport van 18 juli 2025 heeft de opleider vastgelegd dat klaagster op die datum opnieuw is aangetroffen op het opleidingsterrein zonder pet, hetgeen, aldus de opleider, in strijd is met Bekendmaking nr. 03/2018 – Algemene gedragsregels opleidingen, artikel 15, waarin is bepaald dat studenten tussen 07:30 en 16:30 het volledige uniform dienen te dragen. Verder is in het rapport vermeld dat het gedrag van klaagster duidt op een structureel tekortschieten in het naleven van de geldende regels en verwachtingen, zoals die gelden binnen de opleiding en tijdens de stage. Herhaaldelijk negeren van uniforme voorschriften, in combinatie met onvoldoende taakuitvoering, wijst, aldus de opleider, op een gebrek aan professionele houding en is niet in overeenstemming met de kernwaarden en gedragsnormen die door de ORV worden gehanteerd en verwacht van iedere student.
3.8
Op 1 augustus 2025 heeft klaagster een gesprek gehad met de wnd. directeur, het Unithoofd en het Hoofd HRM, waarin aan haar is meegedeeld dat haar dienstverband met ingang van 1 oktober 2025 wordt beëindigd. In het daarvan opgemaakte verslag is verder onder meer vermeld: “Tijdens het gesprek werd tevens besproken dat zij gedurende haar stageperiode bij SDKK niet bevoegd was om een andere opleiding of stage te volgen. Dit was haar vanaf de start van de opleiding duidelijk meegedeeld door de opleidingscoördinator. Desondanks heeft betrokkene zonder toestemming van haar leidinggevende of een ander bevoegd persoon een activiteit uitgevoerd voor haar externe opleiding SPW, en dit tijdens haar werkuren als aspirant-beveiliger. Zij heeft daarbij tegenover de coördinator OVT onterecht aangegeven dat zij hiervoor toestemming had gekregen. Daarnaast kwam haar attitude ter sprake. Na het gesprek van 6 juni 2025 had betrokkene een gesprek aangevraagd met de waarnemend directeur, waarin zij aangaf dat zij de regels binnen ORV en SDKK te streng vindt en dit als onprettig ervaart. Zij gaf daarbij tevens aan ontslag te willen nemen, aangezien het volgens haar eenvoudig is om elders werk te vinden.”
3.9
Het salaris van klaagster is tot en met eind september 2025 zoals gebruikelijk uitbetaald. Over de maand oktober 2025 heeft klaagster in plaats van haar salaris een bedrag van Cg 417,75 ontvangen. Bij e-mailbericht van 18 november 2025 heeft klaagster het ontslagbesluit ontvangen. Het tegen de stopzetting van haar salaris door klaagster gemaakte bezwaar is door het Gerecht bij uitspraak van 12 december 2025 gegrond verklaard, omdat het salaris van klaagster, kort gezegd, is stopgezet voordat het ontslagbesluit aan haar was uitgereikt. Het Gerecht heeft daarbij bepaald dat het nog aan klaagster verschuldigde salaris over de maand oktober 2025, tot aan de datum waarop het besluit van 11 september 2025 aan haar is uitgereikt, alsnog aan haar moet worden voldaan.
3.10
De Regering heeft aan het ontslagbesluit ten grondslag gelegd dat klaagster gedurende haar tijdelijke aanstelling structureel regels en instructies heeft genegeerd en gedrag heeft vertoond dat niet verenigbaar is met de binnen de opleiding geldende normen van discipline. Ondanks herhaalde waarschuwingen, waaronder de laatste schriftelijke waarschuwing zoals uiteengezet in overweging 3.2, zou klaagster geen verbetering hebben laten zien. Op 18 juli 2025 zou zij opnieuw de kledingvoorschriften op het opleidingsterrein hebben overtreden. Ook zou uit het wachtrapport blijken dat klaagster op 26 en 28 mei 2025, zonder voorafgaande melding, niet is verschenen op de aangewezen post. De Regering merkt dit aan als dienstweigering en stelt dat dit een ernstige schending is van de geldende afspraken en discipline-eisen binnen het opleidingstraject. Gelet hierop heeft klaagster volgens de Regering niet voldaan aan de eisen en verwachtingen die redelijkerwijs aan haar mochten worden gesteld. Tijdens een gesprek op 1 augustus 2025 is haar volgens de Regering daarom meegedeeld dat het dienstverband na 1 oktober 2025 niet zou worden voortgezet. In het bestreden ontslagbesluit verwijst de Regering verder naar artikel 99, eerste lid, tweede lid en onder b, en het vijfde lid van de Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht (LMA).

