Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBAMS:2026:7893

Verzoek om een voorlopige voorziening. Uitspraak zonder zitting. Dealerverblijfsverbod. Geen spoedeisend belang. Verzoek afgewezen.

Rechtbank Amsterdam 17 August 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBAMS:2026:7893 text/xml public 2026-08-17T12:02:04 2026-08-05 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-08-04 AMS 26/4522 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening NL Amsterdam Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:7893 text/html public 2026-08-17T12:01:51 2026-08-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:7893 Rechtbank Amsterdam , 04-08-2026 / AMS 26/4522
Verzoek om een voorlopige voorziening. Uitspraak zonder zitting. Dealerverblijfsverbod. Geen spoedeisend belang. Verzoek afgewezen.

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 26/4522
uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 augustus 2026 in de zaak tussen
<?linebreak?> [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. M.B. Mobach),

en
de burgemeester van de gemeente Amsterdam, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het opleggen van een dealerverblijfsverbod. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
1.2.
Verweerder heeft op 16 juli 2026 aan verzoeker een dealerverblijfsverbod opgelegd met ingang van 16 juli 2026 tot en met 16 augustus 2026 voor het dealeroverlastgebied Amsterdam centrum. Verzoeker heeft hiertegen op 28 juli 2026 bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt dat het dealerverblijfsverbod wordt geschorst.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist.

3. In het verzoekschrift heeft verzoeker aangevoerd dat er sprake is van spoedeisend belang omdat verzoeker momenteel een gebiedsverbod heeft voor nagenoeg het gehele centrum van Amsterdam. Verzoeker ontvangt zorg voor zijn verslaving aan verdovende middelen, bij de reclassering en HVO Querido, in het centrum van Amsterdam. Daarnaast spelen zijn gehele sociale leven alsmede zijn werkklussen zich af in het centrum van Amsterdam. Het gebiedsverbod maakt dat zijn leven geheel stil komt te liggen. Verzoeker heeft geen gepaste oplossing voor het gebiedsverbod, nu hij niet zomaar kan wisselen van zorginstellingen.

4. Op 29 juli 2026 heeft de rechtbank per e-mail aan verzoeker gevraagd om een leesbaar besluit toe te sturen en om het spoedeisend belang te onderbouwen. Ook is gevraagd aan verzoeker of hij een corridor heeft aangevraagd.

5. In de aanvullende reactie heeft verzoeker aangegeven dat het spoedeisend belang voldoende is gegeven omdat hij zorg ontvangt in het gebied. Verzoeker heeft tijdens het verhoor geen uitgebreide toelichting gegeven op vragen over de corridor en waarom hij in het centrum moet zijn, omdat hij tijdens de aanhouding zwaar is toegetakeld door de verbalisanten. Hij was emotioneel en heeft onvoldoende zijn bezwaren kunnen uitspreken. Verder geeft hij aan dat hij zijn vaste rabbijn in de synagoge bezoekt en ook regelmatig de [synagoge] , welke beide in het overlastgebied vallen. Hierdoor wordt verzoeker ernstig geraakt in zijn recht om zijn godsdienst of levensovertuiging te belijden. Ook dit benadrukt het spoedeisend belang. Verder geeft verzoeker aan dat een corridor niet volstaat.

6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het inleidende verzoekschrift en de aanvullende reactie geen blijk geven van een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening. Daarbij valt allereerst op dat de voorlopige voorziening pas is verzocht na bijna twee weken sinds het opleggen van het gebiedsverbod voor de duur van een maand. Verzoeker is niet woonachtig in het gebied en heeft niet met stukken onderbouwd dat hij werkt of zorg ontvangt in het centrum. Er ontbreekt dan ook een duidelijke toelichting waarom verzoeker daadwerkelijk tot en met 16 augustus 2026 in verbodsgebied Amsterdam centrum aanwezig zou moeten zijn. Ook is niet toegelicht waarom, indien verzoeker al in het centrum zou moeten zijn, een corridor niet zou volstaan. Verder is niet gebleken van zulke dringende concrete omstandigheden dat het belemmeren van de toegang tot onomkeerbare schade zal lijden in de beperkte periode die nog rest tot en met 16 augustus 2026. Niet is onderbouwd waarom de aangegeven persoonlijke omstandigheden, voor zover noodzakelijk, niet op een andere wijze of buiten het gebied kunnen plaatsvinden. Wanneer in de bodemzaak blijkt dat het verbod ten onrechte is opgelegd, kan verzoeker bovendien verweerder vragen om vergoeding van eventuele schade.
Conclusie en gevolgen
7. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H.W. Franssen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C. Simonis, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2026.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Artikel delen