Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 19 August 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI
ECLI:NL:OGHACMB:2026:227
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
19-08-2026
Datum publicatie
19-08-2026
Zaaknummer
BON202500063- BON2025H00068
Rechtsgebied
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
ECLI:NL:OGHACMB:2026:227text/xmlpublic2026-08-19T17:18:092026-08-19Raad voor de RechtspraaknlGemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba2026-08-18BON202500063- BON2025H00068UitspraakHoger beroepNLCiviel rechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGHACMB:2026:227text/htmlpublic2026-08-19T17:15:562026-08-19Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:OGHACMB:2026:227 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba , 18-08-2026 / BON202500063- BON2025H00068 Bonaire: partneralimentatie
Burgerlijke zaken over 2026
Registratienummers: BON202500063- BON2025H00068
Uitspraak: 18 augustus 2026 GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba B E S C H I K K I N G in de zaak van: [Appellant],
wonende in [woonplaats],
hierna: de man,
in eerste aanleg verweerder tegen het zelfstandig tegenverzoek,
thans appellant,
gemachtigde: mr. E.J. Winkel, tegen [Geïntimeerde],
wonende in [woonplaats],
hierna: de vrouw,
in eerste aanleg verzoekster van het zelfstandig tegenverzoek,
thans geïntimeerde,
gemachtigde: mr. A.T.C. Nicolaas. 1Het verloop van de procedure in hoger beroep1.1 Het Hof heeft de volgende stukken ontvangen:
- een op 9 december 2025 ingekomen beroepschrift (met producties), waarbij de man in hoger beroep is gekomen van de tussen partijen gewezen en op 29 oktober 2025 uitgesproken beschikking van het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, zittingsplaats Bonaire (hierna: het Gerecht);
- een mailbericht van de vrouw van 18 juni 2026 met producties H1—H3;
- een mailbericht van de vrouw van 22 juni 2026 met producties H4 en H5. 1.2 De mondelinge behandeling in deze zaak heeft plaatsgevonden op 23 juni 2026 in het Gerechtsgebouw in Bonaire. Verschenen zijn partijen met hun gemachtigden, die allebei pleitnotities hebben gehanteerd. 1.3 Beschikking is aangezegd op vandaag. 2De feiten2.1 Partijen zijn op 19 juni 2016 met elkaar gehuwd. Uit dit huwelijk zijn geen kinderen geboren. 2.2 De man zal per 4 augustus 2026 een AOV-uitkering ontvangen. 3De procedure bij het Gerecht3.1 De man heeft verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. De vrouw heeft een zelfstandig tegenverzoek ingediend waarbij zij (voorzover nog van belang in hoger beroep) heeft verzocht om te bepalen dat de man haar een partneralimentatie zal betalen van USD 1.793,97. 3.2 Bij de bestreden beschikking heeft het Gerecht de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en bepaald dat de man aan de vrouw USD 1.263,75 moet betalen als bijdragen in de kosten van haar levensonderhoud. 4De beoordeling omvang van het appel 4.1 Het hoger beroep is uitsluitend gericht tegen bestreden beschikking voor zover deze betrekking heeft op de vaststelling van partneralimentatie. behoefte van de vrouw 4.2 Het Gerecht heeft de maandelijkse behoefte van de vrouw als volgt bepaald. Aan kosten heeft het Gerecht gerekend USD 1.590 (USD 600 voor levensonderhoud + USD 750 als redelijke huur + USD 240 (als totaal voor internet, kabel en benzine). Daarop heeft het Gerecht aan maandelijkse inkomsten USD 396,25 in mindering gebracht, resulterend in een behoefte van USD 1.263,75 per maand. 4.3 Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de man bezwaren aangevoerd tegen de hoogte van deze behoefte. Dat is laat in de procedure, maar de bezwaren van de man zijn uitgebreid aan de orde gekomen op de zitting en de gemachtigde van de vrouw heeft daarop ook gereageerd. De vrouw heeft bovendien zelf in hoger beroep een kostenoverzicht overgelegd (productie H2) en ter zitting vragen beantwoord over haar huidige financiële situatie. Het Hof zal de hoogte van de behoefte opnieuw bezien, om zoveel mogelijk recht te doen aan de actuele situatie van partijen. 4.4 Daarbij zal het Hof rekening houden met de leeftijd van de vrouw (nu 56 jaar) en haar gebrek aan verdiencapaciteit als gevolg van medische problemen. Met inkomsten uit een eenmanszaak (de verkoop van juices) zal het Hof geen rekening houden. De vrouw heeft zowel bij het Gerecht als bij het Hof verklaard dat een dochter van de vrouw de zaak heeft overgenomen. Zij helpt die dochter wel in de huishouding en met het betalen van de boodschappen; de vrouw woont bij haar beide dochters in. 4.5 De vrouw heeft in hoger beroep een kostenoverzicht overgelegd dat sluit op USD 1.610, waarvan USD 1.050 aan woonlasten (USD 850 aan huur en USD 200 aan elektriciteit). Nu de vrouw bij haar beide dochters in woont en zij niet heeft aangegeven dat dit een tijdelijke situatie is, gaat het Hof er vanuit dat zij de woonlasten met z’n drieën delen. Voor de vrouw wordt daarom rekening gehouden met een woonlast van USD 350 per maand. De overige kosten op het kostenoverzicht (USD 560 aan eten, benzine en persoonlijke kosten) komen het Hof redelijk voor. De behoefte van de vrouw wordt daarom bepaald op USD 910 (USD 350+ USD 