Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:OGEABES:2026:96

Vordering van verhuurder voor kosten ontruiming en schade aan de huurwoning. Deze vordering is toegewezen. Verhuurder vordert in deze procedure ook de proceskosten en niet betaalde huurtermijnen. Die vorderingen zijn afgewezen, omdat de verhuurder uit hoofde van een eerder kort geding vonnis daarvoor al een executoriale titel heeft.

Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 2 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:OGEABES:2026:96 text/xml public 2026-07-02T11:59:50 2026-07-02 Raad voor de Rechtspraak nl Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 2026-06-24 BON202600074 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEABES:2026:96 text/html public 2026-07-02T11:59:11 2026-07-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:OGEABES:2026:96 Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba , 24-06-2026 / BON202600074
Vordering van verhuurder voor kosten ontruiming en schade aan de huurwoning. Deze vordering is toegewezen. Verhuurder vordert in deze procedure ook de proceskosten en niet betaalde huurtermijnen. Die vorderingen zijn afgewezen, omdat de verhuurder uit hoofde van een eerder kort geding vonnis daarvoor al een executoriale titel heeft.
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA zittingsplaats Bonaire
Zaaknummer: BON202600074

Vonnisdatum: 24 juni 2026

In de zaak van

de stichting FUNDASHON CAS BONAIRIANO,

gevestigd op Bonaire,

eisende partij,

hierna: FCB,

gemachtigde: mr. A.T.C. Nicolaas,

tegen
<nr>1</nr>[gedaagde 1],
wonend op Bonaire,

gedaagde partij,

hierna: [gedaagde 1],

niet verschenen,

en
<nr>2</nr>[gedaagde 2],
wonend op Bonaire,

gedaagde partij,

hierna: [gedaagde 2],

procederend in persoon.
<nr>1</nr>Het procesverloop 1.1.
Het verzoekschrift met bijlagen is op 18 februari 2026 op de griffie van dit Gerecht ingediend.
1.2. [
gedaagde 1] heeft, hoewel hij daartoe in de gelegenheid is gesteld, niet binnen de termijn geantwoord of om uitstel verzocht. [gedaagde 2] is op de rolzitting van 25 maart 2026 verschenen. Op de rolzitting heeft zij de vordering van FCB erkend. [gedaagde 1] is niet verschenen.
1.3.
Na de rolzitting van 25 maart 2026 is [gedaagde 1] op grond van artikel 82, eerste lid Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES opnieuw opgeroepen om te verschijnen in deze procedure. Hierbij is hij wederom niet verschenen. Omdat bij de oproepingen van [gedaagde 1] alle voorgeschreven termijnen en overige formaliteiten in acht zijn genomen, wordt tegen [gedaagde 1] verstek verleend.
1.4.
Ten slotte is bepaald dat vandaag uitspraak zal worden gedaan.
<nr>2</nr>Het geschil 2.1.
FCB vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk te veroordelen aan FCB te betalen, zoals in het inleidende verzoekschrift omschreven het bedrag van USD 7.648,45, althans het bedrag van USD 4.812,71 althans een ander nader door het Gerecht te bepalen bedrag, vermeerderd met de buitengerechtelijke incassokosten van USD 838,50, en te vermeerderen met de wettelijke rente over de hoofdsom, beginnende op de datum van indiening van het inleidende verzoekschrift bij de griffie van het Gerecht tot de dag der algehele voldoening. Tevens vordert FCB, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten.
2.2.
FCB legt hieraan het volgende ten grondslag. Partijen hebben een huurovereenkomst gesloten waarin de gedaagden een woning van FCB hebben gehuurd. Door structurele wanbetaling is op verzoek van FCB op 26 april 2022 de huurovereenkomst door het Gerecht bij vonnis ontbonden. De gedaagden zijn daarbij bovendien veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde en tot betaling van de achterstallige huurtermijnen en de toekomstige huurtermijnen tot datum van de feitelijke ontruiming. Gedaagden hebben het gehuurde niet ontruimd, waardoor FCB over heeft moeten gaan tot gedwongen ontruiming. De kosten in verband met de gedwongen ontruiming bedroegen USD 583,00. Tijdens de woninginspectie is gebleken dat gedaagden het gehuurde in een slechte staat van onderhoud hebben achtergelaten. FCB heeft zelf onderhoud moeten plegen aan het gehuurde en de kosten hiervoor bedroegen USD 5.047,35. FCB heeft de reeds door gedaagden betaalde waarborgsom ad. USD 234,64 verrekend met de gevorderde onderhoudskosten.
