KG overeenkomst van opdracht met tandarts en tandtechnicus is met onmiddellijke ingang beeindigd. Zij vorderen nakoming van die overeenkomst. Vorderingen worden in kort geding afgewezen.
Rechtbank Amsterdam 14 August 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:7943
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-08-2026
Datum publicatie
14-08-2026
Zaaknummer
C/13/790735
Rechtsgebied
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI:NL:RBAMS:2026:7943text/xmlpublic2026-08-14T17:42:122026-08-06Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Amsterdam2026-08-06C/13/790735UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigKort gedingNLAmsterdamCiviel rechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:7943text/htmlpublic2026-08-14T17:41:502026-08-14Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBAMS:2026:7943 Rechtbank Amsterdam , 06-08-2026 / C/13/790735 KG overeenkomst van opdracht met tandarts en tandtechnicus is met onmiddellijke ingang beeindigd. Zij vorderen nakoming van die overeenkomst. Vorderingen worden in kort geding afgewezen.
RECHTBANK Amsterdam Civiel recht, voorzieningenrechter Zaaknummer: C/13/790735 / KG ZA 26-623 MK/MV Vonnis in kort geding van 6 augustus 2026 in de zaak van 1 [eiser 1] B.V., te [woonplaats] ,2. [eiser 2],
te [woonplaats] ,3. [eiser 3],
te [woonplaats] ,
eisende partijen in conventie bij dagvaarding van 14 juli 2026,
verwerende partijen in reconventie,
hierna ook te noemen: [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] ,
advocaten: mr. E.A. de Waart en mr. M. el Morabet, tegen 1 [gedaagde 1] B.V., te [vestigingsplaats 1] ,2. [gedaagde 2] B.V.,
te [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde partijen in conventie,
verzoekende partijen in reconventie,
hierna ook te noemen: [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ,
advocaten: mr. S.L. Boersen en mr. J. Wind. 1De procedure Tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding op 23 juli 2026 hebben eisers de dagvaarding toegelicht. Gedaagden hebben mede aan de hand van een vooraf ingediende conclusie van antwoord verweer gevoerd, en een vordering in reconventie ingediend. Eisers hebben de vordering in reconventie bestreden. Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht.
Op de mondelinge behandeling waren aanwezig:
aan de zijde van eisers: [eiser 2] en [eiser 3] met mr. De Waart en mr. El Morabet;
aan de zijde van gedaagden: [naam 1] , algemeen directeur van [gedaagde 2] , [naam 2] , klinisch directeur, en [naam 3] , externe tandarts, met mr. Boersen en mr. Wind. Aan de zijde van gedaagden hebben [naam 4] , general counsel bij het Clinias concern, en [naam 5] , advocaat (niet in toga), aan de mondelinge behandeling deelgenomen via een digitale verbinding.
Vonnis is bepaald op 6 augustus 2026. 2De feiten2.1.
[eiser 3] is tandarts. [eiser 1] is de persoonlijke vennootschap van [eiser 3] . [eiser 3] exploiteerde als tandarts de eenmanszaak [bedrijf] . [eiser 2] is de partner van [eiser 3] . Zij is tandtechnicus en was eveneens werkzaam in de eenmanszaak [bedrijf] . 2.2. Bij overeenkomst van 29 juli 2025 heeft Clinias Care Holding B.V. (hierna: Clinias) de activa van de eenmanszaak [bedrijf] overgenomen van [eiser 3] voor een koopprijs van € 1.326.000. In artikel 9 van deze overeenkomst staat – kort gezegd – dat [eiser 3] gedurende een periode van twee jaar na de leveringsdatum binnen een straal van 30 kilometer geen concurrerende werkzaamheden mag verrichten. 2.3. Op 15 augustus 2025 is een opdrachtovereenkomst gesloten tussen [gedaagde 1] (een aan Clinias gelieerde vennootschap) als opdrachtgever en [eiser 2] als opdrachtnemer, op grond waarvan zij werkzaamheden als tandtechnicus verricht. 2.4. Bij akte van 3 november 2025 heeft Clinias, met instemming van [eiser 3] , haar rechten en plichten uit de onder 2.2 genoemde koopovereenkomst overgedragen aan [gedaagde 2] . 2.5. Eveneens op 3 november 2025 is een opdrachtovereenkomst gesloten tussen [gedaagde 2] als opdrachtgever en [eiser 1] als opdrachtnemer, op grond waarvan opdrachtnemer als tandarts zelfstandige diensten verleent. De tandartswerkzaamheden van de opdrachtnemer worden uitgevoerd door [eiser 3] . 2.6. Artikel 7 lid 2 uit de opdrachtovereenkomst met [eiser 2] luidt – voor zover hier van belang – als volgt: Artikel 7. Einde 7.2 De ene partij is gerechtigd deze overeenkomst met onmiddellijke ingang en zonder enige verplichting tot schadevergoeding op te zeggen, indien:
