Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBAMS:2026:8005

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van het voorhanden hebben van verschillende soorten harddrugs, hasjiesj en vuurwapens met bijbehorende munitie. De woning waarin deze goederen zijn aangetroffen werd door verdachte gebruikt als stashlocatie. Ten aanzien van feit 1 geldt dat verdachte in totaal ongeveer een hoeveelheid van 144 kilogram aan (geteste) harddrugs aanwezig heef...

Rechtbank Amsterdam 12 August 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBAMS:2026:8005 text/xml public 2026-08-12T14:58:58 2026-08-10 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-07-14 13/003433-26 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:8005 text/html public 2026-08-12T14:56:25 2026-08-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:8005 Rechtbank Amsterdam , 14-07-2026 / 13/003433-26
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van het voorhanden hebben van verschillende soorten harddrugs, hasjiesj en vuurwapens met bijbehorende munitie. De woning waarin deze goederen zijn aangetroffen werd door verdachte gebruikt als stashlocatie. Ten aanzien van feit 1 geldt dat verdachte in totaal ongeveer een hoeveelheid van 144 kilogram aan (geteste) harddrugs aanwezig heeft gehad. Ten aanzien van feit 5 geldt dat verdachte een hoeveelheid van 72,8 kilogram aan hasjiesj aanwezig heeft gehad. Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan het medeplegen van het witwassen van € 22.990,- en € 16.400,-. De rechtbank acht de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur 54 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.

vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/003433-26

Datum uitspraak: 14 juli 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1996,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres 1] ,

nu gedetineerd in het [detentieadres] .
<nr>1</nr>Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 30 juni 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J.H. de Krijger, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M. Eekhout, advocaat in Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

De zaak is tegelijk, maar niet gevoegd, op de zitting behandeld met de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte 1] , parketnummer 13/003412-26.
<nr>2</nr>Tenlastelegging
Aan verdachte is – samengevat – tenlastegelegd dat hij zich op 4 januari 2026 in [plaats] heeft schuldig gemaakt aan:

feit 1: het medeplegen van het opzettelijk bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben van een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, MDMA, cocaïne en/of 2-MMC.

feit 2: het medeplegen van het voorhanden hebben van vuurwapens van categorie III van de Wet wapens en munitie;

feit 3: het medeplegen van het voorhanden hebben van munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie;

feit 4: het medeplegen van het witwassen van € 22.990,- en/of € 16.400,- en/of € 39.500,-;

feit 5: het medeplegen van het opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben van 72,80 kilogram hasjiesj.

De volledige tenlastelegging is opgenomen als bijlage 1 die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
<nr>3</nr>Waardering van het bewijs 3.1.
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde feiten bewezen kunnen worden, met dien verstande dat ten aanzien van feit 1 en feit 5 het aanwezig hebben van de verdovende middelen kan worden bewezen.
3.2.
Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van feit 1, 2, 3 en 5:

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] geen wetenschap heeft gehad van de aangetroffen verdovende middelen, vuurwapens en munitie, die niet zichtbaar in de woning lagen, zodat [verdachte] in zoverre dient te worden vrijgesproken. Ten aanzien van de aangetroffen voorwerpen die zichtbaar in de woning lagen heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van de aangetroffen verdovende middelen heeft de raadsvrouw daarnaast aangevoerd dat voor een bewezenverklaring alleen kan worden uitgegaan van de verdovende middelen die door het NFI getest zijn.

Ten aanzien van feit 4:

Ten aanzien van het witwassen van € 22.990,- heeft de raadsvrouw zich primair op het standpunt gesteld dat [verdachte] hiervan moet worden vrijgesproken, omdat hij geen wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van dit geldbedrag in de woning. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat alleen het voorhanden hebben van € 22.990,- kan worden bewezen.

Ten aanzien van het witwassen van € 16.400,- heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat het geldbedrag onmiddellijk afkomstig is uit eigen misdrijf, waardoor de kwalificatie-uitsluitingsgrond van toepassing is.

