Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:OGAACMB:2026:39

Niet‑naleving eerdere uitspraak; vervangende schadevergoeding (art. 96 RAr). Het Gerecht oordeelt dat de Regering geen uitvoering heeft gegeven aan een eerdere onherroepelijke uitspraak, waarin is geoordeeld dat de Regering onbevoegd bedragen aan auto‑ en telefoonvergoeding van klaagster heeft teruggevorderd en ingehouden en de minister is opgedragen te beslissen op haar verzoek om terugbetalin...

Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 29 June 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:OGAACMB:2026:39 text/xml public 2026-06-29T18:48:06 2026-06-29 Raad voor de Rechtspraak nl Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 2026-02-13 CUR202403577 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Schadevergoedingsuitspraak NL Bestuursrecht; Ambtenarenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGAACMB:2026:39 text/html public 2026-06-29T18:46:51 2026-06-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:OGAACMB:2026:39 Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba , 13-02-2026 / CUR202403577
Niet‑naleving eerdere uitspraak; vervangende schadevergoeding (art. 96 RAr). Het Gerecht oordeelt dat de Regering geen uitvoering heeft gegeven aan een eerdere onherroepelijke uitspraak, waarin is geoordeeld dat de Regering onbevoegd bedragen aan auto‑ en telefoonvergoeding van klaagster heeft teruggevorderd en ingehouden en de minister is opgedragen te beslissen op haar verzoek om terugbetaling daarvan. Nu een dergelijk besluit ontbreekt en geen deugdelijke grondslag voor de inhoudingen bestaat, gaat het Gerecht uit van een aanspraak op terugbetaling. Ook de door klaagster gestelde omvang van het ingehouden bedrag is niet betwist, zodat het Gerecht het verzoek om vervangende schadevergoeding toewijst. Het bezwaar wordt gegrond verklaard en het Gerecht kent aan klaagster een schadevergoeding toe, vermeerderd met wettelijke rente.
GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN CURAÇAO
uitspraak

in de zaak van:
[Klaagster],
wonende in Curaçao,

klaagster,

gemachtigden: mrs. E.R. van Arkel en L.M.H. Koeijers, beiden advocaat,

tegen

de Regering van Curaçao,

de minister van Justitie,

hierna: de Regering respectievelijk de minister,

tezamen verweerders,

gemachtigde: mr. S.M. Concincion-Quirindongo.
Inleiding 1.1
Het Gerecht beoordeelt in deze uitspraak het bezwaar van klaagster van 10 september 2024 gericht tegen het geen gevolg geven aan de onherroepelijk geworden uitspraken van het Gerecht van 10 juni 2024 met zaaknummers CUR202301462 en CUR202401302 (hierna: de eerdere uitspraken).
1.2
Verweerders hebben een contramemorie ingediend.
1.3
Het bezwaar is op 8 september 2025 ter zitting behandeld. Klaagster is verschenen, bijgestaan door mr. Van Arkel, die een nadere toelichting ter zitting heeft overgelegd. Namens verweerders is de gemachtigde verschenen.
1.4
Na de zitting hebben partijen op het verzoek van het Gerecht daartoe nadere stukken ingediend.
1.5
Met toestemming van partijen is de behandeling ter zitting via e-mail gesloten zodat een nadere zitting niet nodig was.
De beoordeling
2. Het Gerecht beoordeelt in deze uitspraak het verzoek van klaagster om schadevergoeding zoals bedoeld in artikel 96 van de Rar, omdat de Regering geen uitvoering heeft gegeven aan de eerdere uitspraken van het Gerecht. Het Gerecht komt tot het oordeel dat het bezwaar ongegrond is en zal hierna toelichten hoe hij tot die conclusie komt.

