Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBAMS:2026:4856

Schuldeisersverzuim staat ontinding van de overeenkomst en vordering tot vergoeding van schade vanwege een toerekenbare tekortkoming in de weg.

Rechtbank Amsterdam 1 June 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBAMS:2026:4856 text/xml public 2026-06-01T09:00:01 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-05-26 11902791 CV EXPL 25-13346 Uitspraak Bodemzaak Eerste aanleg - enkelvoudig Proceskostenveroordeling Schadevergoedingsuitspraak Op tegenspraak NL Amsterdam Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4856 text/html public 2026-05-22T12:15:43 2026-06-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4856 Rechtbank Amsterdam , 26-05-2026 / 11902791 CV EXPL 25-13346
Schuldeisersverzuim staat ontinding van de overeenkomst en vordering tot vergoeding van schade vanwege een toerekenbare tekortkoming in de weg.
RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht

Kantonrechter

Zaaknummer: 11902791 CV EXPL 25-13346

Vonnis van 26 mei 2026 (bij vervroeging)

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser] ,

gemachtigden: mr. N.L. Verbraak en mr. R.A. Kaatee,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[bedrijf] B.V.,

gevestigd te [plaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [bedrijf] ,

gemachtigde: mr. G.I. Beij.
<nr>1</nr>De procedure 1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 25 september 2025, met producties;- de conclusie van antwoord, tevens houdende eis in reconventie, met producties;- het instructievonnis van 20 januari 2026, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald;- de dagbepaling mondelinge behandeling;

- de conclusie van antwoord in reconventie met producties;

- de aanvullende producties van de zijde van [bedrijf] .
1.2.
Op 6 mei 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. [eiser] is verschenen met mr. Verbraak, voornoemd. Namens [bedrijf] is [naam 1] verschenen vergezeld door de gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, mede aan de hand van pleitnotities, en vragen van de kantonrechter beantwoord.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald op vandaag.
<nr>2</nr>De feiten
in conventie en in reconventie:
2.1.
[eiser] heeft in 2025 een woning gekocht aan de [adres] te [plaats] (hierna: de woning), die hij wilde uitbouwen aan de voor- en achterkant op de begane grond en met een extra woonlaag op de tweede verdieping. Op 1 augustus 2025 was de sleuteloverdracht.
2.2.
[bedrijf] drijft een architectenbureau, van wie [naam 1] enig bestuurder en medewerker is.
2.3.
Na een verzoek daartoe van [eiser] heeft [naam 1] namens [bedrijf] in april 2025 een offerte uitgebracht voor tekenwerk en advies ten behoeve van de voorgenomen uitbreidingen van de woning, bestaande uit een voorlopig ontwerp, aanvraag van de omgevingsvergunning, statische berekeningen en constructies en het opstellen van een bestek met voorwaarden, zodat bij aannemers een prijsaanvraag kon worden gedaan, ten bedrage van € 5.656,75 inclusief btw. In de offerte zijn de volgende betalingstermijnen genoemd:

“ 1e termijn: 25% bij opdracht

2e termijn: 50% voor indienen vergunningsaanvraag

3e termijn: 25% bij afronden bestek”
2.4.
Op 17 april 2025 heeft [eiser] in gezelschap van zijn vader de offerte op het kantoor van [bedrijf] met [naam 1] besproken.
2.5.
Op 18 april 2025 heeft [eiser] telefonisch aan [naam 1] laten weten dat hij akkoord gaat met de offerte.
2.6.
Op 25 april 2025 heeft [naam 1] met [eiser] de woning bezichtigd.
2.7.
Op 9 mei 2025 heeft [naam 1] de concepttekeningen aan [eiser] gestuurd en op 26 mei 2025 is de vergunningsaanvraag door [naam 1] bij de [gemeente] ingediend.
2.8.
Bij brief van 2 juni 2025 heeft de gemeente aan [bedrijf] bericht dat de vergunningsaanvraag niet volledig was en de mogelijkheid geboden om de aanvraag aan te vullen met een kadastrale situatietekening van de bestaande en nieuwe situatie, de hoofdlijn van de constructie, de opbouw van de bestaande constructie, een schematisch funderingsoverzicht of palenplan, overzichtstekeningen van constructies in staal, hout en beton, een toelichting op het ontwerp van de constructies en met een verlaging van het voorportaal.
2.9.
Op 2 juni 2025 heeft [bedrijf] een factuur gestuurd aan [eiser] voor de eerste termijn met een betalingstermijn van acht dagen.
2.10.
Op 5 juni 2025 heeft [bedrijf] uitnodigingen voor aanbesteding aan aannemers gestuurd en daarbij de tekeningen gevoegd en het bestek van 27 pagina’s.
2.11.
Op 11 juni 2025 heeft [bedrijf] een factuur gestuurd aan [eiser] voor de tweede termijn met een betalingstermijn van acht dagen.
2.12.
Op 19 juni 2025 hebben partijen de woning bezichtigd met aannemers.
2.13.
Op 8 juli 2025 heeft [bedrijf] een herinnering gestuurd aan [eiser] voor de facturen.
2.14.
Bij mail van 11 juli 2025 heeft [eiser] [bedrijf] in gebreke gesteld vanwege gebrek aan communicatie met de aannemers, hetgeen volgen [eiser] zorgde voor ernstige vertraging en schade. Volgens [eiser] had de aannemer inmiddels aangesteld moeten zijn, de vergunning rond moeten zijn en de definitieve tekeningen klaar moeten liggen.
2.15.
Daarop heeft [naam 1] namens [bedrijf] bij e-mail van 14 juli 2025 [eiser] in gebreke gesteld en verzocht om het openstaande bedrag van € 4.242,57 over te maken. [bedrijf] stelt zich daarbij op het standpunt dat alle overeengekomen werkzaamheden reeds zijn verricht en de overeengekomen betalingstermijn is verstreken. Daarbij bericht [naam 1] dat “ Verdere informatie richting jou of richting gemeente is in afwachting van betaling van termijn 1 en 2”.
2.16.
Bij e-mail van 14 juli 2025 bericht [eiser] vervolgens onder meer dat hij de eerste termijn heeft overgemaakt.
2.17.
Na e-mailberichten van [naam 1] en [eiser] op 15 juli 2024 heeft [eiser] die dag ook 50% van de tweede factuur aan [bedrijf] betaald.
2.18.
Daarna, op diezelfde dag, heeft [naam 1] de gemeente verzocht de beslistermijn met 6 weken op te schorten.
2.19.
Bij brief van 17 juli 2025 heeft de gemeente besloten om de vergunningsaanvraag vanwege het ontbreken van aanvullende gegevens buiten behandeling te stellen en de kosten van de aanvraag (leges) vastgesteld op € 607,86.
2.20.
Bij e-mail van 17 juli 2025 heeft [eiser] aan [bedrijf] opheldering gevraagd over deze brief van de gemeente. Bij e-mail van 18 juli 2025 heeft [naam 1] daarop als volgt gereageerd:

“Dit is balen, het is een gevolg van ons “geschilletje” door uitblijven van de betaling heb ik geen verdere actie richting de gemeente ondernomen anders dan de aanvraag.

Bij ontvangst van jouw betaling heb ik 15 juli gelijk een opschorting van beslistermijn aangevraagd, deze brief dateert van de 17e een beetje flauw eigenlijk. maar ze mogen het wel.

Gezien onze afgelopen afspraken, en omwille van de voortgang zal ik het volgende doen.

ik zet de vergunning weer opnieuw in het loket, jij moet dan weer even bevestigen dat jij de aanvrager bent (je krijgt weer een mail van de overheid)

en ik maak bezwaar op de leges en procedure, dat zien we dan wel, dit bezwaar heeft verder dan niets met de nieuwe aanvraag van doen.

Vervelend maar het is zo.”
2.21.
Bij brief van 25 juli 2025 aan [bedrijf] heeft de gemachtigde van [eiser] de overeenkomst van opdracht buitengerechtelijk ontbonden en een schikkingsvoorstel gedaan.
2.22.
In het kader van schikkingsonderhandelingen heeft [bedrijf] daarna € 707,10 aan [eiser] terugbetaald.
2.23.
[eiser] heeft vervolgens de opdracht verstrekt aan [naam 2] , die een nieuwe vergunningsaanvraag heeft ingediend. De omgevingsvergunning is op 5 december 2025 verleend.
2.24.
Op 5 juni 2026 verhuist [eiser] naar de woning.
<nr>3</nr>Het geschil
in conventie:
3.1.
[eiser] vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

- voor recht te verklaren dat de overeenkomst tussen partijen is ontbonden;

- [bedrijf] te veroordelen tot betaling van € 7.535,78, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 juli 2025, dan wel 25 juli 2025 alsmede met de proceskosten.
3.2.
[eiser] stelt daartoe dat [bedrijf] haar zorgplicht heeft geschonden/ tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de tussen partijen gesloten overeenkomst van opdracht en dat hij daarom de overeenkomst terecht op 25 juli 2025 buitengerechtelijk heeft ontbonden. [bedrijf] is daarom gehouden de betaalde bedragen terug te betalen en een aanvullende schadevergoeding te voldoen bestaande uit € 607,86 aan leges en € 4.806,64 aan kosten voor vaste lasten voor zijn andere woning door de vertraging, vermeerderd met de wettelijke handelsrente, althans wettelijke rente.
3.3.
[bedrijf] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

in reconventie:
3.4.
[bedrijf] vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [eiser] te veroordelen tot betaling van € 2.121,29, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 juni 2025 en met de proceskosten.
3.5.
[bedrijf] stelt daartoe dat zij haar verplichtingen uit de overeenkomst is nagekomen en dat [eiser] daarom gehouden is tot betaling van de resterende tweede termijn en het terugbetaalde bedrag van € 707,10.
3.6.
[eiser] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
<nr>4</nr>De beoordeling
in conventie en in reconventie:
4.1.
Gelet op de nauwe samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie, zullen deze hieronder gezamenlijk worden behandeld.
4.2.
Nu [bedrijf] een handelaar is en [eiser] een consument, dient de overeenkomst van opdracht ambtshalve te worden getoetst aan het consumentenrecht. Onderzocht moet worden of de informatieplichten zijn nageleefd. Daarnaast moet de overeenkomst worden getoetst aan Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn).
4.3.
De overeenkomst is telefonisch gesloten nadat [eiser] (met zijn vader) op het kantoor van [bedrijf] met [naam 1] de offerte heeft besproken, zodat deze anders dan op afstand of buiten de verkoopruimte tot stand is gekomen. Uit de offerte blijkt dat voldaan is aan de daarop van toepassing zijnde informatieverplichtingen van 6:230l van het Burgerlijk Wetboek (BW). Op de overeenkomst zijn geen algemene voorwaarden van toepassing.
4.4.
De prijs voor de opdracht is helder en begrijpelijk inclusief btw vermeld in de offerte, alsmede de uit te voeren werkzaamheden, zodat dit beding (als het al een standaardbeding is) ingevolge artikel 4 lid 2 van de richtlijn niet hoeft te worden getoetst op oneerlijkheid. De bedongen betalingstermijnen zijn niet oneerlijk.
4.5.
Partijen zijn daarom aan de verplichtingen die beschreven staan in de offerte gebonden. Aan de orde is vervolgens de vraag of [eiser] de overeenkomst op 25 juli 2025 rechtsgeldig heeft ontbonden.
4.6.
In de offerte is bepaald dat de eerste termijn van 25% betaald diende te worden bij opdracht en de tweede termijn van 50% voor indienen vergunningsaanvraag. Vaststaat dat [eiser] dit niet tijdig heeft gedaan. De betalingsverplichting is in de offerte niet afhankelijk gesteld van het versturen van een factuur, dus dat betekent dat [eiser] direct nadat hij op 18 april 2025 de opdracht heeft gegeven in verzuim is geraakt met betrekking tot betaling van de eerste termijn en vanaf het indienen van de vergunningsaanvraag op 26 mei 2025 in verzuim is geraakt met betrekking tot betaling van de tweede termijn. Ingevolge artikel 6:262 BW is de wederpartij, als de andere partij haar verbintenis niet nakomt, bevoegd de nakoming van haar daartegenover staande verplichtingen op te schorten. Ingevolge artikel 6:61 BW kan de schuldenaar in dat geval niet in verzuim geraken en ingevolge 6:266 BW kan de schuldeiser de overeenkomst als hij zelf in verzuim is niet ontbinden.
4.7.
Op 25 juli 2025 had [eiser] de tweede termijn nog niet volledig voldaan en was ook de derde termijn opeisbaar aangezien het bestek al op 5 juni 2025 was verstuurd naar de aannemers. [eiser] stelt wel dat op 15 juli 2025 is overeengekomen dat hij maar 50% van de tweede termijn hoefde te betalen, maar dat blijkt niet uit de overgelegde e-mailberichten en wordt door [bedrijf] betwist. Nu uit de e-mails van [bedrijf] van 15 juli 2025 alleen kan worden afgeleid dat [bedrijf] akkoord was om de werkzaamheden voort te zetten als op die dag in ieder geval 50% van de tweede termijn werd betaald, maar niet dat hij afstand deed van het restant, bleef [eiser] tekortschieten in zijn betalingsverplichting. [eiser] was en bleef dan ook zelf als eerste vanaf de totstandkoming van de overeenkomst in verzuim, zodat [bedrijf] niet in verzuim kon raken en [eiser] de overeenkomst op 25 juli 2025 niet rechtsgeldig kon ontbinden.
4.8.
Daarnaast geldt dat [eiser] onvoldoende heeft gesteld dat [bedrijf] tekort is geschoten in haar verplichtingen. Vanaf het begin van de opdracht heeft [naam 1] voortvarend gewerkt. Binnen een maand heeft hij de concepttekeningen aan [eiser] gestuurd en voor eind mei 2025 de vergunningsaanvraag ingediend. Vervolgens heeft hij op 5 juni 2025 de tekeningen en het bestek aan de aannemers gestuurd. Nadat [eiser] op 14 en 15 juli 2025 betalingen heeft gedaan, heeft [naam 1] direct op 15 juli 2025 de gemeente verzocht om de beslistermijn met zes weken op te schorten. Nadat de gemeente op 17 juli 2025 toch een beslissing had genomen en de aanvraag had afgewezen, heeft [naam 1] direct de volgende dag aan [eiser] laten weten hoe dit op te lossen was en dat hij bezwaar zou maken tegen de in rekening gebrachte leges. [naam 1] heeft ter zitting verklaard dat op die manier de vergunning alsnog tijdig verleend had kunnen worden en dat daarnaast een aannemer zou kunnen worden gevonden, die het werk na de zomer zou kunnen uitvoeren. Verder heeft [naam 1] uitgelegd dat de vergunningsaanvraag in eerste instantie summier was ingediend omdat [eiser] het liefst een rechtopstaand dak wilde en het de vraag was of dit vergund zou worden. Pas als duidelijk was of de welstandscommissie daarmee kon instemmen, zouden de constructietekeningen gemaakt worden, om dubbelwerk te voorkomen. In de vergunningsaanvraag, die door [eiser] is goedgekeurd, staat ook vermeld dat de constructietekeningen later zullen worden aangevuld. De omstandigheid dat [naam 2] later andere tekeningen heeft gemaakt, maakt niet dat enkel op grond daarvan kan worden vastgesteld dat de tekeningen van [bedrijf] niet voldeden. Bovendien blijkt ook uit de tekeningen van [naam 2] dat de achteruitbouw vergunningsvrij is, zoals [bedrijf] aanvoert. Tot slot geldt dat [eiser] [bedrijf] niet in gebreke heeft gesteld, zodat een eventuele niet-nakoming van de zijde van [bedrijf] ook daarom niet aangemerkt kan worden als een tekortkoming. Ook staat dit een rechtsgeldige ontbinding van de overeenkomst in de weg.
4.9.
Conclusie van het bovenstaande is dat de vorderingen van [eiser] in conventie niet toewijsbaar zijn en de vorderingen van [bedrijf] in reconventie wel. [eiser] is immers nog steeds gehouden tot volledige betaling van de opdracht. Het door [bedrijf] gevorderde bedrag van € 2.121,29 is dan ook toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vervaldatum van de factuur op 19 juni 2025.
4.10.
Als de in het ongelijk gestelde partij wordt [eiser] veroordeeld in de proceskosten in conventie en in reconventie, begroot op € 720,- in conventie en € 217,- in reconventie aan salaris gemachtigde en € 72,- aan nakosten.
<nr>5</nr>De beslissing
De kantonrechter:

in conventie en in reconventie:
5.1.
veroordeelt [eiser] tot betaling van € 2.121,29 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 juni 2025;
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten begroot op € 937,- aan salaris gemachtigde en € 72,- aan nakosten;
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026 in aanwezigheid van de griffier.

811

Artikel delen