Faillissement. Vordering. Beslaglegger. Schuldenaar.
A.d.h.v. NJ 1915, p. 882 uitgetypte tekst van de HR-conclusie in de civiele zaak met HR- zaaknummer 4397. De originele HR-conclusie is niet meer voorhanden.
Parket bij de Hoge Raad 29 June 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI
ECLI:NL:PHR:1915:3
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
29-06-2026
Datum publicatie
29-06-2026
Zaaknummer
4397
Rechtsgebied
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
ECLI:NL:PHR:1915:3text/xmlpublic2026-06-29T15:02:512026-06-29Raad voor de RechtspraaknlParket bij de Hoge Raad1915-05-284397ConclusieNLCiviel rechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1915:3text/htmlpublic2026-06-29T15:02:172026-06-29Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:PHR:1915:3 Parket bij de Hoge Raad , 28-05-1915 / 4397 Faillissement. Vordering. Beslaglegger. Schuldenaar. A.d.h.v. NJ 1915, p. 882 uitgetypte tekst van de HR-conclusie in de civiele zaak met HR- zaaknummer 4397. De originele HR-conclusie is niet meer voorhanden. Conclusie van den Procureur-Generaal Mr. Noyon. Door de eischeres in cassatie is onder de verweerster tot verhaal van eene vordering van f 50 .- beslag gelegd op hetgeen de verweerster zou blijken schuldig te zijn aan den debiteur der eischeres. Dit beslag heeft niet tot eene veroordeeling van de verweerster geleid, omdat in den loop van het geding de debiteur in staat van faillissement werd verklaard, waardoor het beslag met de gevolgen van dien werd geacht te zijn vervallen. Echter is de verweerster op grond dat hare in het geding gedane verklaring ondeugdelijk was bevonden ingevolge de bepaling van het tweede lid van art. 750 Rv. verwezen in eene schadeloosstelling ten bedrage van f 50 .-.
Tegen deze veroordeeling kwam de verweerster in appel.
Bij het arrest waarvan beroep is ambtshalve op initiatief van het Openbaar Ministerie onderzocht of de zaak voor appel vatbaar was en de vatbaarheid vastgesteld op grond dat zij afhankelijk was niet alleen van het bedrag waarvoor beslag was gelegd, maar ook van de bij repliek gedane vordering tot veroordeeling van vergoeding van kosten, schaden en interessen wegens het afleggen van de ondeugdelijke verklaring, welke vordering, niet tot een zeker bedrag beperkt, is van onbepaalde waarde en dus niet van appel is uitgesloten.
Als eerste middel van cassatie stelt de eischeres nu: „Schending of verkeerde toepassing van artt. 54, 69 R.O., artt. 1, 5, 134, 332, 475, 479, 741, 750 en 752 Rv., doordien het Hof, vooropstellende dat de volstrekte bevoegdheid des Rechters wordt bepaald door het bedrag, dat bij dagvaarding wordt gevorderd, van oordeel is dat deze regel eene uitzondering toelaat in de verklaringsprocedure, in dien zin, dat de volstrekte bevoegdheid aldaar moet worden beoordeeld, niet slechts naar het bij dagvaarding gevorderde bedrag, doch ook naar datgene wat bij repliek daarenboven gevorderd wordt in geval van betwisting der afgelegde verklaring, - welke onjuiste overweging het Hof er toe heeft geleid de onderhavige vordering te beschouwen als te zijn van een onbepaald bedrag, en te oordeelen dat tegen het te dezer zake gewezen vonnis hooger beroep zoude zijn toegelaten.
Ofschoon de eischeres de appellabiliteit tot dusverre niet bestreden had kan dit middel onderzocht worden, omdat het gericht is tegen eene ambtshalve gegeven beslissing.
Het zal echter afstuiten op hetgeen beslist werd door den Hoogen Raad bij arrest van 29 Januari 1909 (W. 8812, Rspr. 211 § 13), nl. dat het doen van verklaring bij een beslag onder derden is eene verbintenis uit de wet om iets te doen, en eene verplichting om iets te doen, dus ook de rechtsvordering strekkende om die vervuld te krijgen, is van onbepaalde waarde. Het Hof had om tot zijne beslissing te komen dus niet eenmaal het onbepaalde van de vordering tot schadevergoeding behoeven te hulp te roepen, en ook al zou het dit ten onrechte gedaan hebben, die beslissing was er niet minder juist om.
Bij het arrest waarvan beroep is nu afgewezen de in eersten aanleg toegewezen vordering tot schadevergoeding wegens het afleggen van eene ondeugdelijke verklaring, omdat deze vordering geacht moet worden met de oorspronkelijke vordering wegens het inmiddels ingetreden faillissement van den hoofdschuldenaar vervallen te zijn.
Hiertegen komt de eischeres op met haar tweede middel: „Schending, of verkeerde toepassing van art. 750 Rv. in verband met art. 33 F.W. en de artt. 479, 741, 751, 752 Rv. en de artt. 1401 en 1402 B.W., door aan te nemen dat, nu het vonnis van faillietverklaring ten gevolge heeft dat alle gerechtelijke tenuitvoerlegging op eenig deel van het vermogen van den schuldenaar, vóór het faillissement aangevangen, dadelijk een einde neemt, ook de verklaringsprocedure tegen den derde- gearresteerde in haar geheel een einde heeft genomen ten gevolge van het faillissement van den hoofddebiteur, ook dus ten aanzien van eene vordering tot schadeloosstelling ingevolge de bepaling van de tweede alinea van art. 750 Rv. tegen den derde-gearresteerde ingesteld, daarbij uit het oog verliezende, dat laatstbedoelde vordering niet strekt om te geraken tot executie van eenig bestanddeel van het vermogen van den gefailleerde, doch gericht is op het vermogen van den derde-gearresteerde, geheel onafhankelijk van diens schuld aan den hoofd- debiteur waarop het derden- arrest rust.
Ook dit middel komt mij ongegrond voor.
De eischeres betwist niet dat, nu door het faillissement elke tenuitvoerlegging op het vermogen van den schuldenaar is vervallen, ook het geding, gevolg van een gelegd beslag, verdwijnt. Nu is de verplichting tot het afleggen van eene deugdelijke verklaring niet eene algemeene, zelfstandige verplichting van den schuldenaar des hoofdschuldenaars, maar eene verplichting die geheel samenhangt met de beslagprocedure, alleen door haar ontstaat en aan haar onderworpen is. Valt de vordering tegen den beslagene weg, dan is er ook geene plaats meer voor eenig gevolg van de in de procedure over die vordering door partijen aangenomen houding, al zou zulk een gevolg ook niet het vermogen van den gefailleerde raken.
Ik concludeer tot verwerping van het beroep met veroordeeling van de eischeres in de kosten.