Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBAMS:2026:4604

Hoofdelijke veroordeling tot betaling achterstallige en toekomstige VvE-bijdragen

Rechtbank Amsterdam 30 May 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBAMS:2026:4604 text/xml public 2026-05-30T18:00:24 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-05-29 12093454 CV EXPL 26-1643 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Amsterdam Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4604 text/html public 2026-05-12T11:49:16 2026-05-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4604 Rechtbank Amsterdam , 29-05-2026 / 12093454 CV EXPL 26-1643
Hoofdelijke veroordeling tot betaling achterstallige en toekomstige VvE-bijdragen

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht

Kantonrechter

Zaaknummer: 12093454 CV EXPL 26-1643

Vonnis van 29 mei 2026

in de zaak van

[vve] ,

te [vestigingsplaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [vve] ,

gemachtigde: [gemachtigde] ,

tegen
<nr>1</nr> [gedaagde 1] ,
te [woonplaats] ,

procederend in persoon,2. [gedaagde 2],

te [woonplaats] ,

procederend in persoon,

gedaagde partijen,

hierna samen te noemen: [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .
<nr>1</nr>De procedure 1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 4 februari 2026;

- het proces-verbaal van het mondeling antwoord van [gedaagde 2] van 13 februari 2026;

- het tussenvonnis van 27 februari 2026;

- de akte vermeerdering van eis van [vve] van 22 april 2026 en

- de mondelinge behandeling van 30 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
[vve] heeft op 29 april 2026 een akte overgelegd met aanvullende productie 10. De kantonrechter was hier op de mondelinge behandeling van 30 april 2026 niet mee bekend en neemt in dit vonnis een beslissing over het toelaten van deze stukken. Daarnaast neemt de kantonrechter in dit vonnis een beslissing over de schriftelijke toelichting, met producties 1 tot en met 7, die [gedaagde 1] na afloop van de mondelinge behandeling van 30 april 2026 bij de rechtbank heeft ingediend.
1.3.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2. De feiten
2.1.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn getrouwd en allebei eigenaar van het appartementsrecht aan het adres [adres] . Zij zijn van rechtswege lid van [vve] . Als leden betalen zij aan [vve] een maandelijkse bijdrage. Op het moment van dagvaarden bedraagt deze € 256,04 per maand. Als de algemene ledenvergadering van de VvE dat besluit, zijn zij daarnaast verplicht tot het betalen van aanvullende bijdragen.
2.2.
Op 4 maart 2025 en 3 juni 2025 heeft de ledenvergadering van [vve] besloten om twee aanvullende bijdragen in rekening te brengen bij de leden van de VvE. Voor [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn deze vastgesteld op € 4.027,60 en € 3.204,95. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben deze aanvullende bijdragen niet betaald. Ook hebben zij sinds oktober 2025 hun maandelijkse bijdrage niet betaald. Hierdoor is een betalingsachterstand ontstaan. In totaal, bedroeg de achterstand op 22 april 2026 € 9.002,33.
2.3.
In januari 2024 heeft [gedaagde 2] een echtscheidingsverzoek ingediend. Tijdens de mondelinge behandeling van 30 april 2026 gaven [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aan dat de echtscheidingsprocedure op dat moment nog liep en dat het appartement nog altijd in eigendom was van beide partijen.
<nr>3</nr>Het geschil 3.1.
[vve] vordert na wijziging van eis – samengevat – dat de kantonrechter [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk veroordeelt om aan haar te betalen:

€ 9.002,33 aan onbetaalde VvE-bijdragen, plus wettelijke rente,

€ 256,04 per maand vanaf 1 mei 2026, jaarlijks aangepast volgens de besluiten van de ledenvergadering van [vve] , plus wettelijke rente als [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet op tijd betalen, tot een bedrag van maximaal € 25.000,-,

€ 6,05 aan kosten voor kadastraal onderzoek,

€ 638,59 aan buitengerechtelijke incassokosten (inclusief btw) en

de proceskosten
3.2.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] erkennen de betalingsachterstand en betwisten niet dat [vve] recht heeft op betaling van het gevorderde bedrag. Evenmin betwisten zij hoofdelijk aansprakelijk te zijn. [gedaagde 1] vindt echter dat [gedaagde 2] deze kosten moet betalen. Andersom, vindt [gedaagde 2] dat [gedaagde 1] de kosten moet betalen.
3.3.
De rechtbank zal hierna, als dat nodig is, verder ingegaan op wat partijen hebben gezegd.
<nr>4</nr>De beoordeling
De aktes van 29 en 30 april 2026 worden niet toegelaten
4.1.
Op grond van artikel 87, lid 6 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) worden (proces)stukken die minder dan tien dagen voor de mondelinge behandeling worden ingediend, door de rechter buiten beschouwing gelaten, tenzij de goede procesorde zich daartegen verzet.
4.2.
[vve] heeft op 29 april 2026, dus één dag voor de mondelinge behandeling, een akte overgelegd met aanvullende productie 10. Productie 10 is de begroting van [vve] voor 2026. [vve] heeft zowel in de akte, als tijdens de mondelinge behandeling niet toegelicht waarom zij deze akte heeft ingediend. De kantonrechter zal deze akte daarom niet toelaten.
4.3.
[gedaagde 1] heeft op 30 april 2026, na afloop van de mondelinge behandeling, een akte overgelegd die bestaat uit een schriftelijke toelichting met producties 1 tot en met 7. [gedaagde 1] had de kantonrechter tijdens de mondelinge behandeling ook al gevraagd om deze stukken toe te voegen aan het procesdossier. De kantonrechter heeft hier toen een besluit over genomen en deze stukken geweigerd. De kantonrechter blijft bij dit besluit en voegt de akte niet toe aan het procesdossier.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] moeten de VvE-bijdragen betalen
4.4.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben het bedrag van € 9.002,33 aan onbetaalde VvE-bijdragen niet betwist. Daarnaast betwisten zij niet dat zij als appartementseigenaren ieder hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de VvE-bijdragen. Toch vinden zij allebei dat de ander moet betalen. [gedaagde 2] geeft aan dat zij sinds mei 2023 niet meer in het appartement woont en vindt dat [gedaagde 1] daarom voor de VvE-kosten verantwoordelijk is. [gedaagde 1] is het hier niet mee eens. Volgens [gedaagde 1] hebben [gedaagde 2] en hij afgesproken dat [gedaagde 2] de VvE-bijdrage zou betalen, terwijl hij andere vaste lasten, zoals de hypotheekkosten, op zich nam. Omdat [gedaagde 2] de VvE-kosten altijd heeft betaald, had ook [vve] volgens [gedaagde 1] moeten begrijpen dat niet hij, maar [gedaagde 2] voor de VvE-kosten verantwoordelijk is. Daarnaast geeft hij aan dat [gedaagde 2] meer verdient dan hij en dat hij een groot deel van zijn inkomsten en vermogen al aan haar heeft overgemaakt. Volgens [gedaagde 1] zou het in strijd zijn met de eisen van redelijkheid en billijkheid als hij voor de VvE-kosten aansprakelijk wordt gehouden.
4.5.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Wat ook zij van de afspraken die [gedaagde 1] en [gedaagde 2] met elkaar hebben gemaakt, [vve] was bij deze afspraken niet betrokken. Ook als de betalingen aan de VvE tot oktober 2025 altijd door [gedaagde 2] zijn gedaan, maakt dit niet dat [gedaagde 1] hierdoor tegenover de VvE niet verantwoordelijk is voor de betaling van de VvE-kosten. Hetzelfde geldt voor [gedaagde 2] . Dat zij niet meer in het appartement woont, maakt dit niet anders. Anders gezegd: eventuele afspraken tussen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] raken de VvE niet.
4.6.
Beide partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling aangegeven financieel niet in staat te zijn de VvE-bijdragen te betalen. Zij stellen allebei (aanzienlijke) andere schulden te hebben. [gedaagde 2] heeft daarnaast aangegeven dat zij vanwege ernstige psychische problemen op dit moment niet werkt en moet leven van geld dat zij van familieleden leent. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] bevinden zich daarmee in een moeilijke (financiële) situatie. Ook dit doet echter niet af aan hun verplichtingen tegenover de VvE.
4.7.
Dit betekent dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ieder hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de VvE-kosten. De vordering tot betaling van het bedrag van € 9.002,33 aan onbetaalde VvE-bijdragen wordt daarom toegewezen. Dit geldt ook voor de vordering om [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van toekomstige termijnen, zolang zij beide eigenaar zijn van het appartement. Gelet op de hiervoor onder 4.6 genoemde omstandigheden, zijn er voldoende aanwijzingen dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ook in de toekomst hun VvE-bijdragen niet zullen betalen.

Wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten
4.8.
De wettelijke rente is toewijsbaar vanaf de dagvaarding, zoals gevorderd, over het deel van de vordering dat op dat moment opeisbaar was, te weten € 1001,66 + € 4.027,60 + € 3.204,95 = € 8.234,21. Daarnaast zijn [gedaagde 1] en [gedaagde 2] over de VvE-bijdragen voor februari, maart en april 2026 wettelijke rente verschuldigd vanaf de vermeerdering van eis, over een bedrag van 3 x € 256,04 = € 768,12.
4.9.
[vve] vordert hiernaast vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten. De VvE heeft genoeg gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] moeten deze kosten daarom betalen. Het door [vve] gevorderde bedrag van € 638,59 is lager dan het bedrag dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op grond van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) zouden moeten betalen. Het gevorderde bedrag zal daarom worden toegewezen.
4.10.
De gevorderde kosten voor het uittreksel uit het Kadaster worden afgewezen. Voor zover deze kosten door de gemachtigde van [vve] zijn gemaakt, moeten deze worden aangemerkt als informatiekosten die zijn gemaakt bij de voorbereiding van de procedure. Deze kosten zijn dus inbegrepen bij het bedrag aan salaris dat in het kader van de hieronder genoemde proceskostenveroordeling wordt toegewezen.
4.11.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [vve] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding



307,53

- griffierecht



559,00

- salaris gemachtigde



720,00

(2 punten × € 360,00)

- nakosten



144,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal



1.730,53
4.12.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ieder gedwongen kunnen worden het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer aan de VvE te betalen.
<nr>5</nr>De beslissing
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk om aan [vve] te betalen een bedrag van € 9.002,23, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, met ingang van 4 februari 2026 over een bedrag van € 8.234,21 en met ingang van 22 april 2026 over een bedrag van € 768,12, tot de dag van volledige betaling;
5.2.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk, zolang zij eigenaar zijn van het appartement dat deel uitmaakt van [vve] , om met ingang van 1 mei 2026 aan [vve] de maandelijkse bijdrage te betalen van € 256,04 per maand, aangepast naar de jaarlijkse verlagingen of verhogen waartoe [vve] rechtsgeldig besluit, plus wettelijke rente over dit bedrag vanaf de eerste dag van de maand van elke periode tot aan de voldoening, als [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet op tijd betalen, tot een bedrag van maximaal € 25.000,-;
5.3.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk om aan [vve] te betalen een bedrag van € 638,59 aan buitengerechtelijke incassokosten;
5.4.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.730,53, te betalen binnen veertien dagen nadat de VvE hierom heeft gevraagd, plus de kosten van betekening als [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet op tijd aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.1 tot en met 5.4 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Bavinck en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2026.

Artikel delen