Verhuurder is het niet eens met de uitspraak van de huurcommissie, maar is niet-ontvankelijk omdat er geen grondslag bekend is en er geen stukken zijn ingediend die zijn vordering onderbouwen. Uitspraak blijft in stand.
Rechtbank Amsterdam 15 July 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:7072
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-07-2026
Datum publicatie
15-07-2026
Zaaknummer
11971562 CV EXPL 25-16088
Rechtsgebied
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
ECLI:NL:RBAMS:2026:7072text/xmlpublic2026-07-15T14:51:532026-07-13Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Amsterdam2026-05-1911971562 CV EXPL 25-16088UitspraakBodemzaakEerste aanleg - enkelvoudigProceskostenveroordelingNLAmsterdamCiviel rechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:7072text/htmlpublic2026-07-14T15:04:512026-07-15Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBAMS:2026:7072 Rechtbank Amsterdam , 19-05-2026 / 11971562 CV EXPL 25-16088 Verhuurder is het niet eens met de uitspraak van de huurcommissie, maar is niet-ontvankelijk omdat er geen grondslag bekend is en er geen stukken zijn ingediend die zijn vordering onderbouwen. Uitspraak blijft in stand.
RECHTBANK AMSTERDAM Civiel recht
Kantonrechter Zaaknummer: 11971562 CV EXPL 25-16088 Vonnis van 19 mei 2026 in de zaak van
[eiser]
,
wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
procederend in persoon, tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigden: mr. J. Wolfrat en mr. T. Lorjé. 1De procedure1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 17 december 2025 met producties, de conclusie van antwoord van 2 januari 2026, het tussenvonnis van 16 januari 2026 waarbij een mondelinge behandeling is bevolen, waarna daarvoor een dag is bepaald. 1.2. De zaak is besproken tijdens de mondelinge behandeling van 20 april 2026. Hierbij waren partijen aanwezig waarbij [gedaagde] werd bijgestaan door de gemachtigden. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, [gedaagde] aan de hand van spreekaantekeningen, en vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt, die in het procesdossier zijn gevoegd. Vervolgens is om een vonnis gevraagd waarvoor een datum is bepaald. 2De beoordeling2.1.
[gedaagde] huurt sinds 1 december 2024 de woning gelegen aan de [adres] (hierna: de woning) van verhuurder [eiser] . [gedaagde] heeft de huurcommissie verzocht om de aanvangshuurprijs van de woning te toetsen. De voorzitter van de huurcommissie heeft uitspraak (zaaknummer 2503309) gedaan en die is op 31 juli 2025 verzonden aan partijen. 2.2.
[eiser] is het niet eens met de uitspraak van de voorzitter van de huurcommissie en hij heeft zich daarom tot de kantonrechter gewend doormiddel van een verzoekschrift welke op 2 september 2025 is ingediend. Bij beschikking van 13 november 2025 heeft de kantonrechter beslist dat een verkeerde procedure is gekozen en bevolen dat de procedure wordt voorgezet volgende regels die gelden bij dagvaardingsprocedure. Termijn 2.3. Op grond van artikel 20 lid 6 Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte kan een van de partijen binnen drie weken na verzending van de uitspraak van de voorzitter van de huurcommissie in verzet gaan bij de huurcommissie. De Hoge Raad heeft daarnaast bepaald dat het na een voorzittersuitspraak ook mogelijk is om binnen acht weken in verzet te gaan bij de kantonrechter, zonder eerst verzet in te stellen bij de huurcommissie.
De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] met het indienen van het verzoekschrift op 2 september 2025 tijdig in verzet is gekomen tegen de beslissing van de huurcommissie.
[eiser] niet-ontvankelijk in zijn vordering 2.4. Uit artikel 111 lid 2 onder d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) volgt dat een dagvaarding de eis en gronden dient te vermelden op straffe van nietigheid zoals volgt uit artikel 120 Rv. Weliswaar is [gedaagde] in deze procedure verschenen maar zij heeft aangevoerd dat de inhoud van de vordering van [eiser] onduidelijk is, er geen grondslag bekend is en dat er geen stukken zijn ingediend die zijn vordering onderbouwen. 2.5. Met [gedaagde] is de kantonrechter van oordeel dat de dagvaarding niet voldoet aan de vereisten die artikel 111 lid 2 onder d Rv daaraan stelt. [eiser] heeft in zijn dagvaarding op geen enkele manier duidelijk gemaakt waarom de beslissing van de Huurcommissie niet juist zou zijn. Voor [gedaagde] was het dus niet duidelijk waartegen zij zich diende te verweren. [gedaagde] is dan ook onredelijk in haar belangen is geschaad zodat haar beroep op de niet-ontvankelijkheid slaagt. 2.6. Dat [eiser] tijdens de zitting stukken heeft meegenomen waaruit de inhoud van de vordering en grondslag zou moeten blijken maakt bovenstaande niet anders. Tijdens de zitting heeft [gedaagde] de inhoud van de stukken kort bestudeerd waarna zij bezwaar heeft gemaakt omdat deze stukken uitgebreid zijn, gedetailleerd en zij zich hier niet op heeft kunnen voorbereiden. De kantonrechter heeft op de zitting reeds bepaald dat het indienen deze stukken niet is toegestaan omdat deze te laat zijn. Het standpunt van [eiser] dat hij hier niet van op de hoogte was kan hem niet baten omdat hij in het voornoemde tussenvonnis had kunnen lezen dat processtukken tien dagen voor de datum van de mondelinge behandeling ingediend moeten worden. Conclusie 2.7.
[eiser] wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn vorderingen. Het gevolg hiervan is dat de voorzittersuitspraak van de huurcommissie van 31 juli 2025 daarom in stand blijft. Terugverwijzen naar de huurcommissie is niet mogelijk. Proceskosten 2.8.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op: - salaris gemachtigde € 434,00 (2 punten × € 217,00) - nakosten € 72,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 506,00 3De beslissing De kantonrechter: 3.1. verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vordering, 3.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 506,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 3.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. I.M. Bilderbeek, kantonrechter, bijgestaan door mr. H. Heida, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026. 61291 Hoge Raad 19 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:53.