Wat zijn de standpunten van partijen?
4.1
Klaagster voert aan dat de Regering onzorgvuldig heeft gehandeld door voor de motivering van het ontslagbesluit te verwijzen naar waarschuwingen en rapporten terwijl zij daartegen bij de wnd. directeur SDKK bezwaar had gemaakt zonder dat die bezwaren eerst zijn afgehandeld. Zij is niet gehoord daarover en heeft niet eens een reactie ontvangen op haar bezwaren. De opgestelde rapporten zijn verder ook onvolledig en onvoldoende gespecificeerd en zij zijn opgesteld zonder dat met klaagster hierover is gesproken vooraf. Gelet hierop heeft de Regering gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Zij heeft verder ook geen kledingvoorschriften geschonden want het klopt niet dat de pet deel uitmaakt van het uniform. Zij meent dat het ontslag daarom onterecht is en uitsluitend ingegeven door het feit dat zij mondig is en haar beoordelaars haar misschien brutaal vinden.
4.2
De Regering stelt zich op het standpunt dat het ontslag gerechtvaardigd is omdat klaagster ondanks dat ze steeds op haar gedrag is aangesproken stelselmatig nalaat zich aan de in het kader van haar opleiding geldende regels en gemaakte afspraken te houden. Haar attitude is niet passend voor iemand die een opleidingstraject doorloopt, vooral omdat ze zich niet laat corrigeren. Gelet daarop dient het ontslag in stand te blijven.

Is tijdig opgezegd?
5.1
Artikel 99, tweede lid, aanhef en onder b, van de LMA bepaalt dat aan de ambtenaar in tijdelijke dienst, die voor onbepaalde tijd is benoemd, eervol ontslag kan worden verleend, mits een opzeggingstermijn in acht wordt genomen van, voor zover hier van belang, twee maanden ingeval de betrokkene bij het begin van de opzeggingstermijn laatstelijk zes maanden of langer, doch korter dan twaalf maanden, onafgebroken in dienst was.
5.2
Niet in geschil is dat op 1 augustus 2025 het dienstverband mondeling aan klaagster is opgezegd per 1 oktober 2025. Een wettelijke verplichting tot schriftelijke opzegging ontbreekt zodat sprake is van een geldige opzegging. Klaagster is met ingang van 1 september 2024 aangesteld als aspirant-beveiligingsmedewerker dus was ze ten tijde van de opzegging korter dan twaalf maanden in dienst. Op grond van artikel 99, tweede lid, aanhef en onder b, van de LMA gold een opzeggingstermijn van twee maanden. Aldus heeft de Regering de opzeggingstermijn correct vastgesteld en het dienstverband van klaagster tijdig opgezegd. De opzegging van het dienstverband van klaagster heeft dus tijdig en correct plaatsgevonden.

Mocht de Regering het dienstverband beëindigen?
6.1
Klaagster stelt dat ze geen reactie heeft ontvangen op de brieven waarin ze reageert op de mail van de opleider van 5 juni 2025 en het rapport van 11 juni 2025 van het hoofd HR aan de wnd. directeur SDKK. Zij meent dat het ontslagbesluit daarom al in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel tot stand is gekomen. Deze bezwaargrond kan naar het oordeel van het Gerecht niet slagen al omdat een hoorplicht ontbreekt in een geval als het onderhavige waarbij een studente reageert op rapporten waarin ze op haar houding en gedrag wordt aangesproken. Bovendien