560). draagkracht van de man 4.6 Het Hof houdt bij de bepaling van de draagkracht van de man rekening met de hierna volgende inkomsten. De man zal per augustus 2026 over een AOV-uitkering beschikken, die volgens zijn gemachtigde USD 1.500-1.700 per maand zal bedragen, naar het Hof aanneemt is dit het bedrag bij volledige opbouw van de AOV. Nu de man (volgens het door hem overgelegde uittreksel uit de basisadministratie) vanaf 1998 in Bonaire woont gaat het Hof uit van een AOV-uitkering van rond USD 800 per maand. Daarnaast staat vast dat de man een inkomen geniet als bestuurder van [bedrijf 1] (een vennootschap met als handelsnaam [bedrijf 2]). Anders dan waar het Gerecht vanuit ging betreft het dus niet twee aparte bedrijven, de vrouw erkent dat. 4.7 Het Gerecht heeft het inkomen uit deze vennootschap bepaald op USD 3.402 per maand, gebaseerd op het minimum-inkomen dat de man zichzelf als bestuurder van de vennootschap op grond van geldende fiscale wet- en regelgeving moet uitkeren. In hoger beroep heeft de man aangevoerd dat hij zichzelf thans USD 1.702 per maand uitkeert, aangezien zijn dochter en schoonzoon inmiddels naast hem benoemd zijn als bestuurder van de vennootschap. Dit is echter een vrije keus van de man en beïnvloedt daarom niet zonder meer zijn verdiencapaciteit. De vrouw heeft aangevoerd dat de man geen openheid van zaken geeft en dat zij reden heeft om aan te nemen dat hij meer inkomsten uit het bedrijf krijgt dan hij laat zien in deze procedure. Het fictieve gebruikelijke loon voor een statutair bestuurder in Bonaire in 2026 bedraagt volgens de vrouw USD 3.659 en zij voert aan dat de man minimaal dit bedrag aan inkomsten uit het bedrijf kan betrekken. 4.8 De man heeft jaarstukken over 2024 van [bedrijf 1] overgelegd, maar onduidelijk is wie die heeft opgesteld en of deze een getrouw beeld geven van winst en verlies van deze onderneming. Datzelfde geldt voor de jaarstukken van het bedrijf [bedrijf 3] Volgens de man heeft deze onderneming geen operationele activiteiten en geniet hij daar geen inkomsten uit, maar de vrouw betwist dat. Die onderneming bezit een bedrijfspand dat verhuurd wordt aan [bedrijf 1] en waarin de man zelf ook woont. Jaarstukken over 2025 van beide bedrijven zijn niet overgelegd. De vrouw heeft ter zitting nog aangevoerd dat de man containers vervoert naar de Dominicaanse Republiek. De man heeft dat niet ontkend en hij heeft niet duidelijk gemaakt hoeveel hij daarmee verdient. 4.9 De man heeft ook in hoger beroep nog steeds weinig duidelijkheid gegeven over de activiteiten van zijn bedrijven en de inkomsten daaruit. Dit komt voor zijn risico en leidt er toe dat het Hof aanneemt dat hij minstens over inkomsten van afgerond USD 4.460 per maand kan beschikken (USD 800 aan AOV-uitkering en USD 3.659 aan inkomsten uit [bedrijf 1]). 4.10 Wat betreft de uitgaven die de man heeft opgevoerd geldt tenslotte het volgende. De man heeft bij het Gerecht een overzicht van zijn maandelijkse kosten overgelegd (productie 2 bij brief van 6 juni 2025). Van de daar opgevoerde kosten van in totaal USD 1.697) heeft de post “Iglesia”(USD 250) in elk geval geen voorrang boven zijn verplichting om een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw te leveren. Het Hof gaat daarom uit van uitgaven in totaal van USD 1.450. De man heeft op de zitting in hoger beroep verklaard dat hij in de Dominicaanse Republiek wil gaan wonen, omdat daar de kosten van levensonderhoud lager zijn, zodat zijn uitgaven nog zullen dalen. 4.11 Gelet op al deze omstandigheden gaat het Hof er vanuit dat de man voldoende draagkracht heeft om in de totale behoefte van de vrouw te voorzien. Het Hof zal de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw dan ook bepalen op USD 910 per maand. 4.12 De beschikking waarvan beroep dient te worden vernietigd en het Hof zal bepalen dat de man met ingang van 1 september 2026 USD 910 per maand zal betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud. 4.13 Alimentatie pleegt van maand tot maand te worden opgebracht en uitgegeven. Daarom zal het Hof de alimentatie tot 1 september 2026 bepalen op het totaalbedrag dat de man heeft betaald op grond van de bestreden beschikking of dat op hem is verhaald. 4.14 Voor een kostenveroordeling bestaat geen aanleiding. B E S L I S S I N G Het Hof: vernietigt het dictum onder 3.2. van de beschikking waarvan beroep, waarin de door de man te betalen bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw is bepaald, en opnieuw rechtdoende: bepaalt dat de man met ingang van 1 september 2026 USD 910 per maand zal betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud; bepaalt de door de man te betalen bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw tot 1 september 2026 op hetgeen de man daarvoor heeft betaald op grond van de bestreden beschikking of hetgeen op hem is verhaald; verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; bevestigt de bestreden beschikking voor het overige. wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mrs. C.G. ter Veer, E.M. van der Bunt en A.J.J. van Rijen, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 18 augustus 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.