Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBAMS:2026:4983

Toewijzen verzoek tot machtiging uithuisplaatsing

Rechtbank Amsterdam 26 May 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBAMS:2026:4983 text/xml public 2026-05-26T17:47:02 2026-05-21 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-03-19 C/13/784422 / JE RK 26-192 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Rekestprocedure Beschikking NL Amsterdam Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4983 text/html public 2026-05-26T17:46:31 2026-05-26 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4983 Rechtbank Amsterdam , 19-03-2026 / C/13/784422 / JE RK 26-192
Toewijzen verzoek tot machtiging uithuisplaatsing
RECHTBANK AMSTERDAM
Familie- en Jeugdrecht

Zaaknummer: C/13/784422 / JE RK 26-192

Datum uitspraak: 19 maart 2026

Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam, gevestigd te Amsterdam,

hierna te noemen de GI,

over

[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

Mevrouw [de moeder],

hierna te noemen de moeder,

wonende in [woonplaats] ,

advocaat mr. A.L. Witteveen uit Rotterdam.
<nr>1</nr>Het verloop van de procedure 1.1.
De kinderrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 9 maart 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de moeder met haar advocaat;

- een vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
<nr>2</nr>De feiten 2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft momenteel bij [zorginstelling 1]
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 25 november 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 25 november 2026.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 25 november 2025 een machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen binnen het netwerk tot 25 augustus 2026.
2.5.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 9 maart 2026 met spoed een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige] binnen een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van twee weken.
<nr>3</nr>Het verzoek 3.1.
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
<nr>4</nr>De standpunten 4.1.
De GI heeft, onder verwijzing naar de stukken, gepersisteerd bij het verzoek. [minderjarige] heeft de afgelopen tijd bij haar tante aan vaderszijde gewoond. De tante heeft echter aangegeven dat zij per 10 maart 2026 definitief wil stoppen met het bieden van de plek voor [minderjarige] . Inmiddels woont [minderjarige] bij [zorginstelling 1] en het gaat daar goed op de groep.
4.1.1.
Er heeft een incident plaatsgevonden waardoor [minderjarige] van school is verwijderd. Er is weinig contact tussen de moeder en [minderjarige] . Daarnaast zijn er zorgen over middelengebruik en het netwerk van [minderjarige] . [minderjarige] staat open voor contact met een coach en daar is ze nu dan ook voor aangemeld.
4.1.2.
De uithuisplaatsing wordt verzocht tot het einde van de ondertoezichtstelling. De plek bij [zorginstelling 1] is nog drie maanden beschikbaar. Er worden gesprekken gevoerd om een aansluitende plek te regelen. Plaatsing in het netwerk is niet mogelijk. Op dit moment volgt [minderjarige] geen therapie. Er is een poging gedaan dit op te starten, maar dit is niet van de grond gekomen doordat afspraken niet zijn nagekomen. Er worden ook gesprekken gevoerd om [minderjarige] aan te kunnen melden bij een [onderwijs instelling].
4.2.
De moeder heeft – ook bij monde van haar advocaat – verklaard zich niet te verzetten tegen het verzoek van de GI. Op 29 januari heeft de moeder voor het laatst contact gehad met [minderjarige] . [minderjarige] wil haar moeder niet meer spreken sinds ze het incident heeft gehad op school. De moeder werkt met alle hulpverlening mee maar ziet de situatie alleen maar verslechteren. Het lijkt erop dat [minderjarige] haar moeder afstoot. [minderjarige] went nu drie maanden lang aan een plek om dan weer naar een andere plek te moeten. Een plaatsing in het netwerk is door de GI niet meer mogelijk. Ze had nooit bij deze tante geplaatst moeten worden.
4.2.1.
De moeder krijgt niets mee over gesprekken die gevoerd worden met [minderjarige] en gesprekken over een aanmelding bij een [onderwijs instelling]. Ze zou graag beter geïnformeerd worden.

[zorginstelling 2] zou een optie kunnen zijn voor [minderjarige] , maar daar is voor nodig dat [minderjarige] zich daar ook voor in wil zetten. Dat is nu niet het geval. Ook moet contactherstel worden bewerkstelligd tussen [minderjarige] en haar moeder en broertje. Daarnaast zou ze kunnen profiteren van iets als weerbaarheidstraining. De moeder maakt zich zorgen dat ze de volwassenheid ingaat zonder begeleiding en behandeling.
<nr>5</nr>De beoordeling 5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . De relatie tussen [minderjarige] en haar moeder is nog steeds ernstig verstoord waardoor een terugplaatsing op dit moment niet aan de orde is. Plaatsing in het netwerk is evenmin mogelijk. De komende tijd zal moeten worden gekeken naar een nieuwe plek voor [minderjarige] waar zij langere tijd zal kunnen verblijven, zodat [minderjarige] op die plek de mogelijkheid krijgt te stabiliseren. [minderjarige] zou vanuit die stabiele plek therapie dan wel behandeling kunnen ontvangen. Ook kan dan gewerkt worden aan contactherstel met de moeder en het broertje van [minderjarige] .
5.2.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
<nr>6</nr>De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
handhaaft de beschikking van 9 maart 2026;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 19 maart 2026 voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten 25 november 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2026 door

mr. F.P. Lauwaars, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. T. Bongenaar als griffier, en op schrift gesteld op 2 april 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.

Artikel delen