Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:PHR:2026:638

Conclusie AG. Voorhanden hebben Poolse verblijfskaart, waarvan de verdachte redelijkerwijs moest vermoeden dat deze vals was (art. 231 Sr). (Tijdelijk) vervolgingsbeletsel openbaar ministerie vanwege het beroep van de verdachte op art. 31 lid 1 van het Vluchtelingenverdrag? Het oordeel van het hof dat geen sprake is van een situatie waarin de verdachte het (valse) Poolse verblijfsdocument onmi...

Parket bij de Hoge Raad 3 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:PHR:2026:638 text/xml public 2026-07-03T17:46:38 2026-06-24 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-06-30 24/04316 Conclusie NL Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:638 text/html public 2026-07-03T17:46:06 2026-07-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:638 Parket bij de Hoge Raad , 30-06-2026 / 24/04316
Conclusie AG. Voorhanden hebben Poolse verblijfskaart, waarvan de verdachte redelijkerwijs moest vermoeden dat deze vals was (art. 231 Sr). (Tijdelijk) vervolgingsbeletsel openbaar ministerie vanwege het beroep van de verdachte op art. 31 lid 1 van het Vluchtelingenverdrag? Het oordeel van het hof dat geen sprake is van een situatie waarin de verdachte het (valse) Poolse verblijfsdocument onmiskenbaar in het kader van de vlucht in haar bezit had, is niet onbegrijpelijk, nu de verdachte heeft verklaard dat zij vanuit haar verblijfplaats in België een (vals) Pools verblijfsdocument heeft verkregen, omdat zij in Europa wilde werken. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/04316

Zitting 30 juni 2026

CONCLUSIE

V.M.A. Sinnige

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,

hierna: de verdachte
<nr>1</nr>Inleiding 1.1
De verdachte is bij arrest van 21 november 2024 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch (parketnr. 20-000460-24) wegens “een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht voorhanden hebben, waarvan zij redelijkerwijs moet vermoeden, dat het vals is”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met aftrek overeenkomstig art. 27 Sr.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J.L.E. Marchal, advocaat in Maastricht, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
<nr>2</nr>Het middel 2.1
Het middel klaagt over de verwerping door het hof van het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging.
2.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat zij:

“op 6 januari 2023 in de gemeente [plaats] een identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid van artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht, te weten een Poolse verblijfskaart, waarvan zij redelijkerwijs moest vermoeden dat deze vals was, voorhanden heeft gehad.”
2.3
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 7 november 2024 heeft de verdachte aldaar het volgende verklaard:

“De oudste raadsheer vraagt mij waarom ik over een Pools verblijfsdocument beschik als ik nooit in Polen ben geweest en nooit in Polen heb gewoond. Ik wilde beschikken over Europese documenten, zodat ik in Europa zou kunnen werken. Ik heb van deze optie gebruik gemaakt omdat dit is wat mij geadviseerd werd. Op het moment van de aanvraag van het verblijfsdocument woonde ik in België.

(…)

U, voorzitter, vraagt mij of ik kan vertellen hoe ik binnen ben gekomen ben in de Europese Unie. Ik kwam binnen via een toeristenvisum in Nederland. Toen heb ik de [betrokkene 1] ontmoet. Ik heb met hem gedurende een jaar samengewoond in Nederland. U, voorzitter, vraagt mij welk jaar dit was. Het was van halverwege de zomer in het ene jaar tot halverwege de zomer van het andere jaar, maar ik weet niet meer welk jaartal dit betrof. Dat staat in het dossier. Ik heb erover verklaard. Terwijl wij nog samenwoonden, ging ik op sommige momenten naar Duitsland om daar te werken. Daarna kwam ik weer terug. U, voorzitter, houdt mij voor dat ik ten tijde van de aanhouding uit België kwam. Ja, op dat moment waren de [betrokkene 1] en ik al uit elkaar en verbleef ik in België. Ik had daar werk gevonden.”
2.4
Op diezelfde terechtzitting heeft de raadsman van de verdachte een verweer gevoerd strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging. Dit verweer houdt in:

