Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBAMS:2026:8010

Betreffende een verzoek nietigheid van de erkenning, vervangende toestemming erkenning, gezag en omgang

Rechtbank Amsterdam 14 August 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBAMS:2026:8010 text/xml public 2026-08-14T18:00:11 2026-08-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-08-11 C/13/ 775519 FA RK 26/6930 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Rekestprocedure Beschikking NL Amsterdam Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:8010 text/html public 2026-08-11T12:09:50 2026-08-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:8010 Rechtbank Amsterdam , 11-08-2026 / C/13/ 775519 FA RK 26/6930
Betreffende een verzoek nietigheid van de erkenning, vervangende toestemming erkenning, gezag en omgang

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugd

zaaknummer / rekestnummer: C/13/ 775519 FA RK 26/6930 (LH/MD)

Beschikking van 11 augustus 2026 betreffende een verzoek nietigheid van de erkenning, vervangende toestemming erkenning, gezag en omgang

in de zaak van:

[de moeder],

wonende in [woonplaats 1],

hierna te noemen: ‘de moeder’,

advocaat mr. H.K. Jap-A-Joe,

tegen

[de man],

wonende in [woonplaats 2],

hierna te noemen: ‘de man’,

advocaat mr. M.N. Ande.

Als belanghebbende is aangemerkt:

mr. C.J. Gebuijs,

kantoorhoudende te Amsterdam,in haar hoedanigheid van bijzondere curator,hierna te noemen: ‘de bijzondere curator’.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming, regio Amsterdam,locatie Amsterdam, hierna te noemen: ‘de Raad’.
<nr>1</nr>Het verloop van de procedure 1.1.
De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende stukken:

het verzoekschrift van de moeder met bijlagen, ingekomen op 12 september 2025;

het verweerschrift van de man van 12 oktober 2025;

- de beschikking van deze rechtbank van 15 oktober 2026, waarbij mr. C.J. Gebuijs is benoemd tot bijzondere curator over de minderjarige;

- de schriftelijke reactie van de bijzondere curator van 5 december 2025;

de aanvullende verzoeken van de man van 19 december 2025;

een F9-formulier, met bijlagen, van de moeder van 19 januari 2026;

de schriftelijke reactie van de moeder op het verweer van de man met bijlagen van 16 juli 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling achter gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 28 juli 2026.

Hierbij zijn verschenen: partijen, bijgestaan door hun advocaten, de bijzondere curator en de heer

[naam] namens de Raad. De advocaat van de man heeft het woord gevoerd aan de hand van pleitaantekeningen.

2. De feiten
2.1.
Partijen hebben een relatie gehad die eind 2023 is beëindigd.
2.2.
Op [geboortedag] 2024 te [geboorteplaats] is uit de moeder geboren [minderjarige] (hierna ook: ‘de minderjarige’).
2.3.
De minderjarige is op 25 oktober 2024 te Amsterdam erkend door de man.
2.4.
Bij beschikking van 22 mei 2026 van deze rechtbank is het verzoek van de man een provisionele voorziening te treffen strekkende tot een voorlopige omgangsregeling tussen de man en de minderjarige voor de duur van de bodemprocedure afgewezen.
2.5.
De man en de minderjarige hebben de Nederlandse nationaliteit en de moeder heeft de Surinaamse nationaliteit.
<nr>3</nr>Het verzoek en het verweer tevens houdende een zelfstandig verzoek 3.1.
De moeder verzoekt de rechtbank de erkenning door de man van het minderjarige kind [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2024 bij akte op 25 oktober 2024 verleden voor de ambtenaar van de burgerlijke stand te Amsterdam, nietig te verklaren. De aanvullende verzoeken van de man verzoekt zij af te wijzen.
3.2.
De man heeft de rechtbank op 12 oktober 2025 verzocht het verzoek van de moeder af te wijzen en te bepalen dat [minderjarige] elke dinsdag van 11:00 uur tot 17:00 uur en van zaterdag 17:00 uur tot zondagochtend 17:00 uur bij hem verblijft, waarbij de man [minderjarige] ophaalt en terugbrengt naar de moeder.
3.3.
De man heeft op 19 december 2025 een aanvullend verzoek ingediend. Voorzover de rechtbank van oordeel is dat de erkenning die op 25 oktober 2024 heeft plaatsgevonden nietig moet worden verklaard, verzoekt hij de rechtbank om hem vervangende toestemming voor de erkenning van [minderjarige] te verlenen en te bepalen dat het eenhoofdig gezag van de moeder wordt gewijzigd en de man ook met het gezag over zijn dochter wordt belast.
<nr>4</nr>Het advies van de bijzondere curator 4.1.
De bijzondere curator is van mening dat als wordt vastgesteld dat het zeer aannemelijk is dat de moeder niet zelf het toestemmingsformulier en de machtiging voor de toestemming heeft ondertekend, dit onvermijdelijk met zich mee brengt dat de erkenning door de man nietig is. In dat geval zal het verzoek van de moeder moeten worden toegewezen. Zij heeft erop gewezen dat het uitgangspunt van de wetgever is dat de juridische afstamming zoveel mogelijk in overeenstemming dient te zijn met de biologische werkelijkheid. Een kind heeft er recht op en belang bij dat de familieband met zijn of haar biologische vader officieel wordt vastgelegd. Alleen in uitzonderlijke gevallen kan van dit uitgangspunt worden afgeweken. Het belang van het kind om te weten waar zij vandaan komt brengt mee dat voor haar duidelijk is van wie zij afstamt. Haar persoons- en identiteitsontwikkeling zijn daarmee gediend.
4.2.
Tijdens de mondelinge behandeling van de verzoeken op 28 juli 2026 heeft de bijzondere curator verwezen naar de inhoud van haar advies. Daarnaast heeft zij benadrukt dat zij bij de moeder veel weerstand ziet tegen de verzoeken van de man. Uit de stukken die door de moeder zijn ingediend blijkt ook dat de moeder klachten heeft en deze moeten volgens de bijzondere curator serieus genomen worden. Het is duidelijk dat de moeder worstelt met het verloop van de relatie van partijen en de gang van zaken rond de zwangerschap en de geboorte en dan tenslotte de situatie rond de erkenning van [minderjarige] door de man. Toch ziet zij geen aanwijzingen dat erkenning door de man een belemmering zou kunnen vormen in de ontwikkeling van [minderjarige]. Zij acht het in haar belang om de vervangende toestemming te verlenen en denkt dat de moeder in staat is om hiermee om te gaan. [minderjarige] moet weten wie haar vader is.
<nr>5</nr>Het advies van de Raad tijdens de mondelinge behandeling 5.1.
De Raad heeft benadrukt dat [minderjarige] er een groot belang bij heeft en ook het recht heeft om te weten van wie zij afstamt. Dat bepaalt namelijk uiteindelijk wie zij is en waar ze vandaan komt. Vanuit het kind gezien ziet de Raad geen belemmeringen om het verzoek van de man hem vervangende toestemming te verlenen om het kind te erkennen, toe te wijzen.

Ten aanzien van het gezamenlijke gezag, wat gaat over het samen mogen en moeten nemen van belangrijke beslissingen die [minderjarige] betreffen, stelt de Raad dat partijen hiertoe op dit moment niet in staat zijn en het ook niet te verwachten is dat dit op korte termijn zal veranderen. Ook omdat over en weer het vertrouwen ontbreekt. De Raad heeft aangeboden een onderzoek te gaan doen. De Raad vindt het belangrijk dat [minderjarige] op den duur zelf een beeld kan gaan vormen van haar beide ouders. De Raad wil gaan bekijken wat er nodig is om dat te bereiken. De moeder heeft tijdens de zitting aangegeven dat zij zich zorgen maakt over de veiligheid van [minderjarige], de Raad zal in het onderzoek dit punt ook onderzoeken en hierover advies uitbrengen.
<nr>6</nr>De beoordeling 6.1.
Omdat de moeder de Surinaamse nationaliteit heeft, heeft deze zaak een internationaal karakter. Daarom moet eerst de rechtsmacht van de Nederlandse rechter ten aanzien van de verzoeken worden beoordelen.

Rechtsmacht en bevoegdheid
6.2.
De Nederlandse rechter heeft op grond van artikel 3 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (hierna: ‘Rv’) rechtsmacht om te oordelen over de onderhavige verzoeken omdat de moeder en de minderjarige hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben. De moeder en de man wonen in [plaats], dus de rechtbank Amsterdam is bevoegd om van het verzoek kennis te nemen.

Nietigheid van de erkenning

Toepasselijk recht
6.3.
Op grond van artikel 10:96 van het Burgerlijk Wetboek (BW) wordt op de vraag of en de wijze waarop een erkenning kan worden tenietgedaan, wat betreft de bevoegdheid van de persoon die het kind heeft erkend en de voorwaarden voor de erkenning, bepaald door het op grond van artikel 10:95, lid 1, BW toegepaste recht, en wat betreft de toestemming van de moeder, door het recht dat op grond van artikel 10:95, lid 3, BW toepasselijk is.
6.4.
De man heeft de Nederlands nationaliteit, zodat Nederlands recht van toepassing was op het ontstaan van de familierechtelijke betrekkingen door de erkenning en de voorwaarden voor erkenning. Als gevolg daarvan is Nederlands recht ook van toepassing op het verzoek tot de nietigverklaring van de erkenning. De moeder heeft de Surinaamse nationaliteit, zodat Surinaams recht van toepassing is op de toestemming voor de erkenning.

Inhoudelijk
6.5.
Het verzoek van de moeder tot nietigheid van de erkenning is gegrond op artikel 1:204 van het Surinaamse Burgerlijk Wetboek. Artikel 204, eerste lid en onder c van Boek 1 van het Surinaamse Burgerlijk Wetboek (SBW) bepaalt dat de erkenning nietig is, als zij is gedaan, als het kind de leeftijd van zestien jaar nog niet heeft bereikt, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de moeder.
6.6.
De moeder stelt dat de man bij de erkenning op 25 oktober 2024 een stuk ‘Machtiging erkenning kind van 22 oktober 2023’ heeft gebruikt en een formulier ‘Schriftelijke toestemming moeder tot erkenning van ook 22 oktober 2024’, met op beide stukken een handtekening die voor de handtekening van verzoekster moest doorgaan, maar die niet door haar op deze formulieren zijn geplaatst. Bij deze stukken is door de man ter legitimatie een kopie van het paspoort van de moeder gevoegd die de moeder de man niet heeft verstrekt voor dit doel. De moeder is met [minderjarige] en de familie van de man mee geweest op een cruise omdat de moeder van de man jarig was. De man deelde de moeder toen mee dat hij voor het boeken van de reis een kopie van het paspoort van de moeder en haar verblijfdocument nodig had. De vrouw heeft dit verstrekt en de man heeft deze kopieën gebruikt voor de erkenning.
6.7.
Op 19 januari 2026 heeft de moeder een deskundigenrapport van 11 januari 2025 van het Nationaal Forensisch onderzoeksbureau in het geding gebracht. Op basis van de onderzoeksvragen zijn twee elkaar uitsluitende hypothesen genomen voor het onderzoek naar de betwiste handtekeningen. De eerste hypothese is: De betwiste handtekeningen zijn authentieke handtekeningen van [de moeder]. De tweede hypothese is: De betwiste handtekeningen zijn geen authentieke handtekeningen van [de moeder], maar nabootsingen (vervalsingen). Uit het onderzoek blijkt dat de bevindingen van het onderzoek zeer veel waarschijnlijker zijn wanneer de beide betwiste handtekeningen geen authentieke handtekeningen zijn (maar nabootsingen of vervalsingen) (hypothese 2) dan wanneer het wel om authentieke handtekeningen van [de moeder] zou gaan (hypothese 1).
6.8.
De moeder heeft ook aangifte gedaan bij de politie van valsheid in geschrifte begaan door de man. In de strafprocedure kwam het aanvankelijk niet tot vervolging omdat de officier van justitie een andere oplossing passender achtte. De moeder heeft hierop beklag gedaan bij het gerechtshof Amsterdam. Het gerechtshof heeