Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBAMS:2026:4712

Executie-EAB uit Polen. Artikel 12 OLW: de situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW is van toepassing. Artikel 7 OLW: de feiten zijn dubbel strafbaar. Artikel 6a OLW: het gelijkstellingsverweer wordt verworpen. Verzoek om aanhouding om nadere gelijkstellingsstukken over te leggen afgewezen. Artikel 11 OLW: verweer met betrekking tot de Poolse detentieomstandigheden verworpen. Overleveri...

Rechtbank Amsterdam 21 May 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBAMS:2026:4712 text/xml public 2026-05-21T14:40:29 2026-05-14 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-05-13 13-045859-26 Uitspraak Eerste en enige aanleg NL Amsterdam Strafrecht; Europees strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4712 text/html public 2026-05-21T12:17:15 2026-05-21 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4712 Rechtbank Amsterdam , 13-05-2026 / 13-045859-26
Executie-EAB uit Polen. Artikel 12 OLW: de situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW is van toepassing. Artikel 7 OLW: de feiten zijn dubbel strafbaar. Artikel 6a OLW: het gelijkstellingsverweer wordt verworpen. Verzoek om aanhouding om nadere gelijkstellingsstukken over te leggen afgewezen. Artikel 11 OLW: verweer met betrekking tot de Poolse detentieomstandigheden verworpen. Overlevering toegestaan.
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-045859-26

Datum uitspraak: 13 mei 2026

UITSPRAAK

op de vordering van 6 maart 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 3 juni 2025 door the Circuit Court in Kalisz, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[de opgeëiste persoon]

geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1985,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres] ,

hierna ‘de opgeëiste persoon’.
<nr>1</nr>Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 30 april 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.H. Aalmoes, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.

Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
<nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
<nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt:

the sentence of 26 October 2023 by the District Court in Kalisz, met referentie II K 722/22;

the sentence of 9 May 2024 by the Circuit Court in Kalisz, met referentie III Ka 488/24; en

the decision of 10 October 2024 by the District Court in Kalisz ordering a warrant-based search.

De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van vier jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest van the Circuit Court in Kalisz van 9 mei 2024.

Dit arrest betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

Standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering op grond van artikel 12 OLW moet worden geweigerd. Het is niet duidelijk of de opgeëiste persoon door zijn toegewezen advocaat is geïnformeerd over de procedure in hoger beroep en of deze advocaat tijdens het proces de verdediging van de opgeëiste persoon heeft gevoerd. Subsidiair moet de behandeling van de zaak worden aangehouden om hierover vragen te stellen.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW van toepassing is, aangezien de opgeëiste persoon op 13 februari 2024 in persoon is gedagvaard. Hoewel in onderdeel D.1.a) van het EAB is aangegeven dat de opgeëiste persoon ‘properly notified’ is, ziet dit onderdeel op het in persoon dagvaarden en moet dit worden gezien als een fout in de Engelse vertaling van het EAB.

Oordeel van de rechtbank

Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een procedure in eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. De rechtbank zal daarom het arrest van the Circuit Court in Kalisz van 9 mei 2024 (met kenmerk III Ka 488/24) toetsen aan artikel 12 OLW.

De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot het arrest van the Circuit Court in Kalisz van 9 mei 2024 heeft geleid.

In onderdeel D) van het EAB is aangegeven dat de opgeëiste persoon op 13 februari 2024 ‘properly notified’ is en daarbij op de hoogte is gebracht van de datum en plaats van het proces dat tot de beslissing heeft geleid en ervan in kennis is gesteld dat een beslissing kan worden genomen wanneer hij niet op het proces verschijnt. Naar aanleiding van de opmerking van de officier van justitie dat sprake is van een vertaalprobleem heeft de rechtbank op de zitting de Poolse tolk gevraagd de desbetreffende passage uit het originele Poolse EAB te vertalen. Die vertaling houdt in dat de opgeëiste persoon persoonlijk is gedagvaard op 13 februari 2024 en daarbij op de hoogte is gebracht van de datum en plaats van het proces dat tot de beslissing heeft geleid en ervan in kennis is gesteld dat een beslissing kan worden genomen wanneer hij niet op het proces verschijnt.

De rechtbank stelt daarom vast dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW. Dat betekent dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw.
<nr>4</nr>Strafbaarheid; feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
Standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd omdat niet kan worden vastgesteld dat het in het EAB omschreven feit dubbel strafbaar is. In onderdeel E.3) van het EAB worden alleen Poolse wetsartikelen genoemd, terwijl niet duidelijk wordt gemaakt welke juridische kwalificatie het feit naar Pools recht heeft en welke strafbedreiging daaraan verbonden is. Subsidiair moet de behandeling van de zaak worden aangehouden om hierover vragen te stellen.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat aan de hand van de feitomschrijving in onderdeel E.2) van het EAB de kwalificatie van het feit naar Nederlands recht kan worden vastgesteld. Voor executie-EAB’s geldt niet het vereiste dat op het feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld. Op grond van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW kan overlevering worden toegestaan voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van vier maanden, of van langere duur, door de opgeëiste persoon op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat te ondergaan wegens een feit dat zowel naar het recht van de uitvaardigende lidstaat als naar dat van Nederland strafbaar is. Aan deze vereisten is voldaan.

Oordeel van de rechtbank

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Uit onderdeel C) van het EAB blijkt dat aan de opgeëiste persoon een vrijheidsstraf van vier jaren is opgelegd, welke straf nog volledig resteert. Daarmee is voldaan aan het vereiste dat de overlevering kan worden toegestaan voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van ten minste vier maanden. De vrijheidsstraf moet door de opgeëiste persoon worden ondergaan op het grondgebied van Polen. Verder is het feit - gelet op de uitgebreide feitomschrijving in onderdeel E.2) van het EAB - zowel naar het recht van Polen als naar dat van Nederland strafbaar. Dat in onderdeel E.3) van het EAB alleen Poolse wetsartikelen worden genoemd en geen juridische kwalificaties en de daaraan verbonden strafbedreigingen zijn opgenomen, maakt dit niet anders.

Het feit levert naar Nederlands recht op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel b, van deze wet;

overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
<nr>5</nr>Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW
Standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon gelijkgesteld kan worden met een Nederlander en heeft de rechtbank verzocht om de overlevering te weigeren onder gelijktijdige overname van de straf door Nederland. De opgeëiste persoon woont en werkt sinds 2019 in Nederland. Uit de bankafschriften van de opgeëiste persoon blijkt dat hij in Nederland heeft verbleven en hier een inkomen heeft ontvangen. Het lagere inkomen uit 2021 kan worden verklaard doordat de opgeëiste persoon door de coronacrisis niet het gehele jaar kon werken. Uit het jaaroverzicht van de ING en de verklaring geregistreerd inkomen blijkt dat de opgeëiste persoon in 2021 in Nederland heeft verbleven. Hij woonde toen bij zijn partner in [plaats] en zij had voldoende inkomen om hem financieel te ondersteunen.

Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de behandeling van de zaak aan te houden zodat bankafschriften over de jaren 2021 en 2022 en een verklaring en inkomensgegevens van de partner van de opgeëiste persoon kunnen worden overgelegd.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon niet kan worden gelijkgesteld met een Nederlander, omdat met de overgelegde stukken niet is aangetoond dat hij vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven.

Oordeel van de rechtbank

Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.

Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:

1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;

2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.

Eerste voorwaarde

De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken niet heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven.

Uit de overgelegde stukken blijkt niet waar de opgeëiste persoon in de periode vóór maart 2023 heeft verbleven. Over de jaren 2021 en 2022 zijn alleen jaaroverzichten van de ING overgelegd waaruit volgt dat de opgeëiste persoon op één moment in het jaar een adres in Nederland had. Het is de rechtbank niet duidelijk of dit gaat om woonadressen waar de opgeëiste persoon daadwerkelijk heeft verbleven of dat het alleen postadressen zijn. Hiermee is onvoldoende aangetoond dat de opgeëiste persoon ten minste vijf jaren ononderbroken in Nederland heeft verbleven. Bovendien is ook het rechtmatig verblijf in Nederland gedurende een periode van vijf jaren niet voldoende onderbouwd. De opgeëiste persoon heeft onvoldoende objectieve stukken overgelegd die aantonen dat hij in 2021 voldoende inkomsten uit werk heeft gegenereerd om te kunnen oordelen dat sprake is van reële en daadwerkelijke arbeid of anderszins heeft beschikt over voldoende bestaansmiddelen. Het standpunt van de raadsvrouw dat de opgeëiste persoon in 2021 financieel is ondersteund door zijn partner is niet met stukken onderbouwd. Daarnaast zijn voor het jaar 2022 geen inkomensgegevens verstrekt over de maanden januari tot en met augustus.

Dit betekent dat niet is voldaan aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling. De rechtbank komt daarom niet toe aan een beoordeling van de tweede voorwaarde. Het gelijkstellingsverweer wordt verworpen.

Artikel 6a, negende lid, OLW bepaalt dat bewijsstukken ter onderbouwing van een beroep op gelijkstelling tijdig voorafgaand aan het verhoor door de rechtbank moeten worden overgelegd. De rechtbank heeft de noodzaak van een tijdige (en geordende) aanlevering van stukken ook in meerdere uitspraken benadrukt, mede gelet op de termijn waarbinnen de rechtbank een beslissing moet nemen op het overleveringsverzoek. Volgens vaste jurisprudentie van deze rechtbank moeten stukken ter onderbouwing van een beroep op gelijkstelling in beginsel uiterlijk tien dagen voorafgaand aan de zitting worden overgelegd. Het is de rechtbank niet gebleken dat nadere gelijkstellingstukken niet binnen deze termijn overgelegd hadden kunnen worden. Het verzoek van de raadsvrouw om aanhouding van de behandeling van de zaak om nadere gelijkstellingsstukken over te leggen, wordt daarom afgewezen.
<nr>6</nr>Artikel 11 OLW 6.1
Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.

Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
6.2
Poolse detentieomstandigheden

Standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat voor alle Poolse remand prisons een algemeen gevaar bestaat. De opgeëiste persoon zal na zijn overlevering voor een korte periode in een remand prison in Polen worden gedetineerd. Het is echter onduidelijk in welke remand prison de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid voor die korte periode zal worden gedetineerd en hoe de detentieomstandigheden aldaar zijn.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft hierover geen standpunt ingenomen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat geen sprake is van een algemeen gevaar voor onmenselijke of vernederende behandeling in de gevangenissen in Polen voor gedetineerden die een gevangenisstraf moeten ondergaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de raadsvrouw geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd waaruit blijkt dat er, in tegenstelling tot wat de rechtbank eerder heeft geoordeeld, wel sprake is van een algemeen gevaar ten aanzien van veroordeelde gedetineerden in Polen. De rechtbank beschikt ook ambtshalve niet over dergelijke gegevens.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank niet toe aan de vraag of voor deze opgeëiste persoon na zijn overlevering een reëel gevaar voor onmenselijke of vernederende behandeling in detentie bestaat. Dat de opgeëiste persoon mogelijk in een remand prison zal worden geplaatst na feitelijke overlevering, is onvoldoende aannemelijk gemaakt. De rechtbank ziet dan ook geen reden om hierover nadere vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen.
<nr>7</nr>Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
<nr>8</nr>Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 6, 9, 175 en 176 Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5 en 7 OLW.
<nr>9</nr>Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the Circuit Court in Kalisz (Polen) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.

Deze uitspraak is gedaan door

mr. E.M. de Bie, voorzitter,

mrs. E. de Rooij en L. Sanders, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 13 mei 2026.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Zie artikel 23 Overleveringswet.

Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.

Zie onderdeel e) van het EAB.

Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32.

De raadsvrouw heeft verwezen naar Rb. Amsterdam 29 juni 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:3757.

Zie bijvoorbeeld Rb. Amsterdam 6 april 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:2560 en Rb. Amsterdam 12 november 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:8802.

Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.

Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).

Zie o.a. Rb. Amsterdam 24 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:3202.

Artikel delen