zijn de punten waarover klaagster is aangesproken en waartegen ze zich heeft verweerd besproken in het gesprek van 6 juni 2025. Tijdens dat gesprek en het gesprek van 1 augustus 2025 heeft klaagster voldoende gelegenheid gehad om zich te verweren tegen verwijten waarvan ze meende dat ze niet terecht waren.
6.2
Uit de door partijen overgelegde stukken en de door hen schriftelijk en ter zitting gegeven toelichting is komen vast te staan dat klaagster herhaaldelijk is aangesproken op het niet naleven van regels en afspraken die voor haar als student golden. Een van de punten waar klaagster herhaaldelijk op is aangesproken is het dragen van een pet onder werktijd. Duidelijk is geworden dat klaagster in plaats van zich te schikken aan wat haar opleiders van haar verwachtten steeds de keuze maakte om zich niet te houden aan de regels en zich te verzetten tegen rapporten waarin ze werd aangesproken op haar verkeerde attitude. Zo heeft ze zich verzet tegen de eerder genoemde mail van de opleider van 5 juni 2025 en het eerder genoemde rapport van het hoofd HR van 11 juni 2025. Dat, terwijl ze beide keren in overtreding was. Ze liet namelijk herhaaldelijk na een pet te dragen onder werktijd en is, zoals ter zitting is bevestigd door [teamleider] die toentertijd haar direct leidinggevende was, in ieder geval op 28 mei 2025 zonder voorafgaande melding niet verschenen bij de post waar zij was ingedeeld.
6.3
Niet in geschil is dat het voor klaagster duidelijk was dat de opleider ook de pet als onderdeel van het uniform zag en dat daarom van haar werd verwacht dat ze de pet gedurende studie-/werkuren moest dragen. Zelfs als die regel niet in een reglement zou zijn vastgelegd, had klaagster zich als student daaraan moeten houden. Overigens heeft haar opleider in zijn rapport van 18 juni 2025 vermeld waar de schriftelijke vastlegging van die regel te vinden is. Klaagster heeft ter zitting herhaald dat zij van mening is dat de pet geen onderdeel is van het uniform en dat ze daarom niet verplicht was om die te dragen. Hiermee heeft klaagster er blijk van gegeven niet in te zien dat het niet aan haar was om de door het opleidingsinstituut vastgestelde regels aan te passen aan wat volgens haar correct of wenselijk was. Voor zover klaagster een beroep heeft willen doen op het gelijkheidsbeginsel door te stellen dat de overige medewerkers van SDKK niet altijd een pet droegen maar desondanks niet werden ontslagen, slaagt dat niet. Klaagster was student en geen medewerker bij de SDKK en met haar is uitdrukkelijk afgesproken dat ze een pet moest dragen onder diensttijd. Van gelijke gevallen is reeds daarom geen sprake.
6.4
Tijdens het gesprek van 6 juni 2025 heeft klaagster, blijkens het door haar opgestelde “verweerschrift” van 18 juni 2025, verklaard dat ze de post VODC geen prettige post vond en daarom is weggebleven op 26 en 28 mei 2025. Ter zitting is klaagster daarop teruggekomen en heeft ze verklaard dat ze op 26 mei 2025 met toestemming van [teamleider], die toentertijd haar direct leidinggevende was bij SDKK, afwezig was op de werkvloer in verband met een studieopdracht voor haar opleiding Sociaal Pedagogisch Werk (spw-opleiding). -. Klaagster lichtte toe dat voordat ze begon aan de tweejarige opleiding tot beveiligingsmedewerker, ze al een andere opleiding volgde, namelijk de vierjarige (spw-opleiding). Ook heeft ze verklaard dat, anders dan hetgeen de Regering stelt, haar aan het begin van haar opleiding niet door het ORV is meegedeeld dat ze de spw-opleiding niet tegelijk met de opleiding tot beveiligingsmedewerker mocht volgen. Ook heeft ze verklaard dat de opleidingscoördinator bij SDKK op de hoogte was dat ze onder werktijd wel eens bezig was met opdrachten van de spw-opleiding. Ter zitting heeft klaagster in dit verband een document overgelegd waarop te lezen is dat de opleidingscoördinator van SDKK haar op 4 juni 2025 vanaf 13.30 uur tot 14.30 uur toestemming heeft gegeven om haar stagebegeleider van de spw-opleiding te ontvangen bij SDKK. Volgens klaagster vond ze het gelet daarop niet nodig het ORV noch de opleider te verzoeken om toestemming om gedurende haar werkuren bij SDKK bezig te zijn met onderdelen van de spw-opleiding.
6.5 [
teamleider] heeft ter zitting bevestigd dat klaagster op 26 mei 2025 toestemming heeft gevraagd om afwezig te zijn in verband met opdrachten die ze moest uitvoeren voor de spw-opleiding. Verder heeft [teamleider] verklaard dat klaagster op 28 mei 2025 niet heeft gemeld dat ze afwezig zou zijn.
6.6
Met dat laatste is komen vast te staan dat klaagster zonder enige melding niet op de werkvloer is verschenen op in ieder geval 28 mei 2025. Klaagster lijkt niet te beseffen dat ze zich als student aan een ernstige schending van voor haar geldende regels en afspraken schuldig heeft gemaakt door niet te verschijnen bij de aangewezen post. Overigens is met de toestemming van [teamleider] van 26 mei 2025 en die van de opleidingscoördinator SDKK van 4 juni 2025 geenszins komen vast te staan dat klaagster daarmee toestemming had om gedurende de hele werkdag afwezig te zijn in verband met haar spw-opleiding en om structureel onder werktijd bezig te zijn met opdrachten van de spw-opleiding.
6.7
Gelet op het voorgaande is het Gerecht van oordeel dat de Regering tot de conclusie mocht komen dat de attitude van klaagster niet passend is voor iemand die een opleidingstraject volgt. De Regering mocht dan ook het tijdelijke dienstverband van klaagster opzeggen. Het ontslagbesluit is niet in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en is van een kenbare en draagkrachtige motivering voorzien zodat deze in stand kan blijven.
Conclusie 7.1
Het tijdelijke dienstverband van klaagster is correct en tijdig opgezegd en het ontslagbesluit is van een kenbare en draagkrachtige motivering voorzien. Het beroep van klaagster op algemene beginselen van behoorlijk bestuur slaagt daarom niet. Aldus kan het ontslagbesluit in stand blijven. Het Gerecht zal daarom het bezwaar ongegrond verklaren.
7.2
Voor een proceskostenveroordeling bestaat gelet op het voorgaande geen aanleiding.
Beslissing
Het Gerecht in Ambtenarenzaken:

- verklaart het bezwaar van klaagster ongegrond.

Aldus gedaan door mr. N.M. Martinez, rechter in ambtenarenzaken, en in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2026, te Curaçao en in tegenwoordigheid van P.N.F. Pereira do Tanque, griffier.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij de Raad van Beroep in ambtenarenzaken (RvBAz).

Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen 30 dagen:

als de indiener van het hoger beroep of zijn gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest: binnen 30 dagen na de dag van de uitspraak;

in de andere gevallen: binnen 30 dagen na de dag van de toezending of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak.

De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:

het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;

een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;

vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).

Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment kunnen worden ingediend.

Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.

Artikel delen