Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:PHR:2026:718

Conclusie AG. Opzettelijk handelen in strijd met art. 3C OW en voorwerpen binnen een inrichting brengen waarvan het bezit binnen die inrichting verboden is (art. 429a Sr). Motivering vrijheidsbenemende straf. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Parket bij de Hoge Raad 7 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:PHR:2026:718 text/xml public 2026-07-07T17:20:39 2026-07-07 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 2026-05-12 24/03675 Conclusie NL Strafrecht Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:1127 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:718 text/html public 2026-07-07T17:20:20 2026-07-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:2026:718 Parket bij de Hoge Raad , 12-05-2026 / 24/03675
Conclusie AG. Opzettelijk handelen in strijd met art. 3C OW en voorwerpen binnen een inrichting brengen waarvan het bezit binnen die inrichting verboden is (art. 429a Sr). Motivering vrijheidsbenemende straf. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/03675
Zitting 12 mei 2026

CONCLUSIE

B.F. Keulen

In de zaak

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,

hierna: de verdachte

De verdachte is bij arrest van 25 september 2024 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (parketnr. 21-004164-23) wegens 1. ‘opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod’ veroordeeld tot 20 dagen taakstraf, subsidiair 10 dagen hechtenis, en wegens 2. ‘voorwerpen binnen een inrichting, een instelling of een afdeling daarvan waarop de Penitentiaire beginselenwet, de Beginselenwet verpleging en ter beschikking gestelden dan wel de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen van toepassing is, brengen waarvan het bezit binnen die inrichting, instelling of afdeling verboden is’ veroordeeld tot 2 weken hechtenis. Het hof heeft daarnaast de straf voor het door de rechtbank bewezen verklaarde ‘opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod’ bepaald op 60 uren taakstraf, subsidiair 30 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27, eerste lid, Sr.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. M. Kuipers, advocaat in Arnhem, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

Het middel behelst de klacht dat het hof niet in voldoende mate de redenen heeft opgegeven die hebben geleid tot oplegging van een vrijheidsbenemende straf, althans de oplegging en de hoogte van de vrijheidsbenemende straf onbegrijpelijk en onvoldoende duidelijk heeft gemotiveerd. De steller van het middel voert aan dat de oplegging van de hechtenis verbazing wekt. De wijze waarop de justitiële documentatie strafverzwarend wordt gebruikt zou verbazing wekken nu de verdediging heeft aangevoerd dat de enige documentatie ziet op de Wegenverkeerswet en niet op de Opiumwet. De strafmotivering zou in het bijzonder duidelijk dienen te zijn in gevallen waar de strafoplegging zowel qua strafmaat als grotendeels ook qua strafmodaliteit afwijkt van hetgeen de verdediging gemotiveerd heeft bepleit. De door het hof gebezigde motivering zou niet voldoen aan de motiveringsvoorschriften van art. 359, tweede, vijfde en zesde lid, Sv.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, gehouden op 11 september 2024, houdt onder meer het volgende in:

‘Verdachte verklaart als volgt:

Ik woon bij mijn moeder en broer. Ik werk voor een uitzendbureau. Ik ben bijna elke dag werkzaam in de zorg. Ik heb voldoende inkomsten. Ik wil niet vertellen wat ik verdien. Ik heb nog wel een studieschuld en wat openstaande boetes.

(…)

De raadsman voert als aanvulling op zijn pleitnota aan:

(…)

Bij een bewezenverklaring wordt verzocht aan te sluiten bij de oriëntatiepunten. Behoudens een strafbeschikking voor een Wegenverkeerswet-feit heeft verdachte een blanco strafblad. Na de onderhavige feiten heeft verdachte ook geen politie- en justitiecontacten meer gehad. Hij heeft zijn leven gebeterd. Verdachte richt zich nu op het werken in de zorg en dat doet hij met veel liefde. Dit zou ook moeten leiden tot matiging van de op te leggen taakstraf.’

5. Het bestreden arrest houdt als strafmotivering het volgende in:
‘Oplegging van straf voor feiten 1 en 2 onder parketnummer 05-13319823
In eerste aanleg is verdachte veroordeeld voor – kortgezegd – de (niet aan het oordeel van het hof onderworpen) handel in heroïne en cocaïne en het aanwezig hebben van 62,7 gram hasjiesj tot een taakstraf voor de duur van tachtig uren, subsidiair veertig dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest en voor het binnenbrengen van contrabande in de P.I. Arnhem tot een geldboete van tweehonderd euro, subsidiair vier dagen hechtenis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot – uitgaande van een veroordeling van verdachte voor het feit onder parketnummer 05-322709-21 tot een taakstraf voor de duur van tachtig uren, subsidiair veertig dagen hechtenis – het veroordelen van verdachte voor het (misdrijf) aanwezig hebben van 62,7 gram hasjiesj tot een taakstraf voor de duur van twintig uren, subsidiair tien dagen hechtenis en voor (de overtreding) het binnenbrengen van contrabande in de P.I. Arnhem tot een geldboete van tweehonderd euro, subsidiair vier dagen hechtenis.

Naar het oordeel van het hof is de hierna te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van 62,7 gram hasjiesj. Door middel van het bezit van hasjiesj heeft verdachte meegewerkt aan de bevordering en instandhouding van het illegale circuit van de productie, handel en het gebruik van softdrugs, hetgeen ook andere vormen van criminaliteit in de hand werkt. Verdachte heeft deze hasjiesj, samen met een telefoon en telefoonoplader, de P.I. Arnhem ingebracht. Het bezit en/of gebruik van contrabande, eenmaal in handen van een gedetineerde, kan de orde en de veiligheid in de inrichting in gevaar brengen. Dit laatste is naar het oordeel van het hof een zeer kwalijk feit. Het hof zal voor dit feit daarom een hogere straf opleggen dan de rechtbank heeft opgelegd en de advocaat-generaal heeft gevorderd.

Het hof heeft gelet op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht, waarin als oriëntatiepunt voor het aanwezig hebben van eenendertig tot honderd gram softdrugs een geldboete van tweehonderd euro is opgenomen. Gelet op de financiële situatie van verdachte acht het hof een geldboete niet passend.

Het hof heeft wat betreft de persoon van verdachte gelet op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 5 augustus 2024, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld.

Het hof heeft tevens acht geslagen op het advies van Reclassering Nederland van 17 augustus 2023. Uit het advies volgt dat de reclassering risico’s ziet op het gebied van het sociaal netwerk, de houding en het psychosociaal functioneren van verdachte. Verder ziet de reclassering enige risico’s op het gebied van zijn financiën en zijn alcoholgebruik. Verdachte heeft aangegeven schulden te hebben. Het is positief dat verdachte beschikt over een stabiele huisvesting, een zinvolle dagbesteding in de vorm van werk heeft en steun ervaart vanuit zijn familie. Volgens de reclassering kan verdachte gebaat zijn bij het verkrijgen van meer inzicht in zijn handelen door het volgen van de gedragsinterventie cognitieve vaardigheden, maar verdachte heeft aangegeven dat hij hier niet de meerwaarde van inziet en dat hij daarvoor niet gemotiveerd is. Het recidiverisico kan worden ingeschat als gemiddeld.

Alles afwegende acht het hof voor het aanwezig hebben van 62,7 gram hasjiesj een taakstraf voor de duur van twintig uren, subsidiair tien dagen hechtenis en voor het binnenbrengen van contrabande in de P.I. Arnhem een hechtenis voor de duur van twee weken passend en geboden.’

6. Art. 359, tweede, vijfde en zesde lid, Sv luidt als volgt:

‘2. De beslissingen vermeld in de artikelen 349, eerste lid, en 358, tweede en derde lid, zijn met redenen omkleed. Het vonnis geeft, indien de beslissing afwijkt van door de verdachte dan wel door de officier van justitie uitdrukkelijk onderbouwde standpunten, in het bijzonder de redenen op die daartoe hebben geleid.

(…)

5. Het vonnis geeft in het bijzonder de redenen op, die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid.

6. Bij de oplegging van een straf of maatregel die vrijheidsbeneming medebrengt, geeft het vonnis in het bijzonder de redenen op die tot de keuze van deze strafsoort, dan wel tot deze soort maatregel hebben geleid. Het vonnis geeft voorts zoveel mogelijk de omstandigheden aan, waarop bij de vaststelling van de duur van de straf is gelet. Het vonnis vermeldt welk gedeelte van een opgelegde vrijheidsstraf, gelet op de mogelijkheid van deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire Beginselenwet of de voorwaardelijke invrijheidstelling, bedoeld in artikel 15 van het Wetboek van Strafrecht, in ieder geval ten uitvoer wordt gelegd.’

7. Uw Raad heeft inzake de motiveringsvoorschriften van art. 359, tweede, vijfde en zesde lid, Sv eerder het volgende overwogen:

‘3.4 In het Nederlandse strafrecht geldt dat de rechter die de zaak behandelt en op basis daarvan over de feiten oordeelt (hierna: de feitenrechter), beschikt over een ruime straftoemetingsvrijheid. Dat wil zeggen dat de feitenrechter binnen de grenzen die de wet stelt, vrij is in de keuze van de op te leggen straf – waaronder ook is te verstaan de strafsoort – en in de keuze en de weging van de factoren die hij daarvoor in de concrete zaak van belang acht. De beslissing over de straftoemeting wordt in sterke mate bepaald door de omstandigheden van het geval en de persoon van de verdachte. Mede gelet op de veelheid aan factoren die van belang (kunnen) zijn bij de keuze van de strafsoort en het bepalen van de hoogte van de straf kan de feitenrechter daarbij slechts tot op zekere hoogte inzicht verschaffen in en uitleg geven over de afwegingen die ten grondslag liggen aan zijn straftoemetingsbeslissing.

3.5.1 In artikel 359 leden 5 en 6 Sv zijn enkele motiveringsvoorschriften neergelegd die de rechter ambtshalve bij de oplegging van een straf in acht moet nemen. Het in artikel 359 lid 2 Sv neergelegde motiveringsvoorschrift heeft daarnaast zelfstandige betekenis. Dit voorschrift brengt met zich dat de rechter zijn beslissing over de strafoplegging nader moet motiveren als die beslissing afwijkt van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging of het openbaar ministerie.

3.5.2 De onder 3.4 genoemde straftoemetingsvrijheid stelt de feitenrechter in staat om bij de beslissing over de oplegging van straf zoals bedoeld in artikel 350 Sv, te komen tot een strafoplegging die is afgestemd op de ernst van het bewezenverklaarde feit, de persoon van de verdachte en alle overige betrokken belangen. De grote vrijheid die de feitenrechter bij deze beslissing heeft, brengt ook de verantwoordelijkheid van de feitenrechter mee om – met het oog op de begrijpelijkheid en de aanvaardbaarheid van de strafoplegging en mede in reactie op wat ter terechtzitting naar voren is gebracht over de strafoplegging – inzicht te bieden in de beweegredenen die in het concrete geval hebben geleid tot de opgelegde straf. In de feitenrechtspraak bestaat – gelet op diverse initiatieven die daartoe zijn ondernomen – in algemene zin ook ruim aandacht voor het belang van een behoorlijke strafmotivering.

3.5.3 Aan de rechtspraak van de Hoge Raad ligt ten grondslag dat de verantwoordelijkheid voor de inhoud en de motivering van de straftoemeting in het concrete geval in belangrijke mate bij de feitenrechter ligt. De Hoge Raad stelt zich daarom als cassatierechter terughoudend op bij de beantwoording van de vraag of de motivering van de beslissing over de straftoemeting toereikend is.

3.5.4 Waar het gaat om de motiveringsverplichting van de tweede volzin van artikel 359 lid 2 Sv past de hiervoor genoemde terughoudendheid van de Hoge Raad als cassatierechter bij de eisen die in de rechtspraak van de Hoge Raad in het algemeen worden gesteld aan het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, en de invulling van de responsieplicht van de rechter als hij afwijkt van zo’n standpunt. Van belang hierbij is in het bijzonder het arrest van 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130. Zo levert een algemeen verzoek tot het matigen van de straf op basis van persoonlijke omstandigheden van de verdachte niet een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op. Dat geldt ook voor de enkele opsomming van factoren die bij de strafoplegging in de zaak van de verdachte een rol zouden moeten spelen en die zouden moeten leiden tot een bepaalde soort of mate van straf.

Van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt kan wel sprake zijn als het gaat om een betoog waarin beargumenteerd wordt aangevoerd waarom – gelet op de belangen die daarbij voor de verdachte op het spel staan – een bepaalde specifieke omstandigheid of een samenstel van specifieke omstandigheden zou moeten leiden tot een bepaalde soort of mate van straf, of waarom de rechter daarvan juist zou moeten afzien. De rechter moet dan op grond van artikel 359 lid 2, tweede volzin, Sv nader motiveren waarom hij tot een van dat standpunt afwijkende beslissing komt. In zo’n geval gaat het bij de controle in cassatie in de kern om niet meer dan de vraag of de feitenrechter ervan blijk heeft gegeven dat acht is geslagen op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, en of de feitenrechter, gelet op de strafmotivering als geheel, voldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom de door de verdediging voor zijn standpunt aangevoerde gronden niet opwogen tegen de door het hof genoemde gronden voor de opgelegde straf.’

8. Het onder 2 bewezen verklaarde feit is strafbaar gesteld in art. 429a Sr en wordt bedreigd met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie. De memorie van toelichting houdt in verband met het strafmaximum in:

‘Bij het binnenbrengen van verboden voorwerpen in een inrichting kan sprake zijn van zeer laakbaar handelen. Het bezit en gebruik van de verboden voorwerpen kan leiden tot het ontstaan van gevaarlijke situaties en (de voortzetting van) het plegen van strafbare feiten zowel binnen als buiten de inrichting. Aan personen die aan het ontstaan van deze gevaarlijke situaties bijdragen door deze voorwerpen – al dan niet structureel – de inrichting binnen te brengen moeten een stevig signaal kunnen worden afgegeven dat dit gedrag niet toelaatbaar is. Ten overvloede wordt opgemerkt dat de hechtenis van zes maanden een maximumstraf is. Waar de omstandigheden daar aanleiding toe geven, kan een lagere straf worden geëist en opgelegd.’

9. Van een door de raadsman uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inzake de straftoemeting is – meen ik – geen sprake. De raadsman voert aan dat de justitiële documentatie enkel een strafbeschikking wegens een verkeersdelict betreft, dat de verdachte na de bewezenverklaarde feiten geen politie- en justitiecontacten heeft gehad, dat hij zijn leven gebeterd heeft en met veel liefde werkt in de zorg. Dat betoog kan worden gekarakteriseerd als een algemeen verzoek tot het matigen van de straf op basis van persoonlijke omstandigheden van de verdachte; het loopt ook uit op een verzoek om ‘matiging van de op te leggen taakstraf’.

10. De straf die het hof heeft opgelegd wegens het onder 2 bewezenverklaarde feit is fors hoger dan de straf die de politierechter daarvoor had opgelegd. De politierechter had een geldboete van € 200,- subsidiair 4 dagen hechtenis opgelegd; het hof legt 2 weken hechtenis op. Uit de strafmotivering kan echter worden afgeleid welke omstandigheden het hof tot het opleggen van een zwaardere straf hebben gebracht. Het hof overweegt dat de verdachte 62,7 gram hasjiesj samen met een telefoon en telefoonoplader de P.I. Arnhem heeft ingebracht en dat het bezit en/of gebruik van contrabande, eenmaal in handen van een gedetineerde, de orde en de veiligheid in de inrichting in gevaar kan brengen. Het hof spreekt tegen die achtergrond van ‘een zeer kwalijk feit’ en geeft aan ‘daarom’ een hogere straf op te leggen dan door de rechtbank is opgelegd en door de advocaat-generaal is gevorderd. Het hof geeft voorts aan dat het gelet op de financiële situatie van de verdachte een geldboete niet passend acht. Dat wekt geen verbazing in het licht van hetgeen de verdachte omtrent zijn financiële situatie heeft verklaard.

11. Al met al kan niet worden gezegd dat het hof in het arrest niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven die de straf hebben bepaald. Van een straf die verbazing wekt omdat de opgegeven redenen tekortschieten is geen sprake.

12. De motiveringseis van art. 359, zesde lid, Sv is in de rechtspraak van Uw Raad aldus ingevuld ‘dat uit de strafmotivering expliciet moet blijken dat de rechter onder ogen heeft gezien dat hij een straf of maatregel oplegt die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt door in de strafmotivering tot uitdrukking te brengen dat zo'n sanctie wordt opgelegd en die sanctieoplegging te verbinden met in de strafmotivering opgegeven redenen.’ Het hof had in de betreffende zaak als reden die de strafoplegging had bepaald onder meer genoemd dat het bewezenverklaarde plegen van openlijk geweld ‘zeer bedreigend’ was en ‘gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving’ versterkte. Voorts had het gewezen op een eerdere veroordeling voor soortgelijke feiten en op de landelijke oriëntatiepunten. Het had vervolgens overwogen dat het alles overwegende van oordeel was ‘dat een gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden is’. Uw Raad oordeelde dat het hof in het bijzonder de redenen had opgegeven die de opgelegde gevangenisstraf hadden bepaald.

13. In de onderhavige zaak heeft het hof, zo bleek reeds, aangegeven dat en waarom het hof het onder 2 bewezenverklaarde als een ‘zeer kwalijk feit’ aanmerkt, dat het ‘daarom’ een hogere straf oplegt dan door de rechtbank is opgelegd en door de advocaat-generaal is gevorderd en dat het gelet op de financiële situatie van de verdachte ‘een geldboete niet passend’ acht. In deze redenen ligt zowel de grond voor oplegging van de vrijheidsstraf als een afweging tegen een andere hoofdstraf besloten. Een expliciete afweging tegen de taakstraf ontbreekt, maar art. 359, zesde lid, Sv eist dat ook niet. Uit de omstandigheid dat het hof voor feit 1 een taakstraf heeft opgelegd en voor het buiten het hoger beroep gelaten feit een taakstraf heeft bepaald, kan worden afgeleid dat het hof deze hoofdstraf niet over het hoofd heeft gezien. Het hof heeft vervolgens uit het uittreksel uit de Justitiële Documentatie afgeleid dat de verdachte eerder is veroordeeld en het hof heeft het advies van Reclassering Nederland kort weergegeven. Dat deze gegevens strafverzwarend hebben gewerkt kan uit het arrest niet worden afgeleid. Het hof overweegt vervolgens alles afwegende voor het binnenbrengen van contrabande in de P.I. Arnhem een hechtenis voor de duur van 2 weken ‘passend en geboden’ te achten. Met deze redengeving is – meen ik – aan de motiveringseis van art. 359, zesde lid, Sv voldaan. De oplegging van 2 weken hechtenis is verbonden met in de strafmotivering opgegeven redenen.

13. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering.

13. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

13. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

De laatste zin is aan het zesde lid toegevoegd door de Wet straffen en beschermen, Stb. 2020, 224, in werking getreden op 1 juli 2021. De bewezenverklaarde feiten dateren uit 2023.

HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:975, NJ 2023/129 m.nt. Ten Voorde.

Wet van 22 mei 2019, Stb. 2019, 209.

Kamerstukken II 2017/18, 34 982, nr. 3, p. 6.

Vgl. B.F. Keulen en G. Knigge, Strafprocesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 655.

HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2191, NJ 2016/437.

Vgl. ook HR 6 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2772; HR 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2852; HR 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1201 (art. 81 RO).

Artikel delen