2.3. [
gedaagde 2] heeft de vorderingen van FCB erkend. Omdat [gedaagde 1] niet in de procedure is verschenen, heeft hij geen verweer gevoerd.
<nr>3</nr>De beoordeling 3.1.
De vordering tot betaling van de onderhoudskosten vanwege het nodige onderhoud aan het gehuurde, met aftrek van de ingehouden borgsom komt het Gerecht niet onrechtmatig of ongegrond voor. Daarnaast komt de vordering tot betaling van de kosten met betrekking tot de gedwongen ontruiming ad. USD 583,00 en de betekeningskosten van de aanzegging tot ontruiming ad. USD 318,00 het Gerecht niet onrechtmatig of ongegrond voor. Dat zal worden toegewezen.
3.2.
FCB vordert betaling van de wettelijke rente over de hoofdsom, vanaf de datum van de indiening van het inleidende verzoekschrift bij de griffie van het Gerecht, te weten 18 februari 2026, tot de dag van algehele voldoening. Dat zal ook worden toegewezen.
3.3.
De vordering tot betaling van de openstaande proceskosten uit het vonnis van 26 april 2022 en de openstaande huur voor de maanden juni 2022 tot en met augustus 2022 stuit af op het feit dat hiervoor reeds in het vonnis van 26 april 2022 is beslist en FCB daarvoor dus een executoriale titel heeft gekregen. Nu eisers deze kosten op basis van dat eerdere vonnis direct jegens gedaagden kunnen executeren, bestaat er geen grondslag om gedaagden daarvoor thans opnieuw te veroordelen.
3.4.
FCB stelt zich op het standpunt dat de gedaagden, naast de hoofdsom en de proceskosten, eveneens buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn aan FCB. Het Gerecht overweegt dat een vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten slechts toewijsbaar is indien vaststaat dat er daadwerkelijk werkzaamheden zijn verricht die de gevorderde kosten rechtvaardigen. Nu FCB heeft nagelaten concreet te stellen en te onderbouwen welke buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht, is niet gebleken dat deze kosten daadwerkelijk zijn gemaakt. De overgelegde sommaties zijn door FCB zelf opgesteld en verstuurd. Voor die werkzaamheden heeft zij dus geen buitengerechtelijke kosten hoeven maken. De vordering ter zake van de buitengerechtelijke incassokosten komt het Gerecht dan ook ongegrond voor en zal worden afgewezen.
3.5.
Gedaagden hebben ongelijk gekregen en moeten daarom de proceskosten van FCB betalen. De proceskosten van FCB worden begroot op USD 419,00 aan griffierecht, USD 559,00 aan salaris van de gemachtigde (1 punt x liquidatietarief 4), USD 339,20 aan deurwaarderskosten en USD 140,00 aan nakosten (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing).
3.6.
De veroordelingen in dit vonnis worden, als gevorderd, hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat [gedaagde 2] en [gedaagde 1] gedwongen kunnen worden om het volledige bedrag te betalen. Als één van hen (een deel van) de kosten betaalt, hoeft de ander (dat deel van) de kosten niet meer te betalen. Die hoofdelijke veroordeling geldt niet voor de deurwaarderskosten voor het opnieuw oproepen van [gedaagde 1]. [gedaagde 2] is in deze procedure verschenen en heeft de vorderingen erkend. Daarom hoeft [gedaagde 2] de kosten voor het opnieuw oproepen van [gedaagde 1] (USD 180,20) niet te betalen.
3.7.
Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat FCB dat verzoekt. Dit betekent dat de beslissingen in deze uitspraak moeten worden gevolgd, ook als hoger beroep wordt ingesteld tegen dit bevel. De beslissingen in dit vonnis gelden dan tot de rechter in hoger beroep een andere beslissing heeft genomen.
<nr>4</nr>De beslissing
Het Gerecht:
4.1.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk tot betaling aan FCB van een bedrag van USD 5.713,71, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 februari 2026 tot de dag van volledige betaling;
4.2.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk tot betaling aan FCB van de proceskosten, aan de zijde van FCB begroot op USD 1.277,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met USD 84,00 als [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend;
4.3.
veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling aan FCB van de proceskosten van USD 180,20;
4.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.P. Hoekstra, rechter, en op 24 juni 2026 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

Artikel delen