Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:OGEAC:2026:135

Kwalificatie ovk-arbeid-opdracht.

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 3 August 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:OGEAC:2026:135 text/xml public 2026-08-03T14:36:12 2026-08-03 Raad voor de Rechtspraak nl Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 2026-02-06 CUR202504662 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAC:2026:135 text/html public 2026-08-03T14:35:31 2026-08-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:OGEAC:2026:135 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao , 06-02-2026 / CUR202504662
Kwalificatie ovk-arbeid-opdracht.
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Beschikking van 6 februari 2026

in de zaak van

[verzoeker],

wonende in [woonplaats],verzoeker,

gemachtigde: B.J.F. Stuart,

tegen

INTEGRATED UTILITY HOLDING N.V.,

gevestigd in Curaçao, verweerster, gemachtigde: mr. L.N. Asjes.

Partijen zullen hierna [verzoeker] en IUH worden genoemd.
<nr>1</nr>Het procesverloop<?linebreak?> 1.1.
Het procesverloop blijkt uit:

het verzoekschrift van 19 november 2025 met producties,

de producties van IUH ingediend op 8 januari 2026,

de mondelinge behandeling van 9 januari 2026,

de pleitnota van [verzoeker],

de pleitnota van IUH met een zelfstandig tegenverzoek.
1.2.
De uitspraak is bepaald op vandaag.
<nr>2</nr>De feiten 2.1.
Sinds 13 januari 2023 is [verzoeker] op grond van een schriftelijke overeenkomst, gedateerd 17 maart 2023 en aangeduid als ‘overeenkomst van opdracht’ (hierna: de overeenkomst), werkzaam bij IUH. IUH is de moedervennootschap van Aqualectra N.V. In een bijlage bij de overeenkomst staat de opdracht omschreven. Het komt er op neer dat [verzoeker] – vanwege zijn vele jaren kennis en ervaring in de tele- en datacommunicatie – is ingeschakeld om ondersteuning te bieden aan het opzetten van Aquatel N.V., een volwaardige tele- data en elektronische onderneming binnen IUH, welke in oprichting is.
2.2.
De overeenkomst is in eerste instantie aangegaan (voor 11 maanden en 12 dagen) tot 31 december 2023, maar is daarna stilzwijgend verlengd voor dezelfde

duur tot 12 december 2024.
2.3.
In de overeenkomst staat, voor zover van belang:
3.5
Uitsluitend mr. [verzoeker] zal door Opdrachtnemer worden ingezet ten behoeve van de Opdracht.
3.6
Binnen de aanwijzingen van de Opdrachtgever is Opdrachtnemer vrij zijn werkzaamheden in te richten en uit te voeren. De Opdrachtnemer voert deze overeenkomst uit als een zorgvuldig handelde beroepsbeoefenaar. (…)
4.2
Partijen hebben het recht deze Overeenkomst (tussentijds) op te zeggen met inachtneming van een redelijke opzegtermijn van 1 maand. (…)
4.5
De ene partij is bevoegd deze overeenkomst met onmiddellijke ingang en zonder verplichting tot schadevergoeding te beëindigen indien:

(…)

e. de andere partij in strijd handelt met de bepalingen van deze overeenkomst;

f. de andere partij in strijd handelt met de wet;

g. door of vanwege de andere partij een onaanvaardbare tekortkoming jegens de ene

partij wordt gepleegd. (…)
5.1
Voor het verrichten van de werkzaamheden ontvangt Opdrachtnemer een vergoeding per maand van Cg 25,000 bruto (ex OB) voor de werkzaamheden als opgenomen in bijlage 1.
2.4.
Per e-mail van 16 augustus 2024 heeft IUH aan [verzoeker] meegedeeld dat zij de overeenkomst met onmiddellijke ingang opzegt. Als reden geeft IUH – kort gezegd – aan dat [verzoeker] zonder dat IUH daarvan op de hoogte was een presentatie heeft gegeven aan de RvC van IUH en een politieke partij. Volgens IUH is sprake van een wanprestatie door [verzoeker] van de overeenkomst (het geheimhoudingsbeding) en de gemaakte afspraken en is het vertrouwen in de samenwerking onomkeerbaar geschaad.
2.5.
Hierop volgen gesprekken en correspondentie tussen partijen waarin [verzoeker] – kortgezegd – de beschuldigingen betwist en vraagt om deze te vernietigen en de werkrelatie te herstellen. Ook wijst [verzoeker] IUH erop dat sprake is van een arbeidsrelatie.
2.6.
In een e-mail van 11 oktober 2025 van IUH aan [verzoeker] staat, voor zover relevant:

Tijdens ons gesprek bleven twee vragen hangen, die voor mij onbegrijpelijk waren, waarover ik navraag zou doen bij de Raad van Commissarissen (…)

Op beide vragen beantwoorde de RvC bevestigend. Dat wil zeggen dat ze beaamd hebben dat je inderdaad geen informatie hebt gegeven over AquaTel (alleen informatie van algemene aard) en dat je niet wist dat het om een vergadering met de RvC ging. (…)

In je schrijven vraag je om de brief te vernietigen en onze werkrelatie te hervatten. Vernietigen zou ik niet doen maar wel een vervolg schrijven met hetgeen ik hierboven aangeef. Deze email kan je als dit vervolg beschouwen. (…)
2.7.
In een brief 23 december 2025 van IUH aan [verzoeker] staat, voor zover relevant:

(…) je stellingen waar het gaat om de redenen die hebben geleid tot een onmiddellijke beëindiging van de OvO zijn mij duidelijk. En voor zover onjuiste veronderstellingen zijn gebruikt om tot onmiddellijke beëindiging van je OvO over te gaan, worden deze ingetrokken. In mijn e-mail van 11 oktober 2024 heb ik reeds aangegeven dat een vernietiging van eerder verzonden brieven niet de geëigende weg is, maar dat ik bereid ben de feiten recht te trekken in een vervolg schrijven. Dat schrijven was de e-mail van 11 oktober 2024.

Ik wijs je evenwel op het feit dat de beëindiging van je OvO in stand blijft onder aanvulling en wijziging van gronden. Het feit dat de strategische richting van AquaTel nu is bepaald en de verschil in zichten over hoe jij invulling geeft aan de vraag of het je vrij staat om een presentatie aan de raad van commissarissen van IUH te geven zonder het bestuur van IUH hiervan, ook niet achteraf, in te lichten, blijven voor IUH voldoende reden om de beëindiging van je OvO hierbij te bevestigen. (…)

Nu je OvO de mogelijkheid biedt voor opzegging met inachtneming van een opzegtermijn van 1 maand, zal IUH overgaan tot betaling van 1 maand vergoeding, namelijk voor de periode van 17 augustus 2024 tot en met 16 september 2024. (…)
<nr>3</nr>Het geschil 3.1. [
verzoeker] verzoekt het gerecht, uitvoerbaar bij voorraad, IUH te veroordelen om:

a. het achterstallig loon van [verzoeker] van augustus 2024 tot en met januari 2025 te betalen, zijnde Cg 105.648,16, te vermeerderen met 50% wettelijke verhoging alsmede de wettelijke rente;

b. een formele erkenning van het onrechtmatig handelen jegens [verzoeker] af te geven, alsmede schriftelijke en, voor zover nodig, openbare excuses voor de door [verzoeker] geleden reputatieschade, inclusief correctie van onjuiste berichten die zijn verspreid;

c. de buitengerechtelijke incassokosten te betalen;

d. de kosten van dit geding te betalen;

e. de nakosten ad Cg 250,- zonder betekening en Cg 400,- in geval van betekening te betalen.
3.2. [
verzoeker] legt - kort samengevat - aan zijn verzoek ten grondslag dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst die IUH ten onrechte op 16 augustus 2024 heeft opgezegd, terwijl geen sprake was van een dringende reden, dan wel toestemming van SOAW. Volgens [verzoeker] heeft hij aanzienlijke reputatieschade geleden door de ongefundeerde uitlatingen van IUH, die moeten worden rechtgezet.
3.3.
IUH heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de verzoeken. Voorts heeft IUH een zelfstandig tegenverzoek gedaan. Dit verzoek houdt – kortgezegd – in dat het gerecht voor recht verklaart dat de rechtsverhouding tussen IUI en [verzoeker] op 16 september 2024 door opzegging rechtmatig is geëindigd, althans per 12 december 2024 van rechtswege is geëindigd, zulks voor het geval vast komt te staan dat de rechtsverhouding tussen partijen na 16 augustus 2024 nog bestaat.
3.4.
Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover voor de te nemen beslissing van belang, nader ingegaan.
<nr>4</nr>De beoordeling
Kwalificatie van de overeenkomst
4.1.
De vraag die centraal staat in deze zaak is of de overeenkomst tussen partijen kwalificeert als overeenkomst van opdracht of arbeidsovereenkomst. Voor de beantwoording van die vraag zal het gerecht aansluiten bij de wet en de uitgangspunten die de Hoge Raad in dit soort zaken hanteert, zoals hieronder weergegeven.
4.2.
Artikel 7A:1613a BW bepaalt dat sprake is van een arbeidsovereenkomst wanneer de ene partij, de arbeider, zich verbindt om in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten. Het gaat dus om de elementen arbeid, loon, in dienst van (gezagsverhouding of ondergeschiktheid), en gedurende een zekere tijd.
4.3.
Alvorens over te gaan tot kwalificatie van de overeenkomst tussen partijen zal eerst door uitleg aan de hand van de Haviltex-maatstaf moeten worden vastgesteld welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen (HR 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1746). Daarbij kunnen de bedoelingen van partijen en hun maatschappelijke positie een rol spelen.
4.4.
Als de overeengekomen rechten en verplichtingen vervolgens voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst, dan moet de overeenkomst ook zo worden aangemerkt. Voor die kwalificatie is niet van belang of partijen de bedoeling hadden de overeenkomst al dan niet onder de wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst te laten vallen.
4.5.
Of de overeenkomst moet worden aangemerkt als arbeidsovereenkomst hangt af van alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien. Daarbij kunnen onder meer (maar niet alleen) van belang zijn de volgende gezichtspunten (HR 23 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:443 (Deliveroo/FNV)).
4.6.
Het gaat dan om a) de aard en duur van de werkzaamheden, b) de wijze waarop de werkzaamheden en werktijden worden bepaald, c) de inbedding van het werk en degene die de werkzaamheden verricht in de organisatie en de bedrijfsvoering van degene voor wie de werkzaamheden worden verricht, d) het al dan niet bestaan van een verplichting het werk persoonlijk uit te voeren, e) de wijze waarop de contractuele regeling van de verhouding van partijen tot stand is gekomen, f) de wijze waarop de beloning wordt bepaald en waarop deze wordt uitgekeerd, g) de hoogte van deze beloning en h) de vraag of degene die de werkzaamheden verricht daarbij commercieel risico loopt. Ook kan van belang zijn i) of degene die de werkzaamheden verricht zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt of kan gedragen, bijvoorbeeld bij het verwerven van een reputatie, bij acquisitie, wat betreft fiscale behandeling, en gelet op het aantal opdrachtgevers voor wie hij werkt of heeft gewerkt en de duur waarvoor hij zich doorgaans aan een bepaalde opdrachtgever verbindt.
4.7.
De Hoge Raad heeft in het Deliveroo-arrest geen rangorde aangebracht tussen de genoemde omstandigheden die onder meer van belang kunnen zijn. Ook in HR 21 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:319 heeft de Hoge Raad geen aanleiding gezien voor het aanbrengen van een rangorde.
4.8.
Het gerecht zal hieronder naar aanleiding van deze gezichtspunten de door partijen gepresenteerde feiten en omstandigheden in deze zaak bespreken.

a. de aard en duur van de werkzaamheden
4.9. [
verzoeker] is als specialist ingeschakeld voor het project Aquatel, voor het opzetten van een telecomnetwerk. Volgens [verzoeker] was hij daar meer dan fulltime mee bezig. Uit het overzicht van zijn werkzaamheden, dat door [verzoeker] als productie is overgelegd, blijkt volgens [verzoeker] dat hij gedurende de gehele periode vanaf januari 2023 tot en met augustus 2024 uitsluitend werkzaamheden heeft verricht voor IUH. IUH betwist dat [verzoeker] (meer dan) fulltime werkzaamheden verrichte voor IUH, bij gebrek aan wetenschap, aangezien [verzoeker] de opdracht vanuit zijn eigen kantoor verrichtte. Het overzicht van de werkzaamheden zegt niets over het aantal gewerkte uren en [verzoeker] heeft ook nooit een overzicht van de bestede uren overgelegd. Er werd eens in de paar weken een afspraak gemaakt met de directie van IUH om te vergaderen en om de voortgang van de opdracht te bespreken. Op basis daarvan kon IUH beslissingen nemen over hoe het verder moest gaan met de oprichting van Aquatel. Voor IUH was het enige wat van belang was dat [verzoeker] de deadlines, zoals overeengekomen in de overeenkomst, haalde.
4.10.
Het gerecht overweegt over dit gezichtspunt als volgt. De werkzaamheden van [verzoeker] betroffen een specifieke opdracht van een bepaalde duur en vereisten specifieke kennis gericht op het opzetten van een telecomnetwerk. Dit wijst op het bestaan van een overeenkomst van opdracht. Hoeveel tijd [verzoeker] precies aan zijn werkzaamheden besteedde, staat niet vast. Uit het overzicht van zijn werkzaamheden, kan dit niet worden afgeleid. [verzoeker] heeft geen urenverantwoording overgelegd en dat hoefde ook niet. Het ging IUH erom dat hij de deadlines haalde.

b. de wijze waarop de werkzaamheden en de werktijden worden bepaald
4.11. [
verzoeker] had een grote mate van vrijheid bij het invullen van zijn werkzaamheden als specialist en bepaalde zijn werktijden zelf. Dit is ook zo opgenomen in artikel 3.6. van de overeenkomst van opdracht. Hij werkte vanuit zijn eigen kantoor en hij hoefde zich niet te houden aan bedrijfsregels met betrekking tot ziekmelding of vakantieverlof. Volgens IUH kon zij [verzoeker] ook helemaal geen instructies geven, aangezien zij de kennis niet had om [verzoeker] aan te sturen. Volgens [verzoeker] was er wel sprake van instructies door IUH. Hij heeft als voorbeeld gegeven dat hij soms een telefoontje kreeg om een oplossing te zoeken voor klanten die internet nodig hadden en dat hem is gevraagd iemand binnen IUH te helpen met zijn afstudeeropdracht. Ook is hem gevraagd te onderhandelen met leveranciers, hetgeen IUH gemotiveerd heeft betwist. IUH heeft ook betwist dat de schriftelijke machtiging, waar [verzoeker] naar heeft verwezen en waarin staat dat [verzoeker] gemachtigd is om als vertegenwoordiger alle voorbereidingen te doen ter oprichting van Aquatel, wijst op een gezagsverhouding. Volgens IUH duidt dit juist niet op een arbeidsrelatie, omdat werknemers een dergelijke machtiging ter vertegenwoordiging helemaal niet nodig hebben. Verder blijkt volgens IUH uit het memo ‘Aquatel progress 2023’, dat door [verzoeker] zelf is opgesteld uitdrukkelijk dat sprake was van een ‘collaboration’ (samenwerking) tussen hem en IUH. Ook vermeldt [verzoeker] in het memo dat hij verzoeken heeft gedaan tot het uitbreiden van het budget om het project beter te maken en tot het aantrekken van meer consultants, hetgeen volgens IUH niet wijst op een ondergeschikte verhouding van [verzoeker] jegens IUH.
4.12.
Het gerecht overweegt gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden dat de wijze waarop de werkzaamheden en de werktijden werden bepaald tussen [verzoeker] en IUH wijst op een overeenkomst van opdracht gelet op de grote vrijheid en zelfstandigheid die [verzoeker] had.

c. de inbedding van het werk en degene die de werkzaamheden verricht in de organisatie en de bedrijfsvoering van degene voor wie de werkzaamheden worden verricht.
4.13. [
verzoeker] werkte vanuit zijn eigen kantoor met zijn eigen laptop en telefoon. In eerste instantie kreeg hij een telefoon en laptop van IUH, maar hij wilde zijn eigen spullen en geen extra telefoonnummer. Dit alles duidt volgens IUH niet op inbedding, maar op een overeenkomst van opdracht. [verzoeker] heeft daar tegen ingebracht dat hij een eigen toegangspas had en een Aqualectra (de dochtervennootschap van IUH) e-mailadres. Volgens IUH was dit puur uit praktisch oogpunt (de toegangspas) en om veiligheidsredenen (met betrekking tot de bedrijfsinformatie in de e-mails). Bovendien gebruikte [verzoeker] niet de standaard handtekening die door werknemers werden gebruikt. Verder heeft [verzoeker] verwezen naar het (eenmalig) aanduiden van [verzoeker] als ‘collega’ in een e-mail door IUH en het uitnodigen voor de kerstviering en een internationale conferentie, waar [verzoeker] een pasje droeg van Aquatel met als titel ‘technisch directeur’ leggen. Niet in geschil is verder dat [verzoeker] in de Aquatel management team-appgroep zat, maar volgens IUH zijn de andere (externe) consultants van het project hier ook ingezet om de communicatie voor het project te vergemakkelijken. Tot slot heeft IUH gemotiveerd betwist dat [verzoeker] andere externe consultants (die op andere gebieden van het project werkzaamheden deden en drie werknemers (die vanuit IUH tijdelijk beschikbaar werden gesteld om dingen uit te zoeken voor het project) aanstuurde.
4.14.
Het gerecht overweegt dat op grond van vorenstaande niet kan worden gezegd dat [verzoeker] was ingebed in de organisatie van IUH. Daarbij speelt vooral mee dat [verzoeker] zijn werkzaamheden verrichtte vanuit zijn eigen kantoor met zijn eigen laptop en telefoon en volledig zelfstandig te werk ging. De tegenargumenten van [verzoeker] op ondergeschikte punten leggen onvoldoende gewicht in de schaal om te spreken van inbedding en een arbeidsrelatie. Dit gezichtspunt wijst dus op een overeenkomst van opdracht.

d. het al dan niet bestaan van een verplichting het werk persoonlijk uit te voeren
4.15.
Niet in geschil is dat [verzoeker] verplicht was zijn werk persoonlijk te verrichten. Dit staat ook zo in artikel 3.6. van de overeenkomst van opdracht. Dit wijst op het bestaan van een arbeidsrelatie.

e. de wijze waarop de contractuele regeling van de verhouding van partijen tot stand is gekomen
4.16. [
verzoeker] heeft hierover ter zitting verklaard dat hij vanwege zijn jarenlange kennis en ervaring door de voormalig CEO van IUH was benaderd voor het project Aquatel. In eerste instantie reageerde hij afwijzend, omdat hij zich eigenlijk niet meer met telecom bezig wilde houden en zelf inmiddels een real estate bedrijf had, maar uiteindelijk wilde hij toch helpen. IUH wilde [verzoeker] als consultant, maar [verzoeker] reageerde hierop met de mededeling dat hij geen consultant, maar een specialist was. Toen is de overeenkomst van opdracht ondertekend en is [verzoeker] binnen een maand, na het afronden van zijn real estate werkzaamheden, gestart.
4.17.
Het gerecht overweegt dat bij de totstandkoming sprake was van een open en gelijkwaardig gesprek en dat [verzoeker] uitdrukkelijk als specialist het project is aangegaan en bewust een overeenkomst van opdracht heeft ondertekend. Dit wijst meer in de richting van het bestaan van een overeenkomst van opdracht.

f. de wijze waarop de beloning werd bepaald en waarop deze wordt uitgekeerd
4.18. [
verzoeker] heeft hierover ter zitting verklaard dat de afspraak was dat er per maand een vast bedrag werd betaald en dat hij dan zelf voor alles zou zorgen. Een eigen kantoor, ziektekostenpremie en belastingafdracht. [verzoeker] wilde eigenlijk niet akkoord gaan met de aangeboden vergoeding, omdat zijn voormalige salaris in de telecom veel hoger was, dus werd afgesproken dat het bedrag zou worden herzien als Aquatel realiteit zou worden. Er is nooit een factuur gestuurd door [verzoeker].
4.19.
Het gerecht overweegt over de wijze waarop de beloning werd bepaald dat er is onderhandeld over de beloning, in die zin dat [verzoeker] uiteindelijk akkoord is gegaan met minder dan hij wilde ontvangen, maar met de afspraak dat het bedrag in de toekomst zou worden herzien. Zover is het echter nooit gekomen. Verder is duidelijk afgesproken dat [verzoeker] zelf voor alles zou zorgen en dit ook heeft gedaan. Hij heeft ook zelf zijn belastingafdracht gedaan. Dit alles wijst op een overeenkomst van opdracht. Het feit dat [verzoeker] echter nimmer een factuur heeft gestuurd, duidt meer op een arbeidsovereenkomst.

g. de hoogte van de beloning
4.20. [
verzoeker] ontving per maand een vast bedrag van Cg 25.000 per maand van IUH.
4.21.
Het is niet eenvoudig vast te stellen of de hoogte van de beloning meer past bij een arbeidsrelatie of bij een overeenkomst van opdracht. Er zijn immers geen werknemers bij IUH die dezelfde werkzaamheden als [verzoeker] verrichtten om de beloning mee te vergelijken. De beloning lijkt op het eerste gezicht vrij hoog, maar [verzoeker] heeft zelf verklaard dat hij als werknemer bij een ander telecombedrijf in het verleden veel meer verdiende. De hoogte van de beloning vormt dus geen aanwijzing voor het kwalificeren van de overeenkomst.

h. commercieel risico
4.22.
Tussen partijen is niet in geschil dat geen sprake was van een commercieel risico. [verzoeker] ontving iedere maand een vast bedrag, ongeacht uren, resultaten of omzet. Hij hoefde geen facturen of urenverantwoording te sturen. Ook kreeg hij doorbetaald tijdens de twee dagen dat hij ziek was. Dit duidt op een arbeidsrelatie.

i. ondernemerschap
4.23.
Volgens [verzoeker] gedroeg hij zich niet als ondernemer in het economisch verkeer en kon hij dat ook niet omdat hij (meer dan) fulltime voor IUH werkte. Zijn werkzaamheden stonden volledig en structureel in het teken van de oprichting en ontwikkeling van Aquatel, waarbij hij geen ruimte of gelegenheid had om zelfstandig commerciële activiteiten te verrichten of opdrachten voor derden aan te nemen, aldus [verzoeker]. Volgens IUH was [verzoeker] al die tijd zelfstandig ondernemer en verrichtte hij nog werkzaamheden voor zijn eigen real estate bedrijf, wat ook zijn voornaamste inkomstenbron is. [verzoeker] heeft dit betwist.
4.24.
Zoals hiervoor overwogen staat niet vast hoeveel tijd [verzoeker] precies besteedde aan het project Aquatel. Ook is het nog maar de vraag of [verzoeker] zich, als hij daarvoor de tijd had gehad, op zoek was gegaan naar andere opdrachtgevers. Hij heeft immers zelf verklaard helemaal niet de ambitie te hebben zich weer in de telecomwereld te begeven en had (en heeft) nog steeds zijn eigen real estate bedrijf. [verzoeker] heeft ter zitting verklaard dat hij zich sinds de opzegging van de overeenkomst (in augustus 2024) bezighoudt met hobby’s en mensen helpen en dus, terwijl hij daarvoor dus wel tijd had, niet aan het ondernemen is. Uit dit gezichtspunt kan dus niet worden afgeleid of sprake was een arbeidsovereenkomst of overeenkomst van opdracht.

Conclusie met betrekking tot de kwalificatie
4.25.
Op grond van alle bovenstaande gezichtspunten, in onderlinge samenhang bezien, is het gerecht van oordeel dat de tussen partijen overeengekomen rechten en verplichtingen moeten worden gekwalificeerd als een overeenkomst van opdracht. Daarbij zijn de volgende elementen doorslaggevend.
4.26. [
verzoeker] is vanwege zijn jarenlange kennis en ervaring als specialist ingeschakeld voor het project Aquatel om een telecomnetwerk op te zetten. [verzoeker] had een grote mate van vrijheid bij het invullen van zijn werkzaamheden als specialist en bepaalde zijn werktijden zelf. Hij hoefde zich niet te houden aan de bedrijfsregels omtrent ziekmelding en vakantieverlof. [verzoeker] werkte vanuit zijn eigen kantoor met zijn eigen laptop en telefoon en besprak eens in de paar weken de voortgang van zijn werkzaamheden met de directie van IUH. De werkzaamheden voor het project waren zo specialistisch dat IUH [verzoeker] in feite geen instructies kon geven, althans niet inhoudelijk. Er is tussen partijen onderhandeld over de voorwaarden van de overeenkomst van opdracht en afgesproken was de [verzoeker] voor een vast bedrag per maand alles zelf zou regelen (kantoor, afdracht premies en belasting) en hij heeft dit ook gedaan. Tegenover het voorgaande zijn de tegenargumenten van [verzoeker] (ook gezamenlijk beschouwd) van onvoldoende gewicht.
4.27.
Nu de overeenkomst tussen partijen moet worden aangemerkt als een overeenkomst van opdracht is deze overeenkomst met de opzegging van 16 augustus 2025 van rechtswege geëindigd. In eerste instantie is de overeenkomst door IUH met onmiddellijke ingang opgezegd, maar dit is later in de brief van 23 december 2025 rechtgezet door IUH, zodat de overeenkomst (met inachtneming van de overeengekomen opzegtermijn van één maand) met ingang van 16 september 2025 als beëindigd moet worden beschouwd. [verzoeker] heeft in januari 2025 nog

Cg 25.000 ontvangen van IUH, zijnde het bedrag dat hij over de opzegtermijn (16 augustus – 16 september 2025) te goed had.
4.28.
Uit het voorgaande volgt dat [verzoeker] niets meer van IUH tegoed heeft, zodat het verzoek tot betaling van Cg 105.648,16 zal worden afgewezen.

Onrechtmatig handelen, reputatieschade en onjuiste berichten
4.29.
Ten aanzien van het verzoek van [verzoeker] met betrekking tot een formele erkenning van het onrechtmatig handelen, openbare excuses voor reputatieschade en een correctie van onjuiste berichten is het gerecht van oordeel dat dit verzoek onvoldoende onderbouwd en te onbepaald is.
4.30.
Gelet op de gemotiveerde betwisting van IUH heeft [verzoeker] onvoldoende onderbouwd dat sprake is van onrechtmatig handelen, reputatieschade en het naar buiten brengen van onjuiste berichten die gecorrigeerd zouden moeten worden. IUH heeft onweersproken aangevoerd dat niet zij, maar [verzoeker] zelf een e-mail aan een derde heeft doorgestuurd, waarin de beschuldigingen staan. Ook heeft IUH nimmer iets via de media naar buiten gebracht. Voor zover het verzoek om een formele erkenning jegens [verzoeker] zelf, heeft IUH hier, voor zover zij hier al toe was gehouden, in de e-mails van 11 oktober 2025 en 23 december 2025 aan voldaan.

Bovendien is het verzoek te onbepaald. Niet duidelijk is hoe, aan wie en op welke wijze IUH aan dit verzoek zou moeten voldoen, zodat het verzoek ook om die reden niet kan worden toegewezen.

Tegenverzoek IUH
4.31.
IUH heeft een zelfstandig tegenverzoek gedaan, voor zover het gerecht zou oordelen dat de rechtsverhouding tussen IUH en [verzoeker] na 16 augustus 2024 is blijven bestaan. Gelet op het voorgaande zal het gerecht het tegenverzoek toewijzen, in die zin dat verklaard zal worden voor recht dat de rechtsverhouding tussen IUH en [verzoeker] op 16 september 2024 door opzegging rechtmatig is geëindigd.
4.32.
De slotsom luidt dat de verzoeken van [verzoeker] zullen worden afgewezen en het tegenverzoek van IUH zal worden toegewezen.
4.33. [
verzoeker] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten van IUH worden tot aan deze uitspraak begroot op

Cg 1.500 aan gemachtigdensalaris. De proceskosten in het tegenverzoek zullen worden gecompenseerd, omdat dit verzoek op dezelfde stellingen is gebaseerd als het verweer in het verzoek.
<nr>5</nr>De beslissing
Het gerecht:

in het verzoek
5.1.
wijst de verzoeken van [verzoeker] af;
5.2.
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van IUH van Cg 1.500;

in het tegenverzoek
5.3.
verklaart voor recht dat de rechtsverhouding tussen IUH en [verzoeker] op

16 september 2024 door opzegging rechtmatig is geëindigd;
5.4.
compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gewezen door mr. M. Woerdman, rechter, bijgestaan door

mr. M.D.M. Connor, griffier, en in het openbaar uitgesproken.

Artikel delen