Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:OGHACMB:2026:174

In deze zaak gaat het om de eigendom van een strook grond. Bij kadastrale opmeting is gebleken dat de scheidingsmuur tussen beide percelen deels op het aangrenzende perceel ligt. Het aangrenzende perceel is in eigendom van Het Land, die het in erfpacht heeft uitgegeven. Ingebruikneming van Curaçaose overheidsgrond geldt niet als inbezitneming als bedoeld in artikel 3:113 BW. Het vermoeden van a...

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 7 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:OGHACMB:2026:174 text/xml public 2026-07-07T09:03:33 2026-07-06 Raad voor de Rechtspraak nl Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 2026-06-30 CUR2025H00244 en CUR2025H00245 Uitspraak Hoger beroep NL Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGHACMB:2026:174 text/html public 2026-07-07T08:58:40 2026-07-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:OGHACMB:2026:174 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba , 30-06-2026 / CUR2025H00244 en CUR2025H00245
In deze zaak gaat het om de eigendom van een strook grond. Bij kadastrale opmeting is gebleken dat de scheidingsmuur tussen beide percelen deels op het aangrenzende perceel ligt. Het aangrenzende perceel is in eigendom van Het Land, die het in erfpacht heeft uitgegeven. Ingebruikneming van Curaçaose overheidsgrond geldt niet als inbezitneming als bedoeld in artikel 3:113 BW. Het vermoeden van artikel 3:109 BW dat wie een goed houdt, wordt vermoed dit voor zichzelf te houden geldt in een dergelijk geval als weerlegd.

Burgerlijke zaken over 2026

Registratienummers: CUR202404770 – CUR2025H00244 en CUR2025H00245

Uitspraak: 30 juni 2026

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in de zaken van

HET LAND CURAÇAO,

zetelend in Curaçao,

in eerste aanleg gedaagde,

thans appellant,

gemachtigden: mr. E.A.M.J. van den Berg en mr. G.N. Hollander,

en

[erfpachter],

wonend in Curaçao,

in eerste aanleg derde in het geding betrokken partij,

thans appellante,

gemachtigden: mr. D.M. Wildeman en D.E. van Voorst,

tegen

de naamloze vennootschap

MELBER HOLDING N.V.,

gevestigd in Curaçao,

in eerste aanleg eiseres,

thans geïntimeerde,

procederend bij haar directeur.

Partijen worden hierna Het Land, de erfpachter (en gezamenlijk: appellanten) respectievelijk Melber genoemd.

De zaak in het kort

In deze zaak gaat het om de eigendom van een strook grond. Bij kadastrale opmeting is gebleken dat de scheidingsmuur tussen beide percelen deels op het aangrenzende perceel staat. Het aangrenzende perceel is in eigendom van Het Land, die het in erfpacht heeft uitgegeven.

In eerste instantie is geoordeeld dat de gebruiker van het strookje grond door verkrijgende verjaring daarvan eigenaar is geworden. Het Hof beoordeelt de vorderingen in hoger beroep opnieuw en komt tot een ander oordeel.
<nr>1</nr>Het verloop van de procedure In de zaak met nummer CUR2025H00244 1.1
Bij op 3 oktober 2025 ingekomen akte van appel is de erfpachter in hoger beroep gekomen van het op 25 augustus 2025 tussen Het Land en Melber uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) waarbij de erfpachter als derde partij was betrokken.
1.2
Bij op 14 november 2025 ingekomen memorie van grieven heeft de erfpachter twee grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen, de vorderingen van Melber alsnog zal afwijzen en daarnaast voor recht zal verklaren dat het ageren van Melber tegen de inbalking ten behoeve van een overkapping of schommel, het aanbrengen van beplantingen en van bescheiden voorwerpen als bepleistering (door de erfpachter) misbruik van recht oplevert, met veroordeling van Melber in de proceskosten in beide instanties.
1.3
Melber heeft geen memorie van antwoord genomen. Wel heeft hij op 3 maart 2026 ter gelegenheid van het pleidooi producties toegestuurd.
1.4
Op 19 mei 2026 hebben partijen pleitnotities ingediend. Melber ook nog een gezamenlijke pleitnotitie in beide zaken.
1.5
Vonnis is bepaald op vandaag.

