Kort geding. Verbeurde dwangsommen. Verzoek opheffing beslag. Gelden al afgedragen.
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 31 July 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI
ECLI:NL:OGEAC:2026:127
Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
31-07-2026
Datum publicatie
31-07-2026
Zaaknummer
CUR202600509
Rechtsgebied
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI:NL:OGEAC:2026:127text/xmlpublic2026-07-31T17:21:062026-07-31Raad voor de RechtspraaknlGerecht in eerste aanleg van Curaçao2026-03-31CUR202600509UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigKort gedingNLCiviel rechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAC:2026:127text/htmlpublic2026-07-31T17:20:062026-07-31Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:OGEAC:2026:127 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao , 31-03-2026 / CUR202600509 Kort geding. Verbeurde dwangsommen. Verzoek opheffing beslag. Gelden al afgedragen.
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO Zaaknummer: CUR202600509 Vonnis in kort geding van 31 maart 2026 in de zaak van [eiser 1],
[eiser 2],
beiden wonend in [woonplaats], eisers, procederend in persoon,
tegen DE STICHTING JOHANNES BOSCO,
gevestigd in Curaçao, gedaagde, gemachtigden: mr. S.J.C. Anthonio en mr. L.M. van Veldhoven. 1Het procesverloop1.1. Het procesverloop blijkt uit: het verzoekschrift van 12 februari 2026, de producties van de stichting, de mondelinge behandeling van 10 maart 2026, de pleitnotities van de stichting. 1.2. Vonnis is bepaald op vandaag. 2De feiten, de vordering en de standpunten van partijen2.1. Op 6 november 2025 heeft de stichting executoriaal derdenbeslag doen leggen op bankrekeningen van eisers, onder meer strekkend tot betaling van een bedrag van Cg 400.000 aan verbeurde dwangsommen. 2.2. Eisers vorderen – samengevat – dat het gerecht de stichting veroordeelt tot opheffing van de beslagen, met veroordeling van de stichting in de proceskosten. Daaraan leggen eisers ten grondslag dat de verbeurde dwangsommen ten tijde van beslaglegging reeds waren verjaard. Ook komt aan eisers een beroep op verrekening toe van verschillende posten. Het bedrag dat eisers daadwerkelijk aan de stichting verschuldigd zijn, is zeer gering ten opzichte van de gelegde beslagen. 2.3. De stichting heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
3. De beoordeling 3.1. Partijen zijn betrokken in diverse procedures over en weer. Ter uitvoering van een vonnis in een van die procedures heeft de stichting voormeld executoriaal beslag doen leggen, onder meer vanwege verbeurde dwangsommen. Tussen partijen is in geschil of de verbeurde dwangsommen ten tijde van het leggen van beslag al dan niet waren verjaard. Ook is in geschil welke bedragen aan onder meer huurachterstanden en toegewezen proceskosten over en weer voor verrekening in aanmerking komen. 3.2. Ter zitting heeft de stichting te kennen gegeven dat de beslagen gelden op 27 november 2025 aan haar zijn afgedragen. Het gaat om een bedrag van (Cg 39.923,55 + Cg 1.443,27 =) Cg 41.366,82. Desgevraagd heeft [eiser 1] dat bevestigd. Daarbij heeft hij te kennen gegeven dat eisers kort daarop de desbetreffende bankrekeningen hebben gesloten, omdat daar geen geld meer op stond na de afdracht en vanwege de maandelijks verschuldigde kosten aan de bank voor het aanhouden van bankrekeningen. Gevraagd naar het belang van eisers bij hetgeen in deze procedure wordt gevorderd, heeft [eiser 1] te kennen gegeven dat de insteek nu is om de afgedragen gelden van de stichting terugbetaald te krijgen. Daarop heeft de stichting het verweer gevoerd dat deze vordering de kaders van een kort geding procedure te buiten gaat. 3.3. Nu de executie is voltooid, overigens al voor het indienen van het verzoekschrift in deze procedure, hebben eisers geen belang bij hun vordering tot schorsing van de executie door middel van opheffing van de gelegde executoriale beslagen. 3.4. Blijft over de – gewijzigde – vordering van eisers tot (terug)betaling van de afgedragen gelden. Dit is een geldvordering. Volgens vaste rechtspraak is ten aanzien van geldvorderingen in kort geding terughoudendheid geboden. Onderzocht moet worden of het bestaan van de vordering voldoende aannemelijk is. Dat betekent dat met een grote mate van waarschijnlijkheid te verwachten moet zijn dat de bodemrechter de vordering zal toewijzen. Daarnaast moet er sprake zijn van feiten of omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. Voorts dient in de afweging van de belangen van partijen het restitutierisico betrokken te worden.
Gelet op dit toetsingskader, ziet het gerecht geen aanleiding de vordering toe te wijzen. Met de vele door partijen gestelde verschuldigde en te verrekenen bedragen, die overigens ook over en weer grotendeel worden betwist – is niet eenvoudig vast te stellen of en zo ja welk deel van de gelden van de bankrekeningen van eisers niet terecht aan de stichting zijn afgedragen. Daar komt bij dat een spoedeisend belang van de zijde van eisers bij (terug)betaling van die gelden gesteld noch gebleken is. 3.5. Dit leidt tot de slotsom dat de vorderingen worden afgewezen. 3.6. Omdat eisers in het ongelijk worden gesteld, worden zij veroordeeld in de proceskosten, tot heden begroot op Cg 1.000 aan gemachtigdensalaris. 4De beslissing in kort geding Het gerecht: 4.1. wijst het gevorderde af; 4.2. veroordeelt eisers in de proceskosten van de stichting van Cg 1.000. Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.B. de Haseth, rechter, bijgestaan door J. Fornerino, griffier, en in het openbaar uitgesproken.