“De verdediging doet primair een beroep op artikel 31 van het Vluchtelingenverdrag. Ik baseer mij hierbij op het arrest van dit hof d.d. 17 juli 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2694, waarin het hof het volgende heeft overwogen:

“In die gevallen waarin de ter zake van het misdrijf van artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht vervolgde vreemdeling zich op de bescherming van artikel 31 Vluchtelingenverdrag beroept en aangenomen moet worden dat op de – eerste – door de verdachte gedane asielaanvraag zal worden beslist, zal de strafrechter niet mogen aannemen dat de verdachte aan de voorwaarden voor het kunnen inroepen van de door artikel 31 Vluchtelingenverdrag geboden bescherming niet voldoet. In zo een geval, waarin geen sprake is van een onherroepelijke afwijzing van de eerste door de verdachte gedane asielaanvraag, is bij een strafvervolging ter zake van het in artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht strafbaar gestelde misdrijf geen ruimte om te onderzoeken of aan de overige voorwaarden van artikel 31 Vluchtelingenverdrag is voldaan en kan derhalve niet worden aangenomen dat de stelling dat de verdachte een vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag evident ongegrond is. In dat geval zal het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in de strafvervolging.”

De kerngedachte hierbij is dat er een aparte bestuursrechtelijke procedure omtrent de asielaanvraag dient plaats te vinden, waarbij op basis van alle feiten en omstandigheden onderzocht wordt of iemand in aanmerking komt voor asiel. Om te voorkomen dat er tegenstrijdige uitspraken komen, komt aan de strafrechter geen beoordeling toe of aan artikel 31 van het Vluchtelingenverdrag is voldaan. Als nog niet onherroepelijk door de bestuursrechter is beslist, dient de strafrechter terug te treden voor wat betreft de inhoudelijke beoordeling en af te wachten totdat er onherroepelijk is beslist. Ik verzoek uw hof daarom primair het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging.”
2.5
Het hof heeft dit verweer in zijn arrest van 21 november 2024 als volgt verworpen:

“Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep onder verwijzing naar een arrest van dit hof van 17 juli 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2694, bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging, nu de verdachte een beroep toekomt op artikel 31 van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Verdrag van 28 juli 1951, Trb. 1951, 131 en 1954, 88; hierna: Vluchtelingenverdrag). De verdachte heeft immers na haar aanhouding in Nederland asiel aangevraagd en daarop is op dit moment nog niet onherroepelijk beslist. Ook is geen sprake van de situatie dat de stelling van de verdachte dat zij een vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag, evident ongegrond is.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat dit verweer dient te worden verworpen nu – anders dan in het door de raadsman genoemde arrest – in deze strafzaak geen sprake is van een situatie waarin de verdachte het tenlastegelegde valse document onmiskenbaar in het kader van de vlucht voorhanden had.

Het hof overweegt hierover het volgende.

Artikel 31, eerste lid, van het Vluchtelingenverdrag luidt als volgt:

“The Contracting States shall not impose penalties, on account of their illegal entry or presence, on refugees who, coming directly from a territory where their life or freedom was threatened in the sense of article 1, enter or are present in their territory without authorization, provided they present themselves without delay to the authorities and show good cause for their illegal entry or presence.”

Het doel van deze bepaling is te voorkomen dat aan vluchtelingen strafsancties worden opgelegd voor illegale binnenkomst of verblijf indien deze overtreding redelijkerwijs nodig is om een veilig land van toevlucht te kunnen bereiken.

In zijn arrest van 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9266, heeft de Hoge Raad beslist dat uit de strekking van artikel 31 Vluchtelingenverdrag voortvloeit dat het Openbaar Ministerie in de op artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) gebaseerde vervolging van een verdachte die vreemdeling is en zich tegen de beschuldiging verweert met een beroep op de bescherming die deze verdragsbepaling beoogt te bieden, slechts dan ontvankelijk is indien onverwijld en zonder nader onderzoek door de strafrechter kan worden vastgesteld dat de stelling van de vreemdeling dat hij een vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag ongegrond is. In dat arrest is overwogen dat de beslissing op een asielaanvraag, en dus ook het oordeel omtrent de aannemelijkheid van het aan de asielaanvraag ten grondslag liggende vluchtrelaas, is voorbehouden aan de Minister en – na ingesteld beroep – aan de bestuursrechter en dat, mede met het oog op het voorkomen van tegenstrijdige uitspraken van de strafrechter en de bestuursrechter, de strafrechter zich in beginsel van een zelfstandig oordeel over het beroep van de vreemdeling op zijn vluchtelingenstatus moet onthouden. Daarbij is ook benadrukt dat, mede gelet op de moeilijke bewijspositie die de vreemdeling heeft bij de onderbouwing van zijn beroep op de vluchtelingenstatus, de vreemdeling die wordt vervolgd ter zake van artikel 231 Sr ook een beroep op artikel 31 Vluchtelingenverdrag toekomt indien nog niet vaststaat dat hij aan alle voorwaarden voor erkenning als vluchteling voldoet.

In zijn arrest van 28 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8956, heeft de Hoge Raad hieraan toegevoegd dat met het oog op een voor de praktijk van de strafrechtspleging zo eenvoudig mogelijk te hanteren regel moet worden aangenomen dat de vreemdeling niet behoort te worden vervolgd wegens het onmiskenbaar in het kader van zijn vlucht in het bezit hebben of aangewend hebben van vervalste documenten zolang, kort gezegd, op de door de vreemdeling gedane eerste asielaanvraag nog niet onherroepelijk is beslist. Daarom zal de strafrechter in die gevallen waarin de ter zake van het misdrijf van artikel 231 Sr vervolgde vreemdeling zich op de bescherming van artikel 31 Vluchtelingenverdrag beroept en aangenomen moet worden dat op de – eerste – door de verdachte gedane asielaanvraag zal worden beslist, niet mogen aannemen dat de verdachte aan de voorwaarden voor het kunnen inroepen van de door artikel 31 Vluchtelingenverdrag geboden bescherming niet voldoet. In zo een geval, waarin geen sprake is van een onherroepelijke afwijzing van de eerste door de verdachte gedane asielaanvraag, is bij een strafvervolging ter zake van het in artikel 231 Sr strafbaar gestelde misdrijf geen ruimte om te onderzoeken of aan de overige voorwaarden van artikel 31 Vluchtelingenverdrag is voldaan en kan derhalve niet worden aangenomen dat de stelling dat de verdachte een vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag evident ongegrond is. In dat geval zal het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in de strafvervolging.

Tegen de achtergrond van het hiervoor weergegeven beoordelingskader is in de onderhavige strafzaak het volgende van belang.

In het proces-verbaal van de Koninklijke Marechaussee d.d. 7 januari 2023 relateert [naam] , wachtmeester der koninklijke Marechaussee, onder meer het volgende, zakelijk weergegeven (p. 34 en 35 van het dossier):

Gedurende het onderzoek is onderzocht of verdachte in aanmerking komt voor het gestelde in artikel 31, eerste lid, van het Vluchtelingenverdrag. Uit onderstaande punten blijkt dat verdachte niet voor voormeld artikel in aanmerking komt en zich dus niet kan beroepen op het feit dat tegen haar geen strafsanctie mag worden opgelegd.

- verdachte niet direct/onverwijld bij de collega‘s op straat asiel heeft gevraagd, maar dit pas bij de voorgeleiding aan de hulpofficier kenbaar heeft gemaakt toen zij al aangehouden was voor het gebruikmaken van een vals document;

- nadat verdachte haar vingerafdrukken had afgegeven, bleek dat verdachte al meerdere visums in Nederland heeft gehad (hof: het betreft in totaal drie aanvragen op respectievelijk 12 december 2017, 13 december 2018 en 27 december 2019);

- verdachte met ingang van 11 mei 2021 verblijfsrecht conform EU-recht heeft verkregen bij haar partner destijds [betrokkene 1] , dat middels een beschikking met een besluit op 2 september 2021 is beëindigd en zodoende haar verblijfsrecht is komen te vervallen (referent [betrokkene 1] is in het bezit van de Belgische nationaliteit);

- verdachte op het moment van controle afkomstig van [plaats] (België) en onderweg was naar Nederland;

- verdachte in haar verhoor aangeeft al die tijd in Nederland, Duitsland en momenteel in België te hebben verbleven en in de tussentijd ook heeft gewerkt in genoemde landen.

- verdachte destijds geen asiel heeft aangevraagd

De verdachte is in Rusland geboren. Zij heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat zij twaalf jaren geleden uit haar thuisland Rusland is vertrokken en dat zij sindsdien in verschillende Europese landen heeft gewoond en gewerkt, waaronder in Duitsland. Uit het proces-verbaal van verhoor voor inverzekeringstelling (p. 27-28) volgt dat de verdachte sinds 2017 meermalen aantoonbaar in de Europese Unie heeft verbleven en sinds 2020 zelfs onafgebroken. Hoofdzakelijk verbleef de verdachte echter in Nederland. De verdachte heeft voorts verklaard dat zij, terwijl zij nooit in Polen heeft verbleven, een Pools verblijfsdocument heeft aangevraagd, zodat zij in Europa kon blijven wonen en werken. Zij heeft tot haar aanhouding in deze strafzaak nimmer asiel aangevraagd.

Naar het oordeel van het hof kan onder deze omstandigheden zonder nader onderzoek worden vastgesteld dat de stelling dat de verdachte een vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag ongegrond is. Van een situatie waarbij de verdachte het Poolse verblijfsdocument onmiskenbaar in het kader van de vlucht in het bezit had, is immers geen sprake.

Het hof verwerpt het verweer. Het Openbaar Ministerie is ook overigens ontvankelijk in de vervolging.”
2.6
In cassatie zijn de volgende bepalingen van belang: - art. 231 lid 1 en 2 Sr: “1. Hij die een reisdocument, een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht of een ander identiteitsbewijs dat afgegeven is door een dienst of organisatie van vitaal of nationaal belang, valselijk opmaakt of vervalst, of een zodanig geschrift op grond van valse persoonsgegevens doet verstrekken dan wel een zodanig geschrift dat aan hem of een ander verstrekt is, ter beschikking stelt van een derde met het oogmerk het door deze te doen gebruiken als ware het aan hem verstrekt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die een reisdocument of een identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid aflevert of voorhanden heeft waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat het vals of vervalst is, dan wel opzettelijk gebruik maakt van een vals of vervalst reisdocument of identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk en wederrechtelijk gebruik maakt van een bij het bevoegd gezag als vermist opgegeven of een niet op zijn naam gesteld reisdocument of identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid.”

- De Nederlandse vertaling van art. 31 lid 1 van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Verdrag van 28 juli 1951, Trb. 1951/131 en 1954/88, hierna: Vluchtelingenverdrag):

“De Verdragsluitende Staten zullen geen strafsancties, op grond van onrechtmatige binnenkomst of onrechtmatig verblijf, toepassen op vluchtelingen die, rechtstreeks komend van een grondgebied waar hun leven of vrijheid in de zin van artikel 1 werd bedreigd, zonder toestemming hun grondgebied binnenkomen of zich aldaar bevinden, mits zij zich onverwijld bij de autoriteiten melden en deze overtuigen, dat zij geldige redenen hebben voor hun onrechtmatige binnenkomst of onrechtmatige aanwezigheid.”
2.7
In zijn arrest van 13 oktober 2009, NJ 2009/531 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat dit verbod ook van toepassing is indien een vluchteling wordt vervolgd wegens het bezit van valse identiteitspapieren, wanneer dat bezit samenhangt met de illegale binnenkomst of het illegale verblijf.
2.8
In zijn arrest van 6 november 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BW9266) heeft de Hoge Raad beslist dat uit de strekking van art. 31 Vluchtelingenverdrag voortvloeit dat het openbaar ministerie in de op art. 231 Sr gebaseerde vervolging van een verdachte die vreemdeling is en zich tegen de beschuldiging verweert met een beroep op de bescherming die deze verdragsbepaling beoogt te bieden, slechts dan ontvankelijk is indien onverwijld en zonder nader onderzoek door de strafrechter kan worden vastgesteld dat de stelling van de vreemdeling dat hij een vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag ongegrond is. In voornoemd arrest is overwogen dat de beslissing op een asielaanvraag, en dus ook het oordeel omtrent de aannemelijkheid van het aan de asielaanvraag ten grondslag liggende vluchtrelaas, is voorbehouden aan de Minister en – na ingesteld beroep – aan de bestuursrechter en dat, mede met het oog op het voorkomen van tegenstrijdige uitspraken van de strafrechter en de bestuursrechter, de strafrechter zich in beginsel van een zelfstandig oordeel over het beroep van de vreemdeling op zijn vluchtelingenstatus moet onthouden. Daarbij is voorts benadrukt dat, gelet op het uitgangspunt dat het Vluchtelingenverdrag ertoe strekt vluchtelingen te beschermen en de moeilijke bewijspositie die de vreemdeling heeft bij de onderbouwing van zijn beroep op de vluchtelingenstatus, de vreemdeling die wordt vervolgd ter zake van art. 231 Sr wegens het vervalste documenten in zijn bezit of aangewend hebben in het kader van zijn vlucht ook een beroep op art. 31 Vluchtelingenverdrag toekomt indien nog niet vaststaat dat hij aan alle voorwaarden voor erkenning als vluchteling voldoet.
2.9
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 28 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4310 – na vooropstelling van het in randnummer 2.8 weergegevene – hierop het volgende aangevuld:

“2.5.2. Tegen deze achtergrond moet met het oog op een voor de praktijk van de strafrechtspleging zo eenvoudig mogelijk te hanteren regel thans worden aangenomen dat de vreemdeling niet behoort te worden vervolgd wegens het onmiskenbaar in het kader van zijn vlucht in het bezit hebben of aangewend hebben van vervalste documenten zolang, kort gezegd, op de door de vreemdeling gedane eerste asielaanvraag nog niet onherroepelijk is beslist.
2.5.3.
Daarom zal de strafrechter in die gevallen waarin de ter zake van het misdrijf van art. 231 Sr vervolgde vreemdeling zich op de bescherming van art. 31 Vluchtelingenverdrag beroept en aangenomen moet worden dat op de – eerste – door de verdachte gedane asielaanvraag zal worden beslist, niet mogen aannemen dat de verdachte aan de voorwaarden voor het kunnen inroepen van de door art. 31 Vluchtelingenverdrag geboden bescherming niet voldoet. In zo een geval, waarin geen sprake is van een onherroepelijke afwijzing van de eerste door de verdachte gedane asielaanvraag, is bij een strafvervolging ter zake van het in art. 231 Sr strafbaar gestelde misdrijf geen ruimte om te onderzoeken of aan de overige voorwaarden van art. 31 Vluchtelingenverdrag is voldaan en kan derhalve niet worden aangenomen dat de stelling dat de verdachte een vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag evident ongegrond is. In dat geval zal het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in de strafvervolging.”
2.10
Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad vloeit voort dat in het geval een verdachte die vreemdeling is zich bij een op art. 231 Sr gebaseerde vervolging tegen die beschuldiging verweert met een beroep op de bescherming van art. 31 Vluchtelingenverdrag, er voor de rechter maar weinig ruimte is om te oordelen dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging. Die ruimte is beperkt tot de gevallen waarin “onverwijld en zonder nader onderzoek door de strafrechter kan worden vastgesteld dat de stelling van de vreemdeling dat hij een vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag ongegrond is”. Het betreft hier dus een toets op grond van de criteria van art. 1 van het Vluchtelingenverdrag, waarin is bepaald wie als ‘vluchteling’ in de zin van het verdrag kan worden aangemerkt. De rechter mag in de beoordeling van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie niet betrekken of ook aan de overige voorwaarden van art. 31 Vluchtelingenverdrag is voldaan, uit welke bepaling onder meer voortvloeit dat de vreemdeling rechtstreeks afkomstig dient te zijn van het grondgebied waar zijn leven of vrijheid werd bedreigd en zich onverwijld bij de autoriteiten van het land van aankomst moet melden.
2.11
De achtergrond van deze inperking van de toetsingsruimte van de strafrechter is, zo volgt uit randnummer 2.8, dat voorkomen dient te worden dat een oordeel van de strafrechter over de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en de toepasselijkheid van de bescherming van art. 31 Vluchtelingenverdrag een lopende asielprocedure bij de Minister dan wel de bestuursrechter doorkruist, en resulteert in tegenstrijdige uitspraken. Uit de onder randnummer 2.9 geciteerde rechtsoverweging 2.5.2 volgt evenwel dat deze jurisprudentie betrekking heeft op situaties waarin sprake is van (vervolging ten aanzien van) het “onmiskenbaar in het kader van zijn vlucht in het bezit hebben of aangewend hebben van vervalste documenten”.
2.12
In het onderhavige geval heeft het hof – mede op basis van de verklaring van de verdachte ter terechtzitting – vastgesteld dat de verdachte twaalf jaren geleden uit Rusland is vertrokken en in de tussentijd in meerdere Europese landen heeft gewoond en gewerkt, dat zij meerdere visums heeft gehad in Nederland en dat zij in 2011 enige tijd verblijfsrecht conform EU-recht heeft verkregen bij haar partner. Uit de overwegingen van het hof volgt verder dat de verdachte heeft verklaard dat zij, terwijl zij nooit in Polen heeft verbleven, een (vals) Pools verblijfsdocument heeft aangevraagd, omdat zij in Europa wilde werken. Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat onder deze omstandigheden zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat de stelling dat de verdachte een vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag ongegrond is, en dat geen sprake was van een situatie waarin de verdachte het Poolse verblijfsdocument onmiskenbaar in het kader van de vlucht in bezit had.
2.13
Het oordeel dat geen sprake is van een situatie waarin de verdachte het (valse) Poolse verblijfsdocument onmiskenbaar in het kader van de vlucht in haar bezit had, is in het licht van de voorgaande vaststellingen van het hof niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in het bijzonder in aanmerking dat de verdachte op de terechtzitting van 7 november 2024 heeft verklaard dat zij het Poolse verblijfsdocument heeft verkregen toen zij reeds in België verbleef, omdat zij in Europa wilde werken. Uit de verklaring van de verdachte zelf volgt dus al dat zij de documenten niet in het kader van de vlucht in haar bezit had. Daarmee is van een situatie waarin een (tijdelijk) vervolgingsbeletsel aan de orde kan zijn geen sprake. Het hof was dus ook niet gehouden tot een (onverwijlde en zonder nader onderzoek gedane) beoordeling van de gegrondheid van de stelling van de verdachte dat zij een vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Voor zover het hof daarover wel een oordeel heeft gegeven, is dat niet zonder meer begrijpelijk, nu uit de vaststellingen van het hof niet volgt dat aan dat oordeel een toets van de criteria die voortvloeien uit art. 1 van het Vluchtelingenverdrag ten grondslag is gelegd. Het oordeel van het hof over verdachtes vluchtelingenstatus kan echter worden beschouwd als een overweging ten overvloede, nu de beslissing dat een vervolgingsbeletsel niet aan de orde is reeds zelfstandig wordt gedragen door de vaststelling dat geen sprake was van een situatie waarin het verblijfsdocument onmiskenbaar in het kader van de vlucht in het bezit van de verdachte was. Tot cassatie geeft dit kortom geen aanleiding.
<nr>3</nr>Slotsom 3.1
Het middel faalt.
3.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

HR 13 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1325.

HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9266, NJ 2013/331, m.nt. M.J. Borgers. Herhaald in onder meer HR 28 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4310, NJ 2013/332, m.nt. M.J. Borgers en HR 3 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1304.

HR 28 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4310, NJ 2013/332, m.nt. M.J. Borgers, rov. 2.5.2 en 2.5.3.

Zie de noot van Borgers bij HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9266, NJ 2013/331, onder 2.

Zie onder meer HR 20 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ7762, HR 3 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7412.

Zie de noot van Borgers bij HR 28 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4310, NJ 2013/332, onder 2.

Artikel delen