In de zaak met nummer CUR2025H00245
1.6
Bij op 6 oktober 2025 ingekomen akte van appel is Het Land in hoger beroep gekomen van het op 25 augustus 2025 tussen haar en Melber uitgesproken vonnis van het Gerecht.
1.7
Bij op 17 november 2025 ingekomen memorie van grieven heeft Het Land grieven aangevoerd en toegelicht en geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van Melber in de kosten van het hoger beroep.
1.8
Melber heeft geen memorie van antwoord genomen. Wel heeft Melber op 3 maart 2026 ter gelegenheid van het pleidooi producties toegestuurd.
1.9
Op 19 mei 2026 hebben partijen pleitnotities ingediend. Melber ook nog een gezamenlijke pleitnotitie in beide zaken.
1.10
Vonnis is bepaald op vandaag.
<nr>2</nr>De feiten 2.1
Melber heeft op 18 november 1991 van X.. een perceel grond gekocht, gelegen in het Tweede district van Curaçao, ter grootte van ongeveer zevenhonderd vierkante meter, nader omschreven in rooibrief nr. 154/1939, met het daarop gebouwde, destijds plaatselijk bekend als [STRAATNAAM 1] en thans bekend als [STRAATNAAM 2] (hierna: het perceel).
2.2
Het aangrenzende perceel (thans bekend als [STRAATNAAM 3]) bestond ten tijde van de koop door Melber uit ‘mondi’, onbebouwde begroeide grond in eigendom van Het Land en is in 1983 door Het Land in erfpacht uitgegeven aan de ouders van de erfpachter en in 2019 aan de erfpachter.
2.3
Op het perceel stond ten tijde van de verkrijging door Melber een muur die het perceel scheidt van [STRAATNAAM 3]. De muur staat er nog steeds en vormt de buitenmuur van een door Melber op het perceel gebouwd fitnesscentrum. Melber heeft op enig moment de muur verhoogd en daarin openingen aangebracht die op last van de rechter gesloten moeten worden en blijven (zaak gepubliceerd onder ECLI:NL:OGHACMB:2026:73).
2.4
In 2017 heeft het Kadaster in opdracht van Melber de erfgrens tussen [STRAATNAAM 2] en [STRAATNAAM 3]. Daarbij is gebleken dat de muur deels over de erfgrens, en dus op het perceel [STRAATNAAM 3] van Het Land c.q. erfpachter is gebouwd. Het betreft een strook grond in de vorm van een driehoek waarvan de lange zijde 9.70 meter is en het breedste gedeelte 0.86 meter is (hierna: de strook grond). Uit de meting is verder gebleken dat een klein deel van het perceel [STRAATNAAM 3] bij Melber in gebruik is (0,74 m2). Zie onderstaande situatieschets:
<nr>3</nr>De procedure bij het Gerecht 3.1
In deze rechtszaak heeft Melber gevorderd:

1. een verklaring van recht dat zij eigenaar is geworden van de strook grond zoals weergegeven in de plot grensuitzetting van het Kadaster nr. 13630/2017;

2. een verklaring van recht dat er een erfdienstbaarheid wordt gevestigd tot het handhaven van de bestaande toestand;

3. de veroordeling van Het Land om de grond waarop de muur staat aan Melber in eigendom over te dragen, eventueel tegen een schadeloosstelling, met bepaling dat het in deze zaak te wijzen vonnis in de plaats zal treden van een notariële akte of van de door Het Land te verlenen medewerking aan de notariële akte, op straffe van verbeurte van een dwangsom van Cg 500 per dag(deel);

4. kosten rechtens.
3.2
Bij het bestreden vonnis heeft het Gerecht de vordering onder 1 toegewezen.
3.3
Het Gerecht heeft daartoe overwogen dat Melber door verjaring eigenaar is geworden van het strookje grond. Het Gerecht heeft het beroep van Het Land op artikel 3:106a BW verworpen omdat dat artikel pas in 2014 in werking is getreden en geen terugwerkende kracht heeft.
<nr>4</nr>De beoordeling
In de zaken CUR2025H00044 en CUR2025H00045

Standpunten partijen
4.1
Kort gezegd komen die op het volgende neer. Melber baseert zijn vorderingen op verjaring: hij stelt dat hij meer dan twintig jaar bezitter is van de strook grond en op grond daarvan nu door (verkrijgende dan wel bevrijdende) verjaring eigenaar van die strook grond is geworden. Zowel Het Land als de erfpachter bestrijden dat standpunt. Hun primaire verweer is dat geen sprake kan zijn van verkrijgende verjaring omdat Melber het strookje grond niet in bezit heeft gehad. Uitgangspunt is immers, aldus appellanten, dat ingebruikneming van overheidsgrond niet geldt als inbezitneming zoals bedoeld in artikel 3:113 lid 2 BW. Subsidiair beroepen appellanten zich op het bepaalde in artikel 3:106a BW.

