Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBAMS:2026:5003

Civiel jeugdrecht. Toewijzing verzoek tot ondertoezichtstelling.

Rechtbank Amsterdam 27 May 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBAMS:2026:5003 text/xml public 2026-05-27T14:52:29 2026-05-21 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-04-21 C/13/785695 / JE RK 26-262 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Rekestprocedure Beschikking NL Amsterdam Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:5003 text/html public 2026-05-27T09:16:05 2026-05-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:5003 Rechtbank Amsterdam , 21-04-2026 / C/13/785695 / JE RK 26-262
Civiel jeugdrecht. Toewijzing verzoek tot ondertoezichtstelling.
RECHTBANK AMSTERDAM
Familie- en Jeugdrecht

Zaaknummer: C/13/785695 / JE RK 26-262

Datum uitspraak: 21 april 2026

Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming,

Amsterdam,

hierna te noemen de Raad,

over

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2010 in [geboorteplaats 1] ,

hierna te noemen [minderjarige 1] ,

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2012 in [geboorteplaats 2] ,

hierna te noemen [minderjarige 2] .

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

Mevr. [de moeder],

hierna te noemen de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat mr. S. Prass uit Amsterdam.

De kinderrechter merkt als informant aan:

de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Regio Amsterdam, hierna te noemen de GI.
<nr>1</nr>Het verloop van de procedure 1.1.
De kinderrechter heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 31 maart 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 21 april 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de moeder met haar advocaat en een tolk;

- [persoon 1] namens de Raad;

- [persoon 2] namens de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 2] naar haar mening gevraagd. [minderjarige 2] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 2] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
<nr>2</nr>De feiten 2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 2] woont bij haar moeder.
<nr>3</nr>Het verzoek 3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad heeft het verzoek ter zitting in zoverre aangepast dat niet langer verzocht wordt [minderjarige 1] , de broer van [minderjarige 2] , onder toezicht te stellen.
<nr>4</nr>De standpunten 4.1.
De Raad heeft onder verwijzing naar de stukken gepersisteerd bij het verzoek. [minderjarige 2] is een jong meisje van 14 jaar en zit in de puberteit. Op school is sprake van veel verzuim. Dat terwijl het heel belangrijk is om op die leeftijd met anderen in contact te komen. [minderjarige 2] zit in plaats daarvan thuis. Als dat niet wordt doorbroken, bestaat de vrees dat haar ontwikkeling bedreigd blijft. Er wordt al langere tijd getracht om hulpverlening op te zetten. Er is sprake van een liefdevolle relatie tussen de moeder en [minderjarige 2] . De moeder is echter ook belast door haar eigen problematiek. Als je als ouder al veel zorgen hebt, vraagt het veel om daarnaast ook zorg te dragen voor kinderen. In het geval van [minderjarige 2] is daadkrachtig optreden nodig. Het lukt tot nu toe niet om de ontwikkelingsbedreiging te doen afnemen. Wat de hulpverlening vanuit iHub betreft, geldt dat afspraken meer worden afgezegd dan dat ze doorgaan. Er is betrokkenheid van een GI en tijd nodig om de schoolgang te verbeteren, mentale problematiek te adresseren en vertrouwen op te bouwen met de hulpverlening. Tenslotte verzoekt de Raad ook om [minderjarige 2] onder toezicht te stellen van het Leger des Heils in plaats van JBRA, omdat het Leger des Heils beter aansluit op de hulpvraag van dit gezin.
4.2.
De moeder heeft zich – ook bij monde van haar advocaat – op het standpunt gesteld dat het verzoek dient te worden toegewezen, omdat zij het beste wil voor [minderjarige 2] . Zij doet er alles aan om [minderjarige 2] alles te geven wat zij nodig heeft, maar soms is het te veel en is zij het even kwijt. Soms is sprake van overbelasting. Dan heeft zij iemand nodig die de regie neemt. Er is geen sprake van onwil wat de samenwerking met hulpverlening betreft. Als er hulp komt voor het gezin dan is dat voor iedereen goed. De klik tussen de moeder en iHub is goed. Dat traject is in december gestart. [minderjarige 2] spreekt in dat kader ook een psycholoog.
<nr>5</nr>De beoordeling 5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
De ontwikkeling van [minderjarige 2] wordt ernstig bedreigd. Er is sprake van veel schoolverzuim, [minderjarige 2] heeft depressieve klachten en zij zit veel thuis. Hoewel de moeder haar best doet, kan de ontwikkelingsbedreiging niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. De moeder heeft verschillende keren hulpverlening afgehouden omdat zij deze niet passend vindt. Hulpverlening komt daardoor niet van de grond. De kinderrechter benadrukt dat sprake is van een liefdevolle band tussen [minderjarige 2] en de moeder. Moeder kan echter overbelast raken wat ervoor zorgt dat zij de zorg voor haar kinderen niet aankan en stilvalt. De moeder kampt daarnaast zelf ook met onbehandelde psychische problematiek. Er is dan ook geen sprake van onwil wat de acceptatie van hulpverlening betreft. Om ervoor te zorgen dat de hulpverlening voor [persoon 1] doorgang vindt, is het belangrijk dat de regie wordt overgenomen door de GI. Op die manier ontstaat daarnaast ruimte om ook de zorgbehoeften van de moeder te adresseren.
5.3.
De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige 2] onder toezicht voor de duur van een jaar. De kinderrechter beslist daarnaast overeenkomstig het verzoek van de Raad om het Leger des Heils aan te wijzen als uitvoerder van de ondertoezichtstelling.
5.4.
De kinderrechter stelt de volgende doelen vast waaraan tijdens de ondertoezichtstelling moet worden gewerkt:

- [minderjarige 2] werkt mee aan haar traject bij iHub. Het is van belang dat [minderjarige 2] vanuit iHub hulp krijgt gericht op emotieregulatie, trauma en paniekklachten;

- Er wordt samen gekeken met [minderjarige 2] hoe zij ervoor kan zorgen dat het haar weer lukt om les te volgen volgens het lesrooster, bijvoorbeeld door middel van het betrekken van een coach;

- Moeder werkt mee met de ondersteuning die haar geboden wordt wat betreft financiële begeleiding;

- Moeder werkt mee aan bijvoorbeeld opvoedondersteuning, zodat zij leert structuur te bieden aan de kinderen;

- Moeder start het traject bij het AMC (wanneer dit kan), zodat er zicht komt op haar belastbaarheid in combinatie met haar psychische problematiek;

- Er wordt onderzocht of systeemtherapie passend is voor het gezin om de communicatie onderling te verbeteren.
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
<nr>6</nr>De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige 2] onder toezicht van Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering met ingang van 21 april 2026 tot 21 april 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026 door mr. C.F. de Lemos Benvindo, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. T. Bongenaar als griffier, en op schrift gesteld op 19 mei 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Artikel 1:255 BW.

Artikel delen