ECLI:NL:RBAMS:2026:6265text/xmlpublic2026-06-22T14:51:252026-06-19Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Amsterdam2026-05-1326-011745UitspraakEerste en enige aanlegRekestprocedureNLAmsterdamStrafrecht; Materieel strafrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6265text/htmlpublic2026-06-22T11:49:512026-06-22Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBAMS:2026:6265 Rechtbank Amsterdam , 13-05-2026 / 26-011745 Beslissing artikel 164, lid 8 WVW 1994, ongegrond
datum : 13 mei 2026 beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 164, achtste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) van:
[klager] , geboren op [geboortedag] 1998 te [geboorteplaats] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. T. van Nimwegen;
[adres] , hierna te noemen: klager. Feiten Tegen klager is proces-verbaal opgemaakt ter zake van verdenking van overtreding van artikel 8 WVW 1994, gepleegd op 19 april 2026 omstreeks 04:35 uur op de [kade] in Amsterdam. Het proces-verbaal houdt onder meer in dat klager een motor bestuurde, dat hij opvallend snel door de bocht ging en vervolgens door rood reed. Nadat het voertuig van klager door de politie is stilgehouden, heeft hij niet meegewerkt aan het voorlopig ademonderzoek en de voorlopige speekseltest. De verbalisanten hebben de volgende uiterlijke kenmerken bij klager waargenomen: opgedroogd speeksel, wijd opengesperde ogen, waterig/wazige en bloeddoorlopen ogen, vergote pupil, onrustig gedrag/bewegingsdrang, woordenvloed, agressief/snel geïrriteerd en de geur van cannabis. Uiteindelijk heeft klager ook geweigerd om bloed te laten afnemen. Op 19 april 2026 is op grond van het bovenstaande het rijbewijs van klager ingevorderd. De officier van justitie heeft vervolgens binnen tien dagen beslist het rijbewijs onder zich te houden voor een periode van acht maanden, tot uiterlijk 15 december 2026. Procedure Het klaagschrift is op 22 april 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen. Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt. De rechtbank heeft op 13 mei 2026 het beklag in openbare raadkamer behandeld. De rechtbank heeft de gemachtigde advocaat van klager, mr. T. van Nimwegen en de officier van justitie, mr. S.M. Hoogerheide, op zitting gehoord.
Klager is, hoewel daartoe goed opgeroepen, niet in raadkamer verschenen. Beklag Het beklag strekt tot teruggave van het rijbewijs van klager dat is ingevorderd en dat de officier van justitie onder zich houdt. Namens klager is, kort weergegeven, het volgende aangevoerd.
Het rijbewijs van klager had op grond van artikel 164 lid 4 WVW niet ingehouden mogen worden. Klager werd verdacht van het rijden onder invloed van drugs en heeft vervolgens zijn medewerking aan een onderzoek geweigerd (artikel 164 lid 2 sub c WVW). Dit onderdeel is door de wetgever bewust niet genoemd in artikel 164 lid 4 WVW en niet kan worden gesteld dat op grond van andere feiten of omstandigheden ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat klager opnieuw een feit als bedoeld in het tweede of derde lid zal begaan. Klager is niet onherroepelijk veroordeeld voor soortgelijke feiten. Tegen de strafbeschikking inhoudende een geldboete (parketnummer 96-230650-23) is verzet ingesteld en de strafbeschikking inhoudende een taakstraf van 60 uren (parketnummer 96-122513-25) is nog niet voltooid waardoor ook die veroordeling nog niet onherroepelijk is. Primair dient het klaagschrift gegrond te worden verklaard, omdat geen sprake is van een inhoudingsgrond. Subsidiair dient het klaagschrift deels gegrond te worden verklaard en dient het rijbewijs van klager na een periode van vier of vijf maanden aan hem te worden teruggegeven. Standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft verklaard zich te verzetten tegen teruggave van het rijbewijs.
De officier van justitie heeft aangevoerd dat - gelet op de richtlijnen van het Openbaar Ministerie en de oriëntatiepunten van het LOVS - ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat aan klager in geval van veroordeling door de rechter dan wel uitvaardiging van een strafbeschikking, een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen zal worden opgelegd van langere duur dan de tijd dat het rijbewijs is ingevorderd en ingehouden geweest. De officier van justitie heeft ook aangevoerd dat verdere inhouding het algemeen belang en de verkeersveiligheid dient en dat het persoonlijk belang van klager vooralsnog daartegen niet opweegt. Beoordeling De rechtbank acht de inhouding van het rijbewijs op grond van artikel 164 lid 4 WVW rechtmatig en overweegt hiertoe als volgt. Mocht een letterlijke lezing van de wet tot de conclusie leiden dat voor de officier van justitie een enkele weigering naar aanleiding van een verdenking van het rijden onder invloed van drugs onvoldoende is om het rijbewijs in te mogen houden, dan is dat in de onderhavige casus geen beletsel. Bij klager zijn verschillende kenmerken waargenomen op grond waarvan de verdenking bestaat dat hij onder invloed van alcohol en/of drugs heeft gereden. Vervolgens heeft hij niet meegewerkt aan de ademanalyse en het bloedonderzoek. Daarbij blijkt uit het strafblad van klager dat hij is veroordeeld voor het rijden onder invloed van drugs en het weigeren van een bloedonderzoek. Op grond van het voorgaande moet ernstig rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat klager opnieuw een feit als bedoeld in het tweede of derde lid zal begaan. Het feit dat deze veroordelingen nog niet onherroepelijk zouden zijn, doet hieraan niet af. De officier van justitie heeft aldus in redelijkheid van de inhoudingsbevoegdheid gebruik gemaakt. Gelet op de ernst van het feit waarvan klager wordt verdacht, het strafblad van klager en ondanks zijn persoonlijke omstandigheden moet ernstig rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat aan klager een onvoorwaardelijke rijontzegging zal worden opgelegd, van langere duur dan de tijd dat het rijbewijs wordt ingehouden. Het beklag zal dan ook ongegrond worden verklaard. Beslissing De rechtbank verklaart het beklag ongegrond. Deze beslissing is gegeven door
mr. R.A. Overbosch, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. A.L. Köhler, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026. Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor klager en het openbaar ministerie beroep in cassatie bij de Hoge Raad open,
in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, voor het openbaar ministerie binnen veertien (14) dagen en voor klager binnen veertien (14) dagen na de dagtekening van deze beslissing.