Wat is relevant om te weten in deze zaak?
3.1
Klaagster is een inmiddels gepensioneerde ambtenaar. Zij was vanaf 2 januari 2013 belast met de waarneming van de functie van directeur van de SSO. In verband met deze waarneming zijn bij landsbesluiten van 11 april 2013 en 22 april 2013 aan haar vergoedingen toegekend voor het gebruik van haar eigen telefoon en auto tijdens de uitoefening van de waargenomen functie (de auto- en telefoonvergoeding). De waarneming is per oktober 2013 beëindigd, maar de uitbetaling van de auto- en telefoonvergoeding is blijven doorlopen.
3.2
Klaagster is bij brief van 30 september 2020 door de Secretaris-Generaal van het Ministerie van Justitie (de SG) bericht dat de aan haar uitbetaalde auto- en telefoonvergoeding met terugwerkende kracht tot 1 juli 2018 zullen worden stopgezet. Bij brief van 28 februari 2021 heeft klaagster aan de minister kenbaar gemaakt dat zij het niet eens is met de maandelijkse inhoudingen van NAf 600,- op haar salaris, die sinds augustus 2020 plaatsvinden. Deze inhoudingen hadden betrekking op de terugvordering van de auto- en telefoonvergoeding wegens de stopzetting daarvan met terugwerkende kracht.
3.3
Het tegen voormelde brief van de SG door klaagster gemaakte bezwaar (CUR202301462) is door het Gerecht bij uitspraak van 10 september 2024 gegrond verklaard. Kort gezegd oordeelde het Gerecht dat de SG niet bevoegd was om de auto- en telefoonvergoeding van klaagster stop te zetten en de al uitbetaalde bedragen terug te vorderen. Het Gerecht heeft daarbij overwogen dat dit betekent dat de Regering de ingehouden bedragen aan klaagster moet terugbetalen, zolang zij nalaat om bij landsbesluit, voorzien van een draagkrachtige motivering, aan klaagster kenbaar te maken waarom vanaf augustus 2020 inhoudingen op haar salaris zijn gedaan.
3.4
Klaagster is op 1 augustus 2021 vervroegd uit dienst getreden. Bij de eindafrekening in het kader van haar uitdiensttreding is een bedrag van, naar zij stelt, NAf 17.000,- ingehouden zijnde, naar zij heeft begrepen, het resterende deel van het bedrag aan auto- en telefoonvergoeding dat volgens de Regering nog van klaagster teruggevorderd moest worden. Klaagster heeft de minister van Justitie bij brief van 15 maart 2023 verzocht om dit bedrag aan haar terug te betalen. Toen een beslissing op dat verzoek uitbleef, heeft klaagster bezwaar gemaakt bij het Gerecht. Het Gerecht heeft dit bezwaar (CUR202401302) eveneens bij uitspraak van 10 juni 2024 gegrond verklaard, de weigering van de minister om op het verzoek te beslissen vernietigd, en de minister opgedragen om binnen twee maanden na de uitspraak alsnog op het verzoek te beslissen. De minister heeft nog steeds niet op dat verzoek beslist.

Wat zijn de standpunten van partijen?
4.1
Klaagster voert allereerst aan dat verweerders geen uitvoering hebben gegeven aan de twee uitspraken van het Gerecht van 10 juni 2024. Volgens klaagster zijn deze uitspraken onlosmakelijk met elkaar verbonden. Daaruit volgt niet alleen dat de minister binnen twee maanden na de uitspraak had moeten beslissen op het verzoek van 15 maart 2023, maar ook dat de Regering binnen diezelfde termijn bij landsbesluit aan klaagster kenbaar had kunnen maken waarom bedragen op haar loon zijn ingehouden. Dat is tot op heden niet gebeurd. Volgens klaagster staat daarmee vast dat zij recht heeft op terugbetaling van het ingehouden bedrag. Zij verzoekt het Gerecht daarom om toekenning van vervangende schadevergoeding. De hoogte van de schade begroot zij op het bedrag dat volgens haar ten onrechte is ingehouden, zijnde naar zij stelt XCG 17.000,- vermeerderd met de wettelijke rente.
4.2
Verweerders betogen, voor zover hier van belang, dat het bezwaar van klaagster niet kan slagen, omdat haar aanspraak nog niet vaststaat. Er is nog geen beslissing genomen op het verzoek van 15 maart 2023. Zolang die beslissing uitblijft, kan het Gerecht niet met voldoende zekerheid vaststellen of klaagster een aanspraak heeft, wat wel een vereiste is voor toekenning van schadevergoeding op grond van artikel 96 van de RAr. Een inhoudelijke beslissing op het verzoek van klaagster is volgens verweerders wel in voorbereiding.

Welke wettelijke bepalingen zijn van toepassing?
5.1
Op grond van het eerste lid, van artikel 96, van de Rar, is indien aan een veroordeling, in zover zij niet op geld luidt, hetzij in eerste aanleg bij een onherroepelijk geworden beslissing, hetzij in hoger beroep uitgesproken, niet of niet volledig gevolg gegeven wordt, de ambtenaar bevoegd een bezwaarschrift bij het Gerecht in te dienen.
5.2
Op grond van het derde lid, van datzelfde artikel, veroordeelt het Gerecht het betrokken lichaam tot vergoeding, indien het bezwaar gegrond bevonden wordt, en stelt, het Gerecht met inachtneming van alle omstandigheden, het bedrag der schadevergoeding bij de beslissing vast.

Komt het verzoek om schadevergoeding voor toewijzing in aanmerking?

6. Het Gerecht stelt vast dat de minister nog geen uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van 10 juni 2024 (CUR202401302) van het Gerecht want hij heeft nog niet beslist op het verzoek van klaagster. Het Gerecht kan echter, zoals ook uit vaste jurisprudentie van de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken volgt (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 27 juli 2022, ECLI:NL:ORBAACM:2022:74) de Regering niet opdragen uitvoering te geven aan de eerdere uitspraak. Artikel 96, van de Rar, biedt het Gerecht die mogelijkheid niet. Deze bepaling biedt het Gerecht slechts de mogelijkheid om in bepaalde gevallen, als het bestuursorgaan geen uitvoering heeft gegeven aan een rechterlijke uitspraak, vervangende schadevergoeding aan de ambtenaar toe te kennen.

7. Klaagster en de Regering zijn het niet eens over welk bedrag van klaagster mocht worden ingehouden in verband met door klaagster ontvangen auto- en telefoonvergoeding. In het kader van de bezwaarprocedures die hebben geleid tot de eerdere uitspraken van het Gerecht van 10 juni 2024 is het Gerecht niet toegekomen aan de inhoudelijke beoordeling van de standpunten van partijen met betrekking tot de hoogte van het terug te betalen bedrag. In die procedures heeft het Gerecht beslist dat alsnog beslist moest worden op het verzoek van klaagster en dat inhouding niet mochten plaatsvinden zonder een daartoe strekkend besluit. Ten aanzien van dat laatste heeft het Gerecht in de overwegingen vermeld dat de consequentie daarvan is dat het zonder titel ingehouden bedrag moet worden terugbetaald. Hoewel het Gerecht niet in het dictum van die uitspraak heeft opgenomen dat het ingehouden bedrag moest worden terugbetaald aan klaagster is dat wel de consequentie van de vernietiging van de inhouding door het Gerecht. In het midden kan blijven of de Regering al dan niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel handelt als ze alsnog een besluit aan klaagster kenbaar zou maken op grond waarvan ze zou motiveren dat ze het ingehouden bedrag van NAf 17.000,- niet aan klaagster zal terugbetalen. Immers, vast staat dat de Regering een dergelijk besluit niet aan klaagster kenbaar heeft gemaakt. De berekeningen die de Regering in het kader van deze procedure heeft overgelegd, kunnen niet als zodanig worden aangemerkt. Aldus kan worden uitgegaan van een aanspraak van klaagster op terugbetaling van voormeld bedrag. De Regering heeft de omvang van dat bedrag overigens niet betwist in het kader van deze procedure zodat daarmee vast staat dat dat de omvang is van het ingehouden bedrag. In het dictum van de uitspraak van 10 juni 2024 no GAZ CUR202301462 is de Regering niet veroordeeld tot betaling van een bepaald geldbedrag als bedoeld in artikel 96, eerste lid, van de Rar. Aldus kan dat artikel in dit geval worden toegepast. Het voorgaande brengt met zich dat het Gerecht het bezwaar gegrond zal verklaren en een schadevergoeding van Cg 17.000,- zal toekennen aan klaagster ten laste van de Regering. Ook zal de verzochte wettelijke rente worden toegewezen met ingang van de datum van deze uitspraak tot aan de dag der algehele voldoening omdat dat het Gerecht redelijk voorkomt.
Conclusie en gevolgen
8. Het bezwaar is gegrond omdat Regering heeft nagelaten een nieuw besluit te vervaardigen strekkende tot terugbetaling aan klaagster, althans heeft nagelaten het ingehouden bedrag feitelijk aan haar terug te betalen, zijnde een aanspraak die voor klaagster voortvloeit uit de uitspraak van het bezwaar met nummer GAZ CUR202301462. Daarom zal het Gerecht een schadevergoeding van Cg 17.000, - toekennen aan klaagster ten laste van de Regering. Ook zal de verzochte wettelijke rente worden toegewezen met ingang van de datum van deze uitspraak tot aan de dag der algehele voldoening omdat dat het Gerecht redelijk voorkomt.

9. Het Gerecht ziet aanleiding om, met overeenkomstige toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht, de Regering te veroordelen in de proceskosten van klaagster. De proceskosten stelt het Gerecht vast op Cg 1.400,- te weten 2 punten à Cg 700,- (1 punt voor het bijwonen van de zitting en 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift).
Beslissing
Het Gerecht in Ambtenarenzaken:

verklaart het bezwaar gegrond;

beveelt de Regering om schadevergoeding ten bedrage van Cg 17.000,- te betalen aan klaagster, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van deze uitspraak tot aan de dag der algehele voldoening.

veroordeelt de Regering tot betaling aan klaagster van haar proceskosten tot een bedrag van Cg 1.400,- geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus gedaan door mr. N.M. Martinez, rechter in ambtenarenzaken, en in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2026 in tegenwoordigheid van P.N.F. Pereira do Tanque, griffier.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij de Raad van Beroep in ambtenarenzaken (RvBAz).

Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen 30 dagen:

als de indiener van het hoger beroep of zijn gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest: binnen 30 dagen na de dag van de uitspraak;

in de andere gevallen: binnen 30 dagen na de dag van de toezending of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak.

De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:

het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;

een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;

vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).

Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment kunnen worden ingediend.

Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.

Artikel delen