Registratienummer: BON202300050
Datum uitspraak: 20 maart 2024
VONNIS
in de zaak van
[eiseres],
wonende te Bonaire,
eiseres,
hierna: de vrouw,
gemachtigde: mr. A.T.C. Nicolaas,
tegen
[gedaagde],
wonende te Bonaire,
gedaagde,
hierna: de man,
gemachtigde: mr. Z.T.M. Arendsz-Marchena (Aruba).
1.1.Het procesverloop blijkt uit:
het tussenvonnis van 24 januari 2024
de aktes van partijen van 21 februari 2024.
1.2.Na de aktes van partijen is er geen gelegenheid gegeven voor antwoordaktesn
Zulks anders dan in het tussenvonnis r.o. 4.14 werd voorzien.
2.1.De stand van zaken is als volgt.
Wat betreft de vrouw
2.2.In het tussenvonnis is bepaald dat de vrouw zich kan uitlaten over de vraag of ervan kan worden uitgegaan dat voor de hypotheek voor haar woning, de woning die buiten de (ontbonden) huwelijksgoederengemeenschap valt, maandelijks een bedrag van USD 400,00 van de gemeenschappelijke rekening is betaaldn
Tussenvonnis r.o. 4.10.
De vrouw beantwoordt die vraag ontkennend. Volgens haar wordt de hypotheek volledig met de door haar ontvangen huurinkomsten betaald. Uit twee door haar overgelegde huurovereenkomsten blijkt dat zij met haar huurders voor de woning en het daarbij gelegen appartement een huur van respectievelijk
USD 1.500,00 en USD 1.000,00 is overeengekomen. Weliswaar zijn deze bedragen ruimschoots voldoende voor de maandelijkse hypotheekbetaling, maar dat betekent nog niet die betalingen daarvoor zijn aangewend. In de huurovereenkomsten staat dat de huur moet worden overgemaakt naar een bankrekening, die kennelijk op naam staat van de vrouwn
Zie hierna het verzoek van de man om inzage in (mede) die rekening (randnummer 2.12).
2.4.Verder is in het tussenvonnis bepaald dat de vrouw zich kan uitlaten over een gebleken aanzienlijke afname van het saldo op een spaarrekening van de man in de periode van 1 november 2021 tot en met 18 augustus 2022n
Tussenvonnis r.o. 4.12.
2.5.In haar akte heeft de vrouw gesteld dat er in dit verband sprake is van buitensporige bestedingen door de man in het zicht van de echtscheiding. De man zou dure hobby’s hebben zoals sportvliegen, vliegersopleiding en dure reizen. Zij maakt echter niet duidelijk welke betalingen van deze rekening daarop betrekking hebben. Ook heeft zij niet toegelicht in hoeverre het bestedingspatroon van de man hiermee anders is dan daarvoor. Het gerecht volgt de vrouw daarom niet in haar stelling dat sprake is van buitensporige of verkwistende bestedingen waarvoor de man haar zou moeten compenseren. Van dergelijke bestedingen is, op grond van wat zij daartoe aanvoert, niet gebleken.
2.6.De vrouw stelt in haar akte dat in de verdeling een creditcardschuld van haar van USD 5.262,24 per 12 november 2021 moet worden betrokken. In het tussenvonnis zou dat ten onrechte over het hoofd zijn gezien. Dat klopt niet. De schuld is inderdaad niet in het vonnis vermeld, maar de reden daarvoor is dat de vrouw, volgens haar eigen opgave, op de peildatum geen creditcardschuld meer had. Schulden die er eens waren, maar op de peildatum niet meer bestonden, zijn voor de verdeling en de afrekening tussen partijen niet relevant.
2.7.De vrouw heeft in haar akte aandacht gevraagd voor bezittingen van de man buiten Bonaire en een erfenis die hij zou hebben van zijn moeder. Zij heeft daar geen bewijzen van, maar zij wil dat het door haar gestelde in een te wijzen eindvonnis wordt betrokken. Het is niet duidelijk wat de vrouw daarmee bedoelt of wil bereiken, maar duidelijk zal zijn dat in een verdeling alleen dié vermogensbestanddelen kunnen worden betrokken waarvan duidelijk is dat zij bestaan en waarvan voorts vastgesteld kan worden dat zij tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap behoren. Daarvan is geen sprake met wat de vrouw hier opgeeft als mogelijke vermogensbestanddelen. Zij heeft dit onvoldoende concreet gemaakt.
2.8.Overigens wil het Gerecht er wel op wijzen dat een partij die vermogensbestanddeel verzwijgt zijn aandeel daarin kan verliezenn
Art. 3:194 lid 2 BW BES.
Wat betreft de man
2.9.In het tussenvonnis is bepaald dat de man zich moet uitlaten of hij de woning wil kopen tegen de vastgestelde taxatiewaarden
Tussenvonnis r.o. 4.5.
2.10.Een eventuele overwaarde uit de verkoop van de woning komt ieder voor de helft toe. In het tussenvonnis is bepaald dat de man voor het vaststellen van de overwaarde een opgave moest doen van de hypotheekschuld. Dat heeft hij gedaan, maar nu hij de woning niet zal overnemen is die opgave niet meer van belang. De woning zal aan een derde worden verkocht en partijen krijgen te zijner tijd van de notaris te horen wat er, na aftrek van hypotheek en kosten, aan overwaarde overblijft.
2.11.De man is in het tussenvonnis in de gelegenheid gesteld om te reageren op de overweging in dat vonnis dat hij geen aanspraak heeft op de huurinkomsten uit de woning van de vrouw en voorts geen aanspraak heeft op een eventuele waardestijging in verband met daaraan uitgevoerde verbouwingenn
Tussenvonnis r.o. 4.10.
2.12.De man heeft in zijn akte gevraagd om inzage in vier bankrekeningen van de vrouw. Van drie daarvan geeft hij een rekeningnummern
MCB400705607; RBC8400000021419818; RBC8400000180984011 en “RBC: spaarrekening”. Tussenvonnis r.o. 4.11.
2.13.Verder stelt de man in zijn akte dat de vrouw hem de helft van de door hem betaalde premie voor een levensverzekering (USD 1.445,03 per jaar), de brandverzekering (1.070,00 per jaar) en ongevallenverzekering (USD 627,03 per jaar) is verschuldigd. De man stelt dat het hier gaat om woonlasten die ingevolge de beschikking van het Gerecht van 10 november 2022 voor rekening van de man zouden moeten komen als onderdeel van de door hem te betalen gebruiksvergoeding. Voor de brandverzekering ligt dat voor de hand, voor de levensverzekering zou dat kunnen, en voor de ongevallenverzekering lijkt dat bepaald niet zeker. Partijen kunnen zich hierover nader uitlaten in een akte.
Het gerecht,
5.1.bepaalt dat de vrouw zich op de rol van 24 april kan uitlaten over hetgeen is overwogen onder 2.3, 2.12 en 2.13,
5.2.bepaalt dat de man zich op de rol van 24 april kan uitlaten over hetgeen is overwogen onder 2.13,
5.3.houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Veerman, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2024 in tegenwoordigheid van de griffier.