Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBAMS:2026:7977

Huurzaak kort geding. Geschil in de dagvaarding gepresenteerd als 'eenvoudige huurachterstand', maar er is sprake van een groot aantal geschillen tussen partijen die invloed hebben op de hoogte van de huur en de vraag of sprake is van een huurachterstand. Afwijzing vorderingen en veroordeling in proceskosten.

Rechtbank Amsterdam 14 August 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBAMS:2026:7977 text/xml public 2026-08-14T18:00:06 2026-08-10 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-08-06 12312062 KK EXPL 26-455 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Kort geding Proceskostenveroordeling NL Amsterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:7977 text/html public 2026-08-10T11:34:19 2026-08-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:7977 Rechtbank Amsterdam , 06-08-2026 / 12312062 KK EXPL 26-455
Huurzaak kort geding. Geschil in de dagvaarding gepresenteerd als 'eenvoudige huurachterstand', maar er is sprake van een groot aantal geschillen tussen partijen die invloed hebben op de hoogte van de huur en de vraag of sprake is van een huurachterstand. Afwijzing vorderingen en veroordeling in proceskosten.

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht

Kantonrechter

Zaaknummer: 12312062 KK EXPL 26-455

Vonnis in kort geding van 6 augustus 2026

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiser,

hierna te noemen: [eiser] ,

gemachtigde: mr. M.H.J. van Riessen,

tegen
<nr>1</nr> [gedaagde 1] ,
wonende te [woonplaats 2] ,2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats 3] ,

gedaagden,

hierna samen ook te noemen: [gedaagden]

gemachtigde: mr. J. Samkalden (!WOON).
<nr>1</nr>De procedure 1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding- de mondelinge behandeling van 23 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt

- stukken zijdens gedaagden van 21 juli 2026

- de brief met producties zijdens [eiser] van 22 juli 2026- de pleitnota van [gedaagden] .
<nr>2</nr>De feiten
2.1. Bij huurovereenkomst van 16 juni 2025 huren [gedaagden] per 1 juli 2025 van [eiser] woonruimte aan de [adres 1] (verder de woonruimte). Het betreft volgens de huurovereenkomst een “groups-apartment”, met vier kamers c.q drie kamers en een verblijfsruimte, een keuken en een badkamer. De kamers hebben ieder een pantry en twee hebben een eigen badkamer. De aanvangshuur was volgens de overeenkomst € 2.962,00, exclusief ‘furniture costs” en servicekosten en bijkomende kosten van ruim € 250,00 per maand. Naast de (uitgebreide) huurovereenkomst gelden ook algemene voorwaarden.
2.2.
[eiser] heeft geen vergunning voor kamerverhuur.
2.3.
[gedaagden] bewoonden ieder een kamer in de woonruimte. Een derde persoon gebruikt eveneens een kamer in het gehuurde. [gedaagde 2] heeft de woonruimte in november 2025 verlaten en is elders gaan wonen. Zij is opgevolgd door een volgende huurder. Rond die tijd is er een huurachterstand ontstaan.
2.4.
Op 8 december 2025 heeft [gedaagde 1] mede namens [gedaagde 2] bij de huurcommissie een verzoek toetsing aanvangshuur ingediend. Volgens het rapport van onderzoek van de huurcommissie van 19 januari 2026 is sprake van onzelfstandige woonruimte, en een maximale huurprijs van € 377,02 per maand. De procedure voor de huurcommissie loopt nog.
2.5.
[gedaagde 1] heeft tot en met oktober 2025 gezorgd voor betaling van de overeengekomen huur ad € 3.286,00 per maand, in november 2025 heeft hij € 1.777,00 betaald en [gedaagde 2] € 695,00, en in december 2025 heeft [gedaagde 1] € 1.979,00 voldaan. Sindsdien betaalt [gedaagde 1] € 695,00 per maand aan huur.
2.6.
[eiser] bezit meerdere (aaneengesloten) panden in de [straat]. Over een woonruimte in één van de andere panden ([adres 2]) is bij de rechtbank Amsterdam, sector kanton, een procedure gevoerd, uitmondend in een vonnis van 11 december 2025. In dat vonnis is geoordeeld dat de huurovereenkomst niet de werkelijke situatie weergeeft en is [eiser] veroordeeld tot terugbetaling van de huurder van teveel betaalde huur. De huurovereenkomst in die procedure vertoont grote gelijkenis met de huurovereenkomst die in dit kort geding is overgelegd.

w

3. Het geschil
3.1.
[eiser] vordert samengevat – een verklaring voor recht dat [gedaagden] hoofdelijk verantwoordelijk zijn voor de betaling van de volledige huur en overige kosten van de woonruimte, veroordeling tot betaling van gedaagden, hoofdelijk, van de huurachterstand van € 19.010,01 tot en met juli 2026, met wettelijke rente, ontruiming van het gehuurde aan [adres 1] , alles met veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten.
3.2.
[eiser] legt – kort gezegd - aan de vordering ten grondslag dat [gedaagden] gezamenlijk huurders zijn van de woonruimte, zij een onaanvaardbare huurachter-stand hebben laten ontstaan en dat ontruiming gerechtvaardigd is.
3.3.
[gedaagden] menen dat de vorderingen van [eiser] afgewezen dienen te worden. Zij voeren daartoe – samengevat – aan dat de in de huurovereenkomst opgenomen huur, veel te hoog is, dat in feite sprake is van onzelfstandige woonruimte en dat de procedure voor de huurcommissie invloed zal hebben op de hoogte van de huur. Daarnaast is sprake van een restitutierisico, nu [eiser] momenteel geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft, maar in Portugal woont. De huurders van het vonnis van 11 december 2025 hebben ook hun toegewezen vordering nog niet betaald gekregen, ondanks de uitvoerbaar bij voorraad-verklaring.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
<nr>4</nr>De beoordeling 4.1.
De kantonrechter stelt in dit kader voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is, die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet - volgens vaste jurisprudentie - grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een - diepgaand - onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is.
4.2.
In dit geschil geldt voorts dat, naar de kantonrechter uit de stukken en stellingen van partijen afleidt, geen sprake is van een “eenvoudige huurachterstand” - zoals [eiser] het wil doen voorkomen – maar van een groot aantal geschilpunten tussen partijen, die een rechtstreekse invloed hebben op de hoogte van de huur en daarmee de (eventuele) huur-achterstand. Zo verschillen partijen van mening of sprake is van een huurovereenkomst tussen [eiser] en [gedaagden] voor één woonruimte of meerdere onzelfstandige woonruimtes, over de hoogte van het aantal punten van de woonruimte en de corresponderende maximale huur, of partijen elkaar al dan niet tevoren kenden, het energielabel, het restitutierisico, en nog een aantal andere geschilpunten.
4.3.
Daarbij gevoegd dat [eiser] – zacht gezegd – nogal onvolledig is geweest in de dagvaarding door het geschil te presenteren als een huurachterstand, zonder melding te maken van de geschilpunten tussen partijen, de procedure bij de huurcommissie of de eerdere procedure voor de rechtbank Amsterdam van de huurders in het buurpand, maakt dat de vorderingen van [eiser] – zo überhaupt in kort geding toewijsbaar - zullen worden afgewezen en [eiser] in de proceskosten zal worden veroordeeld. Daarbij wordt bepaald dat [gedaagden] de toegewezen proceskosten mogen verrekenen met de te betalen huur (door [gedaagde 1]). Omdat [gedaagden] voor de rechtsbijstand geen kosten hebben gemaakt – zij hoeven voor de bemoeienis van !WOON niet te betalen – is voor een veroordeling in de werkelijke, reële proceskosten geen plaats in dit kort geding.
4.4.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:

- salaris gemachtigde



577,00

- nakosten



144,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal



721,00
<nr>5</nr>De beslissing
De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 721,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
bepaalt dat indien [eiser] niet tot tijdige betaling overgaat, [gedaagden] de toegewezen proceskosten mogen verrekenen met de (toekomstige) huurbetalingen,
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.V. Ulrici en in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2026.

Artikel delen