Ten aanzien van het witwassen van € 39.500,- heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] hiervan moet worden vrijgesproken, omdat niet kan worden vastgesteld dat [verdachte] wetenschap had van de aanwezigheid van dit geldbedrag in de woning met nummer [nummer 1] .
3.3.
Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Aanhouding verdachte en medeverdachte

Op 4 januari 2026 ziet de politie een Renault Clio rijden in de richting van de [straat] in [plaats] . Daar staat deze vervolgens geparkeerd naast een Opel Corsa. De politie ziet dat de bijrijder van de Renault Clio, die later [verdachte] blijkt te zijn, een doos vanuit de kofferbak van de Opel Corsa naar de kofferbak van de Renault Clio tilt. De bestuurder van de Opel Corsa blijkt later [medeverdachte 1] te zijn. In de doos treft de politie ketamine aan. Hierop heeft de politie [verdachte] , [medeverdachte 1] en [persoon 1] – de bestuurder van de Renault Clio – aangehouden. [persoon 1] verklaart dat hij iets kwam ophalen voor een vriend en dat hij daarvoor € 100,- zou krijgen. Bij [verdachte] wordt in zijn jaszakken in verschillende bundels ook een geldbedrag van in totaal € 16.400,- aangetroffen.

Onderzoek woning

De politie heeft diezelfde dag een woning aan de [adres 2] (hierna: de woning) doorzocht. Dit betreft een woning waar [medeverdachte 1] op dat moment ingeschreven staat. Het gaat om een woning en een appartementencomplex met een binnengalerij. De voordeur is via de hal toegankelijk. Het betreft een gelijkvloerse woning met een keukenblok in de woonkamer, badkamer en een extra kamer. In de woning heeft de politie een grote hoeveelheid verdovende middelen aangetroffen en inbeslaggenomen. Een deel van de verdovende middelen lag direct in het zicht. Zo zag de politie verdovende middelen in een kom op het bureau en openstaande dozen in de woonkamer en de extra kamer, waarbij direct zichtbaar was dat er pillen en brokken kristallen in de dozen zaten. In de woning waren geen bed en persoonlijke spullen aanwezig. Een gedeelte van de inbeslaggenomen verdovende middelen is door het NFI onderzocht en gebleken is dat het gaat om een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, MDMA, cocaïne en 2-MMC.

In de extra kamer is een grote hoeveelheid met bruin- en goudkleurig tape verpakte blokken hasjiesj aangetroffen. Deze blokken zijn onderzocht en hieruit is gebleken dat het gaat om een hoeveelheid van 72,80 kilogram hasjiesj.

De politie heeft in de woning verder vier vuurwapens en meerdere kogelpatronen aangetroffen.Een van de vuurwapens lag zichtbaar op het keukenblad en de andere vuurwapens lagen in een keukenkast. Eén kogelpatroon lag zichtbaar op de salontafel in de woning. De aangetroffen vuurwapens en kogelpatronen zijn onderzocht. Hieruit is gebleken dat het gaat om vier vuurwapens en (tenminste) 32 kogelpatronen van categorie III.

De politie heeft in een bruine zak op het keukenblok een geldbedrag van € 22.990,- aangetroffen. Tot slot lagen in de woning kogelwerende vesten en jammers.

Onderzoek camerabeelden

De politie heeft camerabeelden van 4 januari 2026 bekeken waarop de gang en de voordeur van de woning te zien zijn. Deze camerabeelden geven ook zicht op de voordeur van de woningen met nummer [nummer 2] (hierna: [nummer 2] ) en nummer [nummer 1] (hierna: [nummer 1] ). [nummer 2] betreft de woning van [verdachte] .

Op de camerabeelden is te zien dat [medeverdachte 1] en [verdachte] op 4 januari 2026, op meerdere momenten, samen of afzonderlijk van elkaar, de woning binnengaan en dat zij na korte tijd de woning weer verlaten. Op de camerabeelden is te zien is dat zij beiden met behulp van sleutels de woning binnengaan. Ook is te zien dat [verdachte] de woning op enig moment binnengaat met een bigshopper tas en dat [medeverdachte 1] en [verdachte] vervolgens gezamenlijk de woning na korte tijd met lege handen verlaten.

De politie heeft ook camerabeelden over de periode van 31 december 2025 tot en met 4 januari 2026 bekeken. Hierop is te zien dat [medeverdachte 1] , [verdachte] en twee andere mannen in deze periode veelvuldig voor korte momenten met een sleutel de woning binnengaan en vervolgens weer vertrekken. Te zien is dat [medeverdachte 1] en [verdachte] in deze periode op meerdere momenten met een tas de woning binnengaan en/of met een tas de woning weer verlaten. Op 3 januari 2026 om 17:51 uur gaat [verdachte] de woning binnen zonder tas en verlaat hij om 17:52 uur de woning met een zwarte tas met goudkleurige inhoud.

Op de camerabeelden is daarnaast te zien dat [verdachte] met een sleutel op meerdere momenten ook [nummer 1] binnengaat en dat [medeverdachte 1] op 1 januari 2026 samen met een andere man gedurende een minuut in [nummer 1] is geweest. In de periode van 5 januari 2026 tot en met 8 januari 2026 hebben ook meerdere onbekend gebleven personen [nummer 1] betreden. Op 9 januari 2026 heeft de politie in [nummer 1] een bedrag van € 39.500,- aangetroffen.

Onderzoek telefoons

De politie heeft onderzoek verricht aan de telefoon die bij de fouillering van [medeverdachte 1] is aangetroffen. In de telefoon zijn diverse schermafbeeldingen van chatberichten uit [berichtenapp] aangetroffen die vermoedelijk betrekking op de invoer van verdovende middelen vanuit Zuid-Amerika. Ook zijn notities op de telefoon aangetroffen die gelet op de gebruikte bewoordingen vermoedelijk betrekking hebben op de invoer van verdovende middelen.

De politie heeft ook onderzoek verricht aan een telefoon die in de woning is aangetroffen. In de telefoon zijn meerdere afbeeldingen van ogenschijnlijk blokken cocaïne aangetroffen. Daarnaast trof de politie meerdere schermafbeeldingen van [berichtenapp] aan die vermoedelijk betrekking op handel in verdovende middelen. In deze telefoon zijn ook notities aangetroffen die vermoedelijk betrekking hebben op de invoer van verdovende middelen. Dit betreffen dezelfde notities als de notities die zijn aangetroffen op de telefoon, die tijdens de fouillering van [medeverdachte 1] inbeslaggenomen is.
3.4.
Bewijsoverwegingen

Ten aanzien van feit 1, 2, 3 en 5:

Gelet op de grote hoeveelheid drugs, wapens, munitie en geld die in de woning is aangetroffen, de combinatie van deze voorwerpen en de wijze waarop deze door de klaarblijkelijk onbewoonde woning verspreid lagen opgeslagen, concludeert de rechtbank dat de woning werd gebruikt als stashlocatie voor de handel in drugs. De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of [medeverdachte 1] en [verdachte] betrokken waren bij deze stashlocatie en, zo ja, waaruit deze betrokkenheid bestond.

[verdachte] heeft ter terechtzitting verklaard dat hij wel eens medicijnen uit de woning heeft opgehaald en dat hij geen weet had van de overige voorwerpen die in de woning zijn aangetroffen. De rechtbank acht deze verklaring niet aannemelijk en overweegt hierover als volgt.

[medeverdachte 1] en [verdachte] hadden beiden een sleutel van de woning, die op naam van [medeverdachte 1] stond. Zij zijn, op de dagen voorafgaand aan en op de dag van hun aanhouding, in de woning geweest. Zij hebben op meerdere momenten, gezamenlijk, met anderen, of afzonderlijk van elkaar, de woning betreden en na korte bezoeken, de woning weer verlaten. Een deel van de drugs, vuurwapens en munitie die in de woning is aangetroffen, lag direct in het zicht, waardoor [medeverdachte 1] en [verdachte] deze voorwerpen moeten hebben gezien. Bovendien hebben verdachten goederen in en uit de woning gebracht, terwijl de woning niet was ingericht voor normaal gebruik.

[verdachte] heeft verder op 3 januari 2026 de woning verlaten met een tas waarin een goudkleurige verpakking te zien was, die qua kleur overeenkomt met de goudkleurige verpakkingen waarin de aangetroffen hasjiesj waren verpakt. De rechtbank neemt daarom aan dat [verdachte] toen met (een deel van) de hasjiesj in zijn tas de woning heeft verlaten. In de telefoon die onder [medeverdachte 1] in beslag is genomen zijn notities aangetroffen die wijzen op handel in drugs. Het gaat om notities met dezelfde inhoud als op de telefoon die is aangetroffen in de woning.

De rechtbank leidt uit deze omstandigheden af dat [medeverdachte 1] en [verdachte] beschikkingsmacht hadden over de goederen in de woning en dat zij zich ook bewust waren van de strafbare aard daarvan. Gelet op het feit dat [medeverdachte 1] en [verdachte] op meerdere momenten samen of met anderen de woning hebben betreden en van de woning gebruik hebben gemaakt, en zij ook samen waren op het moment van aanhouding, is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte 1] , [verdachte] en anderen.

Het verweer van de raadsvrouw dat verdachte niet strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden voor de stoffen en voorwerpen die niet in het zicht lagen, verwerpt de rechtbank. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de woning een stashlocatie was en dat [verdachte] en [medeverdachte 1] in die criminele context gebruik hebben gemaakt van de woning. Aldus hebben zij (in ieder geval voorwaardelijk) opzet gehad op het voorhanden hebben van al hetgeen in de woning is aangetroffen.

Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, komt de rechtbank dan ook tot de conclusie dat [medeverdachte 1] en [verdachte] zich schuldig hebben gemaakt aan het medeplegen van het voorhanden hebben van de harddrugs, hasjiesj, vuurwapens en munitie.

Feit 1: 2-MMC

Onder feit 1 is tenlastegelegd dat de harddrugs op lijst I van de Opiumwet staan. De rechtbank merkt op dat 2-MMC niet op lijst I, maar op lijst Ia van de Opiumwet vermeld staat. De rechtbank zal de tenlastelegging in zoverre verbeterd lezen. [medeverdachte 1] en [verdachte] worden daardoor niet in hun verdediging geschaad.

Feit 4: bewezenverklaring eenvoudig witwassen € 22.990,- en € 16.400,-

Beoordelingskader criminele herkomst

De rechtbank overweegt allereerst dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de geldbedragen van € 22.990,- en € 16.400,- die zijn aangetroffen, afkomstig zijn uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Ook als niet duidelijk is uit welk specifiek misdrijf het geld afkomstig is, kan het bestanddeel criminele herkomst in bepaalde gevallen worden bewezen. Het gaat dan om gevallen waarbij het op grond van de feiten en omstandigheden niet anders kan dan dat in dit geval het geld uit misdrijf afkomstig is. Als de feiten en omstandigheden in het dossier zodanig zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft over de legale herkomst van het geld. Zo’n verklaring moet concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn. De omstandigheid dat zo’n verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt echter niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het geld niet uit misdrijf afkomstig is. Als de verdachte een dergelijke verklaring heeft afgelegd, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie om hier nader onderzoek naar te doen. Mede op basis van dit onderzoek moet de rechtbank beoordelen of met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het geld een legale herkomst heeft. In dat geval kan het niet anders dan dat het geld uit misdrijf afkomstig is en kan witwassen van het geld worden bewezen.

Uit het dossier volgt dat de politie – nadat een mogelijke overdracht van ketamine is waargenomen waarbij beide verdachten betrokken waren – een geldbedrag van € 16.400,- bij [verdachte] aantreft. Vervolgens is tijdens de doorzoeking van de woning van [medeverdachte 1] , die als stashlocatie is ingericht, een bedrag van € 22.990,- aangetroffen. De rechtbank oordeelt op grond van het voorgaande dat sprake is van een witwasvermoeden. Daarom mag van verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de legale herkomst van het geld, die concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.

Verdachte is middels een witwasbrief uitgenodigd een verklaring af te leggen over de herkomst van het geldbedrag van € 16.400,-. Niet blijkt dat verdachte hierop, of zijn raadsvrouw namens hem, heeft gereageerd.

Ter terechtzitting heeft verdachte over het geldbedrag van € 16.400,- verklaard dat hij dit opeens in zijn handen gedrukt kreeg van [persoon 1] , de bestuurder van de Renault Clio. Gelet op het tijdstip waarop verdachte met deze verklaring is gekomen en het feit dat deze verklaring geen steun vindt in het dossier, is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring die tot nader onderzoek noopte. Over de herkomst van het geldbedrag van € 22.990,- heeft hij geen verklaring afgelegd. De rechtbank komt gelet op de omstandigheden waaronder het geld is aangetroffen, dan ook tot de conclusie dat het niet anders kan dan dat beide geldbedragen uit misdrijf afkomstig zijn en dat verdachte dit ook wist.

Feit 4: vrijspraak witwassen € 39.500,-

Ten aanzien van het aangetroffen geldbedrag van € 39.500,- in de woning op nummer [nummer 1] , geldt dat dit bedrag enkele dagen na de aanhouding van [medeverdachte 1] en [verdachte] is aangetroffen. Nu uit de camerabeelden is gebleken dat er na de aanhouding van [medeverdachte 1] en [verdachte] en voor de doorzoeking van deze woning ook anderen [nummer 1] hebben betreden, kan de rechtbank niet vaststellen dat [medeverdachte 1] en [verdachte] betrokken zijn geweest bij het witwassen van € 39.500,-. De rechtbank zal [medeverdachte 1] en [verdachte] hiervan vrijspreken.
<nr>4</nr>Bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat verdachte

ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde:

op 4 januari 2026 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad,

- een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en

- een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en

- een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en

- een hoeveelheid van een materiaal bevattende 2-MMC,

zijnde amfetamine, MDMA en cocaïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I en zijnde 2-MMC een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst Ia;

ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde:

op 4 januari 2026 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, meerdere wapens van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk SIG SAUER, model P226 Legion serie, kaliber 9mm Luger en een pistool, van het merk Springfield, model XD-9 Sub Compact, kaliber 9mm Luger en een pistool, van het merk Beretta, model 9000, kaliber 9mm Luger en een pistool, van het merk Glock, model 19X, kaliber 9mm Luger, telkens zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool voorhanden heeft gehad;

ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde:

op 4 januari 2026 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 32 patronen van het kaliber 9mm x19 van het merk Sellier & Bellot en PMC, voorhanden heeft gehad;

ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde:

op 4 januari 2026, te [plaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, een contant geldbedrag, te weten:

22.990 euro en

16.400 euro

voorhanden heeft gehad, terwijl hij, wist, dat die voorwerpen onmiddellijk afkomstig waren uit enig misdrijf;

ten aanzien van het onder 5 tenlastegelegde:

op 4 januari 2026 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van 72,80 kilogram hasjiesj, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal de rechtbank

deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
<nr>5</nr>De strafbaarheid van de feiten
Ten aanzien van feit 4:

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
<nr>6</nr>De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
<nr>7</nr>Motivering van de straf 7.1.
De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.
7.2.
Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om, indien de rechtbank tot een veroordeling komt, de persoonlijke omstandigheden van verdachte mee te wegen bij de straftoemeting. De raadsvrouw heeft daarnaast aangevoerd dat de oplegging van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf een goede stok achter de deur zou zijn. Hoewel de reclassering geen bijzondere voorwaarden heeft geadviseerd staat verdachte wel open voor reclasseringstoezicht.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van de bewezen geachte feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van het voorhanden hebben van verschillende soorten harddrugs, hasjiesj en vuurwapens en bijbehorende munitie. De woning waarin deze goederen zijn aangetroffen werd door verdachte gebruikt als een stashlocatie. Ten aanzien van feit 1 geldt dat verdachte in totaal ongeveer een hoeveelheid van 144 kilogram aan (geteste) harddrugs aanwezig heeft gehad. Ten aanzien van feit 5 geldt dat verdachte een hoeveelheid van 72,8 kilogram aan hasjiesj aanwezig heeft gehad.

Verdachte heeft hiermee een omvangrijke bijdrage geleverd aan de handel in verdovende middelen. Deze handel is ondermijnend voor de samenleving en de legale economie. Ook gaat de drugshandel gepaard met andere vormen van crimineel gedrag, waaronder het plegen van geweld en verdachte heeft bijgedragen aan de instandhouding van die keten van criminele activiteiten. Dat verdachte ook verschillende vuurwapens en munitie bij de verdovende middelen voorhanden had is tegen deze achtergrond zeer zorgelijk. Het aanwezig hebben van vuurwapens en munitie kan gemakkelijk leiden tot het gebruik ervan en brengt onaanvaardbare risico’s voor de veiligheid van personen en vormt derhalve een ernstige inbreuk op de rechtsorde. Daarnaast gaat het handelen van verdachte volledig voorbij aan de schadelijke werking van (hard)drugs voor de gezondheid van de gebruikers en de andere (financiële) gevolgen die verslaving met zich kunnen brengen. Dat verdachte zich om deze aspecten heeft bekommerd is niet gebleken.

Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan het medeplegen van het witwassen van € 22.990,- en € 16.400,-. Witwassen vormt een bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan.

De persoon van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het

Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 11 maart 2026. Hieruit

blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.

De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op het reclasseringsadvies van 7 april 2026. Gelet op het feit dat verdachte zich beroept op zijn zwijgrecht en geen intrinsieke motivatie voor hulpverlening toont, ziet de reclassering geen mogelijkheden om met interventies of toezicht de risico’s te beperken of het gedrag van verdachte te veranderen. De reclassering adviseert daarom om geen bijzondere voorwaarden te koppelen aan de op te leggen straf.

Op te leggen straf

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van

een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank heeft bij de bepaling van de hoogte van de straf gekeken naar de straffen die in soortgelijke zaken doorgaans worden opgelegd en de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) voor straftoemeting. Bij het aanwezig hebben van een hoeveelheid van meer dan 20 kilogram aan harddrugs gaan de oriëntatiepunten uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden en voor het aanwezig hebben van een hoeveelheid tussen de 25 en 250 kilogram aan hasjiesj (softdrugs) van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden. Voor het bezit van een enkel vuurwapen in een woning gaan de oriëntatiepunten uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden.

Gelet op het voorgaande zou de rechtbank, indien zij de LOVS-oriëntatiepunten zou volgen, komen tot een gevangenisstraf voor de duur van 64 maanden, waarbij uit is gegaan van een hoeveelheid van meer dan 20 kilogram aan harddrugs en het bezit van vier vuurwapens. Hierbij is het witwassen en het voorhanden hebben van munitie nog niet meegewogen.

De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de feiten en de proceshouding van verdachte weinig ruimte bieden om tot een substantieel lagere straf dan de eis van de officier van justitie te komen. Tegelijkertijd acht de rechtbank het van belang dat deze nog jonge verdachte – door het matigen van de door de officier van justitie gevorderde straf – enig perspectief op de toekomst moet worden geboden.

Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen en mede gelet op de straffen die in soortgelijke zaken doorgaans worden opgelegd, acht de rechtbank, alles afwegende, de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur 54 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.
<nr>8</nr>Beslag
Onder verdachte zijn diverse voorwerpen in beslag genomen. Deze voorwerpen staan vermeld op de beslaglijst en onder rubriek 10.
8.1.
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het inbeslaggenomen geldbedrag verbeurd dient te worden verklaard.
8.2.
Het standpunt van de verdediging

De inbeslaggenomen telefoontoestellen zijn al teruggegeven aan verdachte. Ten aanzien van de overige inbeslaggenomen voorwerpen heeft de raadsvrouw geen standpunt ingenomen.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank

Het inbeslaggenomen geldbedrag van € 16.400,-, dient verbeurd te worden verklaard en is daarvoor vatbaar, aangezien met betrekking tot dit voorwerp het bewezenverklaarde is begaan.

De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van de onder hem inbeslaggenomen telefoontoestellen en sleutel.
<nr>9</nr>Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 33, 33a, 47, 57 en 420bis.1 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 2a, 3, 10, 10b, 11 van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
<nr>10</nr>Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde onder feit 1, 2, 3, 4 en 5 heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2a onder C van de Opiumwet gegeven verbod

ten aanzien van feit 2:

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd

ten aanzien van feit 3:

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

ten aanzien van feit 4:

medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd

ten aanzien van feit 5:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 54 (vierenvijftig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Verklaart verbeurd:

1. EUR geld (G6757803).

Gelast de teruggave aan [verdachte] van:

2. 1 STK Telefoontoestel (G6758217); 3. 1 STK Telefoontoestel (G6758218);4. 1 STK Telefoontoestel (G6758216);5. 1 STK sleutel (G6757798).

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.J. Bos, voorzitter

mrs. A.K. Glerum en M. Bijleveld, rechters

in tegenwoordigheid van mr. S.L. van Tellingen, griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 14 juli 2026.

[…]

Omwille van de leesbaarheid van het vonnis zullen de verdachten hierna worden aangeduid bij hun achternaam.

Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2026002642-9 van 5 januari 2026, p. 22 t/m 26 (uit PV VGL (digi) (p. 01-250) d.d. 07/01/2026): Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2026002642-51 van 5 januari 2026, p. 326 (uit PV VGL (digi) (p. 250-471) d.d. 07/01/2026).

Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2026002642-18 van 5 januari 2026, p. 44 (uit PV VGL (digi) (p. 01-250) d.d. 07/01/2026).

Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2026002642-12 van 5 januari 2026, p. 51 t/m 57 (uit PV VGL (digi) (p. 01-250) d.d. 07/01/2026).

Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2026002642-12 van 5 januari 2026, p. 51 en 53 (uit PV VGL (digi) (p. 01-250) d.d. 07/01/2026).

Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2026002642-182 van 26 februari 2026, p. 201 t/m 205 (uit Nazending): Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2026002642-192 van 8 april 2026, p. 1 en 2 (uit Aanvullend pvb): Een geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, met nummer 2026.02.17.116 (aanvraag 002) van 23 februari 2026, p. 207 (uit Nazending): Een geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, met nummer 2026.02.17.116 (aanvraag 003) van 23 februari 2026, p. 208 (uit Nazending): Een geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, met nummer 2026.02.17.116 (aanvraag 004) van 23 februari 2026, p. 209 (uit Nazending): Een geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, met nummer 2026.02.17.116 (aanvraag 005) van 23 februari 2026, p. 211 (uit Nazending): Een geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, met nummer 2026.02.17.116 (aanvraag 006) van 23 februari 2026, p. 212 (uit Nazending): Een geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, met nummer 2026.02.17.116 (aanvraag 007) van 23 februari 2026, p. 213 (uit Nazending): Een geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, met nummer 2026.02.17.116 (aanvraag 008) van 23 februari 2026, p. 214 (uit Nazending): Een geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, met nummer 2026.02.17.116 (aanvraag 009) van 23 februari 2026, p. 215 (uit Nazending): Een geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, met nummer 2026.02.17.116 (aanvraag 010) van 23 februari 2026, p. 216 (uit Nazending): Een geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, met nummer 2026.02.17.116 (aanvraag 011) van 23 februari 2026, p. 218 (uit Nazending): Een geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, met nummer 2026.02.17.116 (aanvraag 012) van 23 februari 2026, p. 219 (uit Nazending): Een geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, met nummer 2026.02.17.116 (aanvraag 013) van 23 februari 2026, p. 220 (uit Nazending).

Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2026002642-12 van 5 januari 2026, p. 57 (uit PV VGL (digi) (p. 01-250) d.d. 07/01/2026).

Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2026002642-163 van 2 april 2026, p. 16 en 17 (uit Nazending).

Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2026002642-12 van 5 januari 2026, p. 58 (uit PV VGL (digi) (p. 01-250) d.d. 07/01/2026): Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2026002642-11 van 5 januari 2026, p. 238 en 239 (uit PV VGL (digi) (p. 01-250) d.d. 07/01/2026.

Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2026002642-12 van 5 januari 2026, p. 51 en 58 (uit PV VGL (digi) (p. 01-250) d.d. 07/01/2026).

Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2026002642-12 van 5 januari 2026, p. 54 (uit PV VGL (digi) (p. 01-250) d.d. 07/01/2026).

Proces-verbaal van technisch onderzoek met nummer 2026002642-125 van 6 januari 2026, p. 261 t/m 272 (uit PV VGL 2 (digi) d.d. 07-01-2026 (p-250-471).

Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2026002642-12 van 5 januari 2026, p. 56 (uit PV VGL (digi) (p. 01-250) d.d. 07/01/2026).

Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2026002642-143 van 14 januari 2026, p. 12 en 13 (uit Nazending Raadkamer).

Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2026002642-184 van 2 maart 2026, p. 54 t/m 86 (uit Nazending).

Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2026002642-170 van 16 februari 2026, p. 150 t/m 160 (uit Nazending).

Een geschrift, zijnde een niet ondertekend proces-verbaal van bevindingen van 9 februari 2026 met nummer PL1300-2026002642-169 , p. 138 t/m 141 (uit Nazending).

Artikel delen