Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBAMS:2026:7890

Verzoek om een voorlopige voorziening. Afwijzing aanvraag (nood)opvang. Minderjarig kind (14 jaar). Kindgesprek. Belangenafweging. Verzoek toegewezen. Gelet op wat de zoon van verzoeker tijdens de kindzitting heeft verteld en de meldingen in het dossier waaruit blijkt dat de zoon in de periode bij zijn moeder meerdere keren zelf de politie en Veilig Thuis heeft gebeld, vindt de voorzieningenrec...

Rechtbank Amsterdam 17 August 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBAMS:2026:7890 text/xml public 2026-08-17T12:00:09 2026-08-05 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-08-04 AMS 26/4140 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening NL Amsterdam Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:7890 text/html public 2026-08-17T11:59:25 2026-08-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:7890 Rechtbank Amsterdam , 04-08-2026 / AMS 26/4140
Verzoek om een voorlopige voorziening. Afwijzing aanvraag (nood)opvang. Minderjarig kind (14 jaar). Kindgesprek. Belangenafweging. Verzoek toegewezen. Gelet op wat de zoon van verzoeker tijdens de kindzitting heeft verteld en de meldingen in het dossier waaruit blijkt dat de zoon in de periode bij zijn moeder meerdere keren zelf de politie en Veilig Thuis heeft gebeld, vindt de voorzieningenrechter het belangrijk dat hij tot aan de beslissing van de familierechter bij zijn vader kan verblijven, zodat er even rust en stabiliteit voor hem is. De voorzieningenrechter acht het daarbij noodzakelijk dat voorkomen wordt dat verzoeker met zijn zoon op straat komt te staan.
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 26/4140
uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 augustus 2026 in de zaak tussen [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. R. Meinen),

en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. H. Kras).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoeker om in de kortdurende (nood)opvang te mogen verblijven. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt om een voorlopige voorziening die ertoe strekt verzoeker en zijn minderjarige zoon toe te laten tot de noodopvang van de gemeente Amsterdam.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe, in die zin dat voor dit specifieke geval bevolen wordt dat verweerder voor opvang voor verzoeker en zijn zoon moet zorgen, tot twee weken na de (eerste) uitspraak van de familierechter op het verzoek tot wijziging van het gezag of het hoofdverblijf van de zoon van verzoeker. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor toelating tot de kortdurende (nood)opvang in Amsterdam. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 10 juli 2026 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 28 juli 2026 op zitting behandeld. Verzoeker, de zoon van verzoeker ( [minderjarige] ), V. Bolt als tolk in de Engelse taal, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van verweerder hebben deelgenomen aan de zitting. Voorafgaand aan de zitting heeft de rechter in een kindgesprek apart met [minderjarige] gesproken. De inhoud van het kindgesprek is ter zitting met partijen besproken. Aan [minderjarige] is gelijktijdig met de uitspraak een brief verzonden om de uitspraak aan hem uit te leggen. Deze brief is als bijlage aan deze uitspraak gehecht en maakt hiervan onderdeel uit.
Totstandkoming
3. Verzoeker heeft met [minderjarige] (14 jaar) en de moeder van [minderjarige] lange tijd in het buitenland gewoond. Verzoeker stond tussen 30 juli 2013 en 17 juni 2026 niet ingeschreven in Nederland. Ongeveer een half jaar geleden is [minderjarige] met zijn moeder naar Nederland gekomen en verbleef hij in de woning van moeder in [woonplaats] . Verzoeker is enige weken geleden naar Nederland gekomen omdat [minderjarige] aangaf dat hij niet meer bij zijn moeder wilde verblijven. Verzoeker heeft sinds 17 juni 2026 een postadres via de daklozenopvang aan de [adres] in [woonplaats] . Verzoeker heeft een tijdje samen met [minderjarige] bij een vriend in Amsterdam verbleven maar daar kon hij niet langer blijven. Omdat verzoeker sindsdien dakloos is, heeft hij op 9 juli 2026 een aanvraag gedaan om samen met [minderjarige] te mogen verblijven in de kortdurende opvang voor gezinnen. Sindsdien verblijven verzoeker en [minderjarige] in een hotel van het Rode Kruis.

Standpunt van verweerder

4. Verweerder heeft besloten dat verzoeker geen plek in de kortdurende opvang voor gezinnen krijgt, omdat hij en de leden van zijn gezin korter dan vier jaar ingeschreven staan in Amsterdam. Verzoeker voldoet dus niet aan de zogenoemde bindingseis. Bovendien is er volgens verweerder een alternatief om de dakloosheid van [minderjarige] op te heffen, omdat hij bij zijn moeder kan verblijven. Verzoeker zelf kan bij een vriend verblijven. Veilig Thuis is betrokken bij [minderjarige] en heeft vanuit het spoedteam onderzoek gedaan naar de situatie. Zij hebben aangegeven dat [minderjarige] bij zijn moeder kan verblijven en dat er nader onderzoek zal volgen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Spoedeisend belang

5. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

6. Verzoeker voert aan dat ondanks dat hij niet voldoet aan de bindingeis, het toch nodig is dat hij en [minderjarige] worden toegelaten tot de noodopvang. Het spoedeisend belang is volgens verzoeker gelegen in het feit dat hij samen met [minderjarige] uiterlijk 28 juli het hotel, dat via het Rode Kruis is geregeld, moet verlaten. Verzoeker heeft geen andere plek om naartoe te gaan en zal anders daadwerkelijk op straat moeten slapen met een minderjarig kind. Verzoeker heeft geen financiële middelen om anderszins onderdak te regelen. [minderjarige] kan niet bij moeder verblijven omdat hij daar niet veilig is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker hiermee voldoende spoedeisend belang bij een beslissing op zijn verzoek.

Noodopvang

7. Noodopvang voor dakloze gezinnen is geen algemene voorziening op grond van de Wmo, maar buitenwettelijk begunstigend beleid. Dit betekent dat de voorzieningenrechter moet toetsen of verweerder het beleid consistent heeft toegepast en of de fundamentele rechten van in dit geval verzoeker en [minderjarige] niet zijn geschonden. Verweerder heeft in het beleid de toegang tot noodopvang beperkt tot Amsterdamse gezinnen die in ieder geval vier jaar in Amsterdam hebben gewoond en die feitelijk acuut dak- en thuisloos zijn geworden. Het doel van de noodopvang is om deze Amsterdamse gezinnen een plek te geven van waaruit zij mogelijkheden voor een meer structurele oplossing kunnen zoeken.

8. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder terecht heeft vastgesteld dat verzoeker en [minderjarige] niet voldoen aan de bindingseis omdat zij niet direct voorafgaand aan de aanvraag vier jaar woonachtig zijn geweest in Amsterdam met een inschrijving in de Basisregistratie personen. In die zin is het besluit in overeenstemming met het beleid van verweerder en consistent toegepast. De voorzieningenrechter kan de verdere rechtmatigheid van het besluit in het kader van de vraag of het belang van het kind niet is geschonden echter onvoldoende beoordelen. Het dossier bevat namelijk onvoldoende informatie om vast te kunnen stellen of [minderjarige] een reëel alternatief heeft voor de noodopvang in de vorm van verblijf bij zijn moeder. Het dossier laat een duidelijk beeld zien van een op dit moment verstoorde relatie tussen verzoeker en moeder en er zijn beschuldigingen over en weer ten aanzien van de zorg voor [minderjarige] . De informatie is ook eenzijdig omdat de moeder van [minderjarige] niet bij deze procedure betrokken is. Verder beschrijft het rapport van Veilig Thuis vooral meldingen en incidenten maar blijkt daaruit onvoldoende hun oordeel met betrekking tot de verblijfssituatie van [minderjarige] en doen zij nog nader onderzoek. Wel zit er in het dossier een e-mail van de GGD waaruit blijkt dat zij mondeling met Veilig Thuis hebben gesproken. Hierin staat dat bekend is dat [minderjarige] zich niet prettig voelt bij zijn moeder maar dat Veilig Thuis stelt dat hij bij zijn moeder kan wonen. Omdat dit standpunt niet door Veilig Thuis zelf op schrift is gesteld en ook niet blijkt waar dit standpunt op gebaseerd is, is dit onvoldoende om op dit moment aan te nemen dat [minderjarige] veilig bij zijn moeder kan verblijven. Tevens is er op 24 juli 2026 door verzoeker een verzoekschriftprocedure gestart bij de familierechter. Daarin vraagt hij om het eenhoofdig gezag en het vaststellen van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij verzoeker. In die procedure zal dus, op basis van de standpunten van vader én moeder, over de verblijfsplaats van [minderjarige] worden geoordeeld. Door al deze factoren en onduidelijkheden kan de voorzieningenrechter onvoldoende beoordelen of [minderjarige] bij zijn moeder kan verblijven als alternatief voor de noodopvang.

Belangenafweging

9. De voorzieningenrechter komt toe aan een belangenafweging. Zij constateert daarbij allereerst dat verzoeker en [minderjarige] op dit moment feitelijk in [woonplaats] verblijven en dat [minderjarige] in [woonplaats] naar school gaat. Daarnaast hebben verzoeker en [minderjarige] door hun verblijf in het buitenland geen binding met een andere gemeente. Verder betrekt de voorzieningenrechter bij haar afweging het belang van verweerder dat de beperkte mogelijkheden voor noodopvang in de gemeente Amsterdam eerlijk en volgens de regels moeten worden verdeeld. Het belang van verzoeker is dat hij met zijn kind niet op straat zal moeten slapen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval het belang van verzoeker, vanwege [minderjarige] als minderjarig kind, zwaarder moet wegen.

10. De voorzieningenrechter heeft [minderjarige] voorafgaand aan de zitting apart gehoord, zonder aanwezigheid van partijen. Tijdens deze kindzitting heeft [minderjarige] duidelijk aangegeven dat hij bij zijn vader wil verblijven. [minderjarige] geeft aan dat hij sinds zes maanden alleen bij zijn moeder verblijft, waar het niet goed gaat. Hij wordt veel alleen gelaten en zijn moeder is gewelddadig. Hij voelt zich wel prettig en veilig bij zijn vader.

11. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de beslissing over het gezag en het hoofdverblijf van [minderjarige] van de familierechter van belang is voor de beoordeling of [minderjarige] veilig bij zijn moeder kan verblijven. Op basis daarvan kan namelijk worden gekeken of er een reëel alternatief is voor [minderjarige] dan verblijf in de noodopvang met zijn vader. Maar gelet op wat [minderjarige] tijdens de kindzitting heeft verteld en de meldingen in het dossier waaruit blijkt dat [minderjarige] in de periode bij zijn moeder meerdere keren zelf de politie en Veilig Thuis heeft gebeld, vindt de voorzieningenrechter het belangrijk dat hij tot aan de beslissing van de familierechter bij zijn vader kan verblijven, zodat er even rust en stabiliteit voor hem is. De voorzieningenrechter acht het daarbij noodzakelijk dat voorkomen wordt dat verzoeker met [minderjarige] op straat komt te staan. Dit belang weegt zwaarder dan het belang van verweerder om verzoeker en [minderjarige] te weigeren voor de noodopvang.
Conclusie en gevolgen
12. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit wordt geschorst tot twee weken na bekendmaking van de (eerste) uitspraak van de familierechter op het verzoek om eenhoofdig gezag of het hoofdverblijf van [minderjarige] bij verzoeker dat is ingediend op 24 juli 2026. De voorzieningenrechter beveelt verweerder om voor opvang te zorgen voor verzoeker en [minderjarige] , tot twee weken na de (eerste) uitspraak van de familierechter. Dit hoeft geen noodopvang te zijn. Het mag een andere vorm van opvang zijn, mits de opvang maar kind veilig is. Daarnaast geldt de verplichting voor het verzorgen van opvang uitsluitend voor zover niet op een andere wijze in opvang voor verzoeker en [minderjarige] kan worden voorzien.

13. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet verweerder het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Daarom krijgt verzoeker ook een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
Beslissing
De voorzieningenrechter:

- schorst het besluit van 10 juli 2026 tot twee weken na bekendmaking van de (eerste) uitspraak van de familierechter;

- beveelt verweerder om voor opvang te zorgen voor verzoeker en zijn minderjarige kind, tot twee weken na de uitspraak van de familierechter;

- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 54,- aan verzoeker moet vergoeden;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoeker.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C. Simonis, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2026.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Bijlage
4 augustus 2026

Beste [minderjarige] ,

Op 28 juli 2026 hebben wij met elkaar gepraat bij de rechtbank. Supergoed van jou dat je bent gekomen en mij hebt verteld wat je vindt van de zaak over het verblijf bij jouw vader in de opvang.

Je hebt mij verteld dat je je niet veilig voelt bij je moeder en dat je graag bij je vader wil blijven. Aan het eind van ons gesprek hebben we samen afgesproken wat ik uit ons gesprek mocht vertellen op de rechtszitting. Ook hebben we toen samen afgesproken dat ik jou zou laten weten wat mijn beslissing zou zijn. Daarom schrijf ik je nu deze brief.

Nadat wij samen hadden gepraat, was de rechtszitting. Toen heb ik gepraat met jouw vader, zijn advocaat en een mevrouw van de gemeente. Ik heb op de zitting verteld wat jij vindt van de situatie. Jouw vader, zijn advocaat en de mevrouw van de gemeente hebben toen ook verteld wat zij vinden van de situatie en waar zij vinden dat jij zou kunnen verblijven. Na de zitting heb ik nagedacht over mijn beslissing.

Mijn beslissing is dat je de komende weken bij jouw vader mag blijven en dat de gemeente moet zorgen voor een plek waar jullie kunnen verblijven. Ik vind het namelijk belangrijk dat jij even tot rust kunt komen en op een plek bent waar je je veilig voelt.

Dit is alleen wel een tijdelijke oplossing. Er loopt nog een andere procedure tussen jouw vader en jouw moeder over de vraag bij wie jij kunt wonen. Daar zal een andere rechter over beslissen. Dan komt er voor jou dus meer duidelijkheid. Maar tot die tijd heb ik gezegd dat je bij jouw vader mag blijven in de opvang. Daar mogen jullie blijven tot twee weken na de (eerste) beslissing van die andere rechter.

Ik hoop dat het voor jou zo duidelijk is wat ik heb beslist, en waarom ik die beslissing heb genomen. Verder hoop ik dat het goed met jou zal gaan.

Groetjes,

De kinderrechter: Marjolein van Haeften

Artikel delen