a. de andere partij ernstig tekort is geschoten ter zake van enige verplichting voortvloeiende uit de werkzaamheden zoals overeengekomen in deze overeenkomst en een dergelijk tekortschieten niet binnen twee weken na schriftelijke kennisgeving hiervan door de eerstgenoemde partij zal zijn hersteld;
b. de andere partij ernstig tekort is geschoten ter zake van enige verplichting voortvloeiende uit de werkzaamheden zoals overeengekomen in deze overeenkomst en herstel van een dergelijk tekortschieten reeds blijvend onmogelijk is;c. (…) 2.7. In artikel 9 van de opdrachtovereenkomst met [eiser 2] is onder meer een non-concurrentiebeding opgenomen dat – kort gezegd – inhoudt dat zij tot een jaar na beëindiging van de overeenkomst binnen een straal van tien kilometer geen concurrerende werkzaamheden mag verrichten. 2.8. Artikel 9 lid 2 uit de opdrachtovereenkomst met [eiser 1] is gelijk aan het hiervoor geciteerde artikel 7 lid 2 uit de opdrachtovereenkomst met [eiser 2] . In artikel 11 van de opdrachtovereenkomst met [eiser 1] is een non-concurrentiebeding opgenomen dat identiek is aan artikel 9 in de opdrachtovereenkomst met [eiser 2] . 2.9. Bij brief van 27 maart 2026 heeft [gedaagde 2] de opdrachtovereenkomst met [eiser 1] op grond van artikel 9 lid 2 (b) met onmiddellijke ingang opgezegd. In de brief staat onder meer het volgende: Mede op basis van dossieronderzoek, administratieve controles en interne signalen heeft [gedaagde 2] vastgesteld dat uw werkzaamheden structureel en in ernstige mate tekortschieten. In een zeer groot aantal door ons geraadpleegde dossiers van patiënten die door u zijn behandeld, ontbreekt de vastlegging van tal van zaken die hadden moeten worden geregistreerd. Zo ontbreekt in veel gevallen de medische anamnese, de diagnostiek en klinische bevindingen, het behandel- of zorgplan, de onderbouwing van de gekozen behandeling, een deugdelijke verslaglegging van de uitgevoerde verrichtingen, de geïnformeerde toestemming en communicatie met de patiënt en nazorginstructies en follow-up. Deze schendingen van de toepasselijke beroepsnormen zijn ernstig vanwege hun aantal en hun structurele karakter, maar ook vanwege hun aard. De gegevens die ontbreken zijn in veel gevallen beslist niet van ondergeschikte aard, maar raken de meest elementaire onderdelen van een deugdelijke, verantwoorde en zorgvuldige behandeling van patiënten. Het niet registreren van deze gegevens heeft vergaande gevolgen voor de
controleerbaarheid en continuïteit van de zorgverlening, evenals de kwaliteit en veiligheid van de zorgverlening en de mogelijkheid voor [gedaagde 2] om aan haar verplichtingen als zorgaanbieder te voldoen. Een nadere bestudering van enkele specifieke dossiers heeft bovendien zeer ernstige fouten in de indicatiestelling of toegepaste behandelmethoden blootgelegd, waarbij opnieuw een groot probleem is dat het behandeltraject niet adequaat is vastgelegd in het patiëntendossier. De fouten zijn zo ernstig dat geen bekwaam en redelijk handelend zorgverlener op die wijze zou hebben gehandeld. Ook dit levert een onmiddellijk en serieus risico op voor de patiëntveiligheid en de kwaliteit van de zorgverlening in de praktijk. Ook is vastgesteld dat u in een aantal gevallen de kosten van uit te voeren behandelingen niet op de juiste wijze heeft gecommuniceerd dan wel gedocumenteerd. In diverse gevallen heeft u de uitgevoerde behandelingen bovendien onjuist, onvolledig of onvoldoende herleidbaar geregistreerd waardoor de kosten niet overeenkomstig het normale traject aan de patiënt zijn gedeclareerd en niet door de patiënt (of verzekeraar) aan [gedaagde 2] zijn voldaan. [gedaagde 2] is hierdoor benadeeld. 2.10. Bij brief van 27 maart 2026 heeft [gedaagde 1] de opdrachtovereenkomst met [eiser 2] met onmiddellijke ingang opgeschort en is haar de toegang tot de praktijk ontzegd, een en ander in afwachting van nader onderzoek. 2.11. Nadien is gecorrespondeerd tussen (de advocaten van) partijen. 2.12. Bij brief van 10 juni 2026 van de advocaat van [gedaagde 1] is de opdrachtovereenkomst met [eiser 2] naar aanleiding van de uitkomsten van het nader onderzoek op grond van artikel 7 lid 2 (b) met onmiddellijke ingang opgezegd. In de brief staat onder meer het volgende: 2. In het kader van dit onderzoek heeft [gedaagde 1] verschillende door mevrouw
[eiser 2] vervaardigde tandtechnische werkstukken en behandelingen laten onderzoeken
en beoordelen door twee interne tandartsen, twee externe tandartsen en het tandtechnisch
laboratorium van Montr. Deze deskundigen zijn tot de conclusie gekomen dat verschillende
door mevrouw [eiser 2] vervaardigde werkstukken niet voldoen aan de daaraan te stellen
vakinhoudelijke en professionele eisen. Daarbij is onder meer vastgesteld dat sprake is
van kwalitatief ondermaatse werkstukken, tekortkomingen ten aanzien van kleurstelling,
pasvorm en afwerking, alsmede situaties waarin patiënten klachten hebben ontwikkeld of
klachten hebben ingediend naar aanleiding van de uitgevoerde werkzaamheden.
Daarnaast voldoet geen van de onderzochte werkstukken aan de geldende verplichtingen
vanuit de Verordening (EU) 2017/745 betreffende medische hulpmiddelen (Medical
Device Regulation), tracebility eisen, documentatieplicht en kwaliteitsborgingseisen.(…)5. Al met al zijn in een groot aantal gevallen bij de door mevrouw [eiser 2] vervaardigde
werkstukken ernstige afwijkingen van de professionele norm vastgesteld en is zij
stelselmatig tekortgeschoten in de naleving van essentiële documentatie-,
kwaliteitsborgings- en traceerbaarheidsverplichtingen. Deze tekortkomingen raken
rechtstreeks aan de kwaliteit van de zorgverlening, de patiëntveiligheid en de naleving van
wettelijke verplichtingen binnen de praktijk. Uit het voorgaande volgt dat mevrouw [eiser 2]
niet in staat is gebleken haar werkzaamheden op het vereiste professionele niveau uit te
voeren en bovendien een integriteitsrisico voor de praktijk vormt. Het vertrouwen dat aan de samenwerking ten grondslag lag, is daardoor volledig weggevallen en er bestaat geen
reële mogelijkheid om dit vertrouwen te herstellen. Deze omstandigheden rechtvaardigen
reeds op zichzelf de onmiddellijke beëindiging van de overeenkomst met mevrouw
[eiser 2] .6. Afgezien van het voorgaande, is er nog een andere opzeggingsgrond van geheel andere
aard. Mevrouw [eiser 2] heeft zich na haar schorsing en de brief van 27 maart 2026 namelijk gedragen op een wijze die onverenigbaar is met hetgeen van een zorgvuldig handelend opdrachtnemer mag worden verwacht. Ondanks herhaalde sommaties om zich daarvan te onthouden, heeft zij medewerkers van de praktijk in de privésfeer benaderd en heeft zij betrokkenen herhaaldelijk lastiggevallen. Zoals wij hebben toegelicht in onze brief van 15 april 2026 heeft mevrouw [eiser 2] – ondanks dat duidelijk was gemaakt dat er geen
behoefte was aan contact – meermaals contact gezocht met medewerkers van de praktijk,
zowel telefonisch als door hen op te zoeken op hun thuisadres. Dit betrof onder meer
mevrouw […] en haar familieleden. Mevrouw [eiser 2] heeft zich herhaaldelijk,
waaronder op 14 april 2026, opgehouden bij en rondom de woning van deze medewerkster
en zij heeft meermaals indringend aangebeld bij zowel haar woning als bij buren. De
medewerkster en haar familieleden hebben dit zodanig beangstigend en intimiderend
ervaren, dat zij zich genoodzaakt zagen meerdere dagen op een andere locatie te
verblijven om de intimidatie te ontlopen.
7. Dit gedrag is onrechtmatig ten opzichte van zowel mevrouw […] als [gedaagde 2] en [gedaagde 1]
en is onverenigbaar met de loyaliteit, professionaliteit en zorgvuldigheid die
van een goed opdrachtnemer mag worden verwacht. Dit gedrag levert daarmee een
onherstelbare tekortkoming op die de onmiddellijke beëindiging van de overeenkomst met
mevrouw [eiser 2] rechtvaardigt. 2.13. Nadien is verder gecorrespondeerd tussen (de advocaten van) partijen. 3Het geschil in conventie 3.1. Eisers vorderen – kort gezegd – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:I. [gedaagde 2] te veroordelen tot nakoming van de overeenkomst van opdracht met [eiser 1] , door haar in staat te stellen haar werkzaamheden te hervatten;
II. [gedaagde 1] te veroordelen tot nakoming van de overeenkomst van opdracht met [eiser 2] , door haar in staat te stellen haar werkzaamheden te hervatten;
III. gedaagden hoofdelijk te gebieden om eisers volledige toegang tot en inzage te verstrekken in alle patiëntendossiers, in ieder geval bevattende, administratie, declaratiegegevens, correspondentie, klachtinformatie en tot en in verdere relevante systemen die nodig zijn voor verweer;
IV. gedaagden hoofdelijk te verbieden om patiënten, medewerkers, oud-medewerkers
of derden te benaderen, te sturen of aan te zetten tot het indienen van klachten, claims of meldingen tegen eisers;
V. gedaagden hoofdelijk te gebieden om, voor zover zij eisers niet feitelijk tot de
werkzaamheden toelaten, iedere publieke uiting waaruit volgt of kan volgen dat
eisers nog aan de praktijk verbonden zijn, waaronder vermeldingen op de website
of andere publieke kanalen te verwijderen of aan te passen;
VI. gedaagden hoofdelijk te gebieden om alle aan eisers toebehorende eigendommen en documenten af te geven, waaronder in ieder geval de werklaptop van [eiser 3] , originele diploma’s, certificaten, BIG-registratie/certificaat en overige persoonlijke of zakelijke bescheiden die zich nog in de praktijk of onder gedaagden bevinden;
VII. [gedaagde 2] te veroordelen een voorschot schadevergoeding aan [eiser 1] te betalen van € 19.000 per maand, ingaande per 27 maart 2026 voor zolang het geschil voortduurt, met wettelijk rente;
VIII. [gedaagde 1] te veroordelen een voorschot schadevergoeding aan [eiser 2] te betalen van € 4.500 per maand, ingaande per 27 maart 2026 voor zolang het geschil voortduurt, met wettelijke rente;
IX. gedaagden hoofdelijk te verbieden om zich jegens eisers te beroepen op, dan wel
enig gevolg te geven aan de in de artikelen 9 en 11 in beide opdrachtovereenkomsten, alsmede in artikel 9.1 van de koopovereenkomst opgenomen non-concurrentie- en/of rayonbedingen;
X. gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 25.000 per overtreding van het onder I tot en IX gevorderde, alsmede € 5.000 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat de overtreding voortduurt, met een maximum van € 250.000;
XI. gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten met wettelijke rente. 3.2. Eisers leggen aan hun vorderingen – samengevat weergegeven – het volgende ten grondslag. Bij verkoop van de praktijk van [eiser 3] heeft Clinias onderzoek gedaan naar de kwaliteit van de werkzaamheden en de uitkomst van dit onderzoek was positief. Clinias was er wel mee bekend dat [eiser 3] minder goed was in administratieve vaardigheden, maar dit was juist de reden voor verkoop. De brieven van 27 maart 2026 van [gedaagde 2] en [gedaagde 1] kwamen voor eisers zeer plotseling; zij zijn niet vooraf in gebreke gesteld. Zij bestrijden dat sprake is van ernstige tekortkomingen. Die beweerde tekortkomingen zijn niet of onvoldoende onderbouwd, zodat eisers zich hier niet tegen kunnen verweren. Bovendien gingen gedaagden er ten onrechte vanuit dat het tekortkomingen betrof die niet meer konden worden hersteld. Aan eisers had op zijn minst een hersteltermijn moeten worden geboden. Pas bij brief van 1 mei 2026 heeft [gedaagde 2] voor het eerst een begin van een inhoudelijke toelichting gegeven, maar omdat [eiser 1] geen toegang meer heeft tot de desbetreffende patiëntendossiers blijft het moeilijk om zich hier tegen te verweren. Door de overeenkomsten zonder rechtsgeldige grondslag met onmiddellijke ingang te beëindigen lijden eisers schade, die onder meer bestaat uit gederfde inkomsten. [eiser 1] en [eiser 2] hadden gemiddeld een omzet van respectievelijk € 19.000 en € 4.500 per maand. Eisers vorderen in dit kort geding tevens een voorschot op de schadevergoeding. Eisers hebben een spoedeisend belang bij toewijzing van hun vorderingen. Zij zijn immers per direct verstoken van hun werkzaamheden en inkomsten. 3.3.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben verweer gevoerd. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, (nader) ingegaan. in reconventie 3.5.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] vorderen – kort gezegd – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: I. [eiser 3] te veroordelen om binnen vijf dagen na de datum van dit vonnis te verstrekken aan de advocaten van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] : (a) een opgave van alle contante en girale betalingen die hij in de periode van 3 november 2025 tot 30 juni 2026 heeft ontvangen van patiënten van de praktijken van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , alsmede (b) de bankafschriften van bankrekening [rekeningnummer] over de periode van 3 november 2025 tot en met 30 juni 2026,
op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000 per dag of gedeelte daarvan dat
niet of niet geheel aan deze veroordeling wordt voldaan met een maximum van € 50.000;
II. [eiser 3] en [eiser 1] hoofdelijk te veroordelen om te voldoen aan [gedaagde 2] een bedrag van:
( a) € 12.322,80 te vermeerderen met de daarover verschuldigde wettelijke rente vanaf
21 juli 2026 tot aan de dag van algehele voldoening;
( b) € 55.582 te vermeerderen met de daarover verschuldigde wettelijke rente vanaf 24 juli 2026 tot aan de dag van algehele voldoening; (c ) € 3.842,45 te vermeerderen met de daarover verschuldigde wettelijke rente vanaf
24 juli 2026 tot aan de dag van algehele voldoening;
III. [eiser 3] en [eiser 1] hoofdelijk te veroordelen in de kosten van dit geding, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente. 3.6.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] leggen aan hun vorderingen het volgende ten grondslag. [eiser 3] heeft vanaf 3 november 2025 (de dag van de overname) ten onrechte contante betalingen van patiënten van [gedaagde 2] in ontvangst genomen en ook heeft hij girale betalingen op de bankrekening van zijn eenmanszaak ontvangen. Bij brief van 17 juli 2026 is [eiser 3] gesommeerd om de ontvangen bedragen aan [gedaagde 2] te betalen en opgave te doen van alle andere bedragen die hij na de overname van patiënten heeft ontvangen. [eiser 3] heeft dit nagelaten. [gedaagde 2] en [gedaagde 1] vorderen daarom in dit kort geding om [eiser 3] op straffe van dwangsommen te veroordelen om op grond van artikel 194 Rv opgave te doen van de ontvangsten. Daarnaast vordert [gedaagde 2] betaling van onterecht ontvangen pinbetalingen (€ 12.322,80) en onterecht ontvangen omzet (€ 55.582). Tot slot heeft [eiser 3] een bedrag van € 3.842,45 ontvangen op de rekening van zijn eenmanszaak. Dit betrof een declaratie van één patiënt voor een brug en twee kronen. 3.7.
[eiser 3] en [eiser 1] hebben verweer gevoerd. 3.8. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, (nader) ingegaan. 4De beoordeling in conventie 4.1. De opdrachtovereenkomsten met [eiser 1] en [eiser 2] zijn met onmiddellijke ingang opgezegd op grond van de artikelen 9 lid 2 (b) respectievelijk 7 lid 2 (b) van die overeenkomsten. [gedaagde 2] en [gedaagde 1] hebben als opdrachtgevers het standpunt ingenomen dat [eiser 1] en [eiser 2] ernstig tekort zijn geschoten ter zake van verplichtingen uit die overeenkomsten en dat herstel van een dergelijk tekortschieten blijvend onmogelijk is. De vorderingen van eisers zijn er in hoofdzaak op gebaseerd dat deze opzeggingen onterecht waren en/of dat aan hen een mogelijkheid tot herstel had moeten worden geboden. 4.2. De vorderingen van eisers zijn in dit kort geding alleen toewijsbaar indien voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter eisers zal volgen in hun standpunt en indien eisers bij toewijzing een spoedeisend belang hebben. 4.3. Gezien hetgeen [gedaagde 2] en [gedaagde 1] in hun conclusie van antwoord hebben aangevoerd en gezien hetgeen op de mondelinge behandeling van dit kort geding is besproken is thans niet voldoende aannemelijk dat de bodemrechter zal oordelen dat de opzeggingen onterecht waren of dat aan eisers een mogelijkheid tot herstel had moeten worden geboden. De vorderingen van eisers zijn dus niet toewijsbaar. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter het volgende. 4.4. In de opdrachtovereenkomst met [eiser 1] ( [eiser 3] ) staat – kort gezegd – dat [eiser 3] verplicht is goede zorg in overeenstemming met de geldende wettelijke kwaliteits- en veldnormen te leveren, dat hij in staat is goede zorg zoals bedoeld in de artikelen 2 en 3 Wkkgz (Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg) te leveren en dat hij dat ook biedt, en dat hij bij zijn werkzaamheden aan zal sluiten bij wat [gedaagde 2] heeft geregeld ten aanzien van systematische bewaking, beheersing en verbetering van kwaliteit van zorg. Ook in de opdrachtovereenkomst met [eiser 2] staat dat zij moet voldoen aan de wettelijke kwaliteits- en veldnormen en dat zij ervoor in moet staan dat de door haar geleverde tandtechnische werkstukken voldoen aan de daaraan gestelde kwaliteitseisen. 4.5.
[gedaagde 2] en [gedaagde 1] stellen zich op het standpunt dat [eiser 1] en [eiser 2] niet hebben voldaan aan de hiervoor genoemde eisen en hebben dat als volgt toegelicht. Clinias heeft in januari 2026, naar aanleiding van signalen van de praktijkmanager, een “klinisch coach” een onderzoek laten verrichten in de praktijk en die heeft geconstateerd dat geen van de beoordeelde dossiers de vereiste informatie bevatte, dat de verslaglegging niet overeenkwam met de verrichte behandelingen en dat de protocollen van Clinias niet werden gevolgd. Ook had [eiser 3] , volgens de klinisch coach, belangrijke diagnoses gemist, verschillende behandelingen foutief uitgevoerd en patiënten onnodig en veelvuldig blootgesteld aan röntgenstraling. Ten slotte was de financiële administratie gebrekkig. Ten aanzien van [eiser 2] heeft de klinisch coach vastgesteld dat van de kronen en bruggen die zij had vervaardigd geen dossiers beschikbaar waren. De klinisch coach heeft haar bevindingen voorgelegd aan de klinisch directeur van Clinias (een tandarts met 25 jaar ervaring) die vervolgens de dossiers zelfstandig heeft beoordeeld. Zij was van mening dat de veiligheid van de patiënten van [eiser 3] ernstig in het gedrang was. Na verder intern overleg is een en ander op 27 maart 2027 besproken met [eiser 3] en [eiser 2] en bij die gelegenheid zijn aan hen de onder 2.9 en 2.10 genoemde brieven overhandigd. Op 1 april 2026 heeft Clinias ook melding gemaakt bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd. Nadien heeft Clinias twee gepensioneerde tandartsen ingeschakeld (van wie schriftelijke verklaringen in het geding zijn gebracht) om de praktijk waar te nemen en om de patiëntendossiers te beoordelen. Ook zij kwamen dat de conclusie dat de behandelingen van [eiser 3] ondermaats waren, net als de kwaliteit van de door [eiser 2] vervaardigde tandtechnische werkstukken en dat ook de patiëntendossiers niet op orde waren. De negatieve bevindingen ten aanzien van [eiser 3] en [eiser 2] waarop [gedaagde 2] en [gedaagde 1] zich in dit kort geding beroepen zijn nader (gedetailleerd) uitgewerkt in de conclusie van antwoord en ook voorzien van meerdere voorbeelden van individuele patiënten. 4.6. Eisers hebben de bevindingen van [gedaagde 2] en [gedaagde 1] over de kwaliteit van de patiëntenzorg en de patiëntendossiers onvoldoende weerlegd. Zij hebben herhaaldelijk aangevoerd dat het standpunt van [gedaagde 2] en [gedaagde 1] niet of onvoldoende onderbouwd is, maar dat is gezien de correspondentie en de uitgebreide conclusie van antwoord die in het geding is gebracht (en die hiervoor onder 4.5 verkort is weergegeven) onjuist. Dat bij de overname van de praktijk van [eiser 3] al bekend was dat hij niet goed was in het uitvoeren van administratieve taken ziet op taken ten aanzien van de bedrijfsvoering van de praktijk, niet op de administratie van de patiëntendossiers. Dat collega-tandartsen of andere patiënten hebben verklaard wèl tevreden te zijn over de dienstverlening door [eiser 3] en/of [eiser 2] , wat met schriftelijke verklaringen is onderbouwd, doet niet af aan de door [gedaagde 2] en [gedaagde 1] geconstateerde bevindingen. Goede ervaringen sluiten namelijk niet uit dat ook sprake kan zijn van slechte ervaringen. Dat Clinias ten tijde van de overname onderzoek gedaan zou hebben naar de kwaliteit van de werkzaamheden en dat de uitkomst hiervan positief was, is bestreden en kan derhalve in dit kort geding niet worden vastgesteld. 4.7.
[gedaagde 2] en [gedaagde 1] hebben ten aanzien van [eiser 2] verder nog aangevoerd dat een reden voor opzegging met onmiddellijke ingang was gelegen in het feit dat zij personeel van de praktijk na 27 maart 2026 (toen de opdrachtovereenkomst was opgeschort) heeft geïntimideerd en lastig gevallen. Ook zijn [eiser 3] en [eiser 2] er (impliciet) van beschuldigd dat zij een medewerkster van de praktijk een vervalste ontslagbrief hebben gestuurd. Wat er precies is voorgevallen kan in dit kort geding, dat zich niet leent voor een nader onderzoek naar de feiten, niet exact worden vastgesteld. Wel staat vast (want niet betwist) dat [eiser 2] de desbetreffende medewerkster thuis heeft geprobeerd te bezoeken en contact met de ouders heeft gezocht, volgens [eiser 2] omdat het goede bekenden waren. Dit is moeilijk te rijmen met de onderbouwde stellingen van [gedaagde 2] en [gedaagde 1] dat de desbetreffende medewerkster daar niet van gediend was en [eiser 2] herhaaldelijk is gesommeerd dat niet te doen. 4.8. Gezien de aard en de ernst van de verwijten die gemaakt zijn aan het adres van [eiser 1] ( [eiser 3] ) en [eiser 2] die niet voldoende zijn weerlegd, hebben [gedaagde 2] en [gedaagde 1] op goede gronden kunnen beslissen de opdrachtovereenkomsten met [eiser 1] en [eiser 2] met onmiddellijke ingang op te zeggen. Daarin ligt besloten dat geen hersteltermijn hoefde te worden gegeven: niet kan worden uitgesloten dat in een aantal gevallen fouten in de tandheelkundige behandeling zijn gemaakt die tot onherstelbare schade hebben geleid.
Voor dit kort geding betekent dit als gezegd dat niet voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat deze opzeggingen geen standhouden. Daarmee is niet gezegd dat de bodemrechter niet tot dat oordeel zou kunnen komen, maar dat is niet de vraag die in dit kort geding voorligt. 4.9. Bij dit alles is niet van belang dat [gedaagde 2] en [gedaagde 1] zich mogelijk na de opzegging beroepen op voorvallen die niet zijn opgenomen in de opzeggingsbrieven. Dat maakt niet zonder meer dat die voorvallen niet kunnen bijdragen aan het oordeel dat de opzegging terecht is. 4.10. Ten aanzien van een aantal specifieke vorderingen overweegt de voorzieningenrechter nog het volgende. Toewijzing van de vordering tot inzage in patiëntendossiers (vordering III) zou een overtreding van de privacyregels (waaronder de AVG) in houden. Desalniettemin hebben [gedaagde 2] en [gedaagde 1] in hun conclusie van antwoord opgenomen dat zij bereid zijn om de patiëntendossiers van de 31 patiënten die in de correspondentie en in de conclusie van antwoord zijn genoemd gepseudonimiseerd te verschaffen. Dit geeft eisers de mogelijkheid zich te verweren in een eventuele bodemprocedure en hierdoor is ook voldaan aan artikel 3.3 van de opdrachtovereenkomst met [eiser 1] , waarin – kort gezegd – staat dat de opdrachtnemer recht heeft op inzage in patiëntendossiers indien hij zich moet verweren in juridische (klacht)procedures. Bij deze stand van zaken hebben eisers geen belang meer bij toewijzing van vordering III. 4.11. Vordering IV (kort gezegd een verbod om patiënten te bewegen tot het indienen van klachten) is evenmin toewijsbaar. Het kan [gedaagde 2] en [gedaagde 1] niet worden verboden om patiënten met klachten te wijzen op hun rechten en aan deze patiënten een klachtenformulier te verstrekken. 4.12. Vordering V (een verbod publiekelijk te uiten dat eisers nog aan de praktijk verbonden zijn) is niet toewijsbaar omdat volgens [gedaagde 2] en [gedaagde 1] alle desbetreffende uitingen al zijn verwijderd van de website en van andere plaatsen, hetgeen niet is weersproken door eisers. 4.13. De vordering tot afgifte van persoonlijke spullen (vordering VI) is niet toewijsbaar omdat hierover afspraken zijn gemaakt die ook al (grotendeels) zijn uitgevoerd. Eisers hebben bij toewijzing dus geen belang meer. Overigens kan de gevorderde “werklaptop” niet als een persoonlijk eigendom van [eiser 3] worden aangemerkt. 4.14. Vordering IX (ontheffing uit het non-concurrentiebeding) is niet toewijsbaar omdat eisers onvoldoende hebben onderbouwd dat handhaving van het non-concurrentiebeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. De onder 3.16 en 3.17 van de dagvaarding opgenomen onderbouwing is (te) summier. Het enkele feit dat zij thans zonder werk en inkomsten zitten, is onvoldoende. Bovendien is niet betwist dat [eiser 3] bij de verkoop van zijn eenmanszaak aan Clinias in november 2025 de koopprijs van € 1.326.000 grotendeels (minus reservering voor vakantiegeld/vakantiedagen en minus € 132.6000 waarvoor certificaten van aandelen zijn verkregen) heeft ontvangen. 4.15. Eisers zijn in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden begroot op: - griffierecht € 3.083 - salaris advocaat € 1.177 - nakosten € 189 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 4.449 4.16. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 4.17. De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan de wederpartij.
in reconventie 4.18. De geldvorderingen in reconventie acht de voorzieningenrechter niet bij wijze van voorlopige voorziening toewijsbaar. Er zal een definitieve afrekening tussen partijen moeten worden opgesteld, omdat [eiser 1] ( [eiser 3] ) en [eiser 2] mogelijk ook nog gelden te vorderen hebben van [gedaagde 2] en [gedaagde 1] . Hierop vooruitlopend mogen [gedaagde 2] en [gedaagde 1] niet enkele krenten uit de pap pikken. Bovendien is gesteld noch gebleken dat [gedaagde 2] en [gedaagde 1] een spoedeisend belang hebben bij toewijzing van de geldvorderingen. 4.19. De vordering tot inzage is wel toewijsbaar omdat die voldoet aan de eisen die hieraan gesteld worden in de artikelen 194 en 195 Rv. Juist om tot een definitieve afrekening te komen is van belang dat [eiser 3] inzage geeft in de afschriften van de zakelijke bankrekening van zijn eenmanszaak alsmede een overzicht van contant ontvangen bedragen. De voorzieningenrechter acht dit belang spoedeisend, er is sprake van een rechtsbetrekking en de gevorderde gegevens zijn voldoende bepaald. De dwangsom die aan deze veroordeling zal worden verbonden zal worden beperkt als na te melden. 4.20. Vanwege de samenhang met het geding in conventie en omdat partijen in reconventie gedeeltelijk (on)gelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Tekst 5De beslissing De voorzieningenrechter in conventie 5.1. weigert de gevraagde voorzieningen, 5.2. veroordeelt eisers hoofdelijk in de proceskosten van € 4.449, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98 plus de kosten van betekening als eisers niet tijdig aan deze veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, 5.3. veroordeelt eisers hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 5.4. verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in reconventie 5.5. veroordeelt [eiser 3] om binnen vijf werkdagen na de betekening van dit vonnis te verstrekken aan de advocaten van [gedaagde 2] en [gedaagde 1] (mr. S.L. Boersen, [e-mailadres 1] en mr. J. Wind, [e-mailadres 2] ): (a) een opgave van alle contante en girale betalingen die hij in de periode van 3 november 2025 tot 30 juni 2026 heeft ontvangen van patiënten van de praktijken van [gedaagde 2] en [gedaagde 1] , alsmede (b) de bankafschriften van bankrekening [rekeningnummer] over de periode van 3 november 2025 tot en met 30 juni 2026; op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500 per dag of gedeelte daarvan dat
niet of niet geheel aan deze veroordeling wordt voldaan met een maximum van € 25.000, 5.6. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 5.7. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, 5.8. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. M.L.S. Kalff, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Veraart, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2026. Coll: JT