Oordeel Hof
4.2
Voor verkrijging op grond van het bepaalde in artikel 3:105 lid 1 BW is vereist dat degene die zich op die verkrijging beroept, het bezit heeft op het moment waarop de verjaring van de rechtsvordering tot beëindiging van het bezit wordt voltooid. Bezit is het houden van een goed voor zichzelf, niet voor een ander.
4.3
Volgens artikel 3:108 BW wordt de vraag of iemand een goed voor zichzelf houdt, beoordeeld naar verkeersopvatting, met inachtneming van de wettelijke regels die in de artikelen 3:109 e.v. BW worden gegeven en op grond van uiterlijke feiten. De rol van de verkeersopvatting brengt mee dat daarbij de aard en de bestemming van het betrokken goed in aanmerking moeten worden genomen. In dit geval gaat het om overheidsgrond. Ten tijde van de koop door Melber was het aangrenzende perceel slechts ‘mondi’, onbebouwd begroeide grond die toebehoorde aan Het Land. De aard van de grond is met betrekking tot percelen op andere eilanden in het Caribische deel van het Koninkrijk der Nederlanden aan de orde geweest in zaken die hebben geleid tot eerdere uitspraken van het Hof (zoals de vonnissen kenbaar uit HR 24 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO2422 (Sint Eustatius), GHvJ 13 augustus 2013, ECLI:NL:OGHACMB:2013:19 (Curaçao), GHvJ 28 februari 2014, ECLI:NL:OGHACMB:2014:18 (Sint Maarten), GHvJ 2 februari 2018, ECLI:NL:OGHACMB:2018:31 (Saba), en ECLI:HR:2022:308 (Aruba). Het Hof zal ook in deze zaak in dezelfde lijn als in die zaken beslissen.
4.4
Om inbezitneming door Melber (of haar rechtsvoorganger) te kunnen aannemen, is vereist dat haar machtsuitoefening zodanig was dat naar verkeersopvatting het bezit van

de oorspronkelijke bezitter wordt tenietgedaan (HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:309, NJ 2018/141, rov. 3.3.3). Het gaat in dit geval om de verkeersopvatting in de Curaçaose samenleving. De oorspronkelijke bezitter is in dit geval de overheid (tot 2010 de Nederlandse Antillen, nadien Het Land). Het is een feit van algemene bekendheid dat in het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden veelvuldig overheidsgronden door particulieren voor verschillende doeleinden in gebruik werden genomen. De overheid gedoogde dat, althans zolang de overheid de grond niet zelf nodig had. De gebruikers van dergelijke overheidsgronden waren, naar verkeersopvatting, hooguit – bij uitoefening van voldoende macht – houders voor de overheid, ook als zij geen vergoeding betaalden en hun gebruik een exclusief karakter had gekregen. Ingebruikneming van Curaçaose overheidsgrond geldt dus in de regel niet als inbezitneming als bedoeld in artikel 3:113 BW. Het vermoeden van artikel 3:109 BW dat wie een goed houdt, wordt vermoed dit voor zichzelf te houden geldt in een dergelijk geval als weerlegd.
4.5
Dat is in dit geval niet anders. De feitelijkheden waarop Melber zich ter ondersteuning van zijn vordering en standpunten beroept - te weten dat de muur er al stond toen zij het perceel kocht, zij deze als buitenmuur van het door haar gebouwde fitnesscentrum gebruikt en de muur met vergunning van de overheid heeft opgehoogd – zijn naar Curaçaose verkeersopvattingen onvoldoende om in dit geval als bezitsdaden te kwalificeren. Deze feitelijkheden passen evengoed bij, althans zijn niet onverenigbaar met, een houderschap voor Het Land als eigenaar. Al met al leveren deze feitelijkheden geen inbezitneming op en evenmin een tegenspraak in de zin van artikel 3:111 BW.

Overige vorderingen van Melber
4.6
Ook overige vorderingen van Melber tegen Het Land zijn niet toewijsbaar, nu daarvoor een voldoende onderbouwde grondslag ontbreekt.

Tegenvordering van de erfpachter
4.7
Het Hof zal de tegenvordering van de erfpachter afwijzen, nu een dergelijke vordering niet voor het eerst in hoger beroep kan worden ingesteld (artikel 280 Rv).

Slotsom
4.8
Het hoger beroep slaagt. Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en Melber zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten van Het Land, zowel die van de eerste aanleg als die in hoger beroep. Omdat in de zaak tussen Melber en de erfpachter de partijen over en weer in het ongelijk worden gesteld zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Alle overige vorderingen worden afgewezen.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht,

wijst de vorderingen af,

veroordeelt Melber in de kosten van de procedure aan de zijde van Het Land, in eerste aanleg tot aan het vonnis waarvan beroep begroot op nihil en tot aan deze uitspraak in hoger beroep begroot op Cg 481,48 aan betekeningskosten,

compenseert de kosten van de procedure tussen Melber en de erfpachter in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep,

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mrs. C.J.H.G. Bronzwaer, E.A. Saleh en E.M. van der Bunt, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting uitgesproken op 30 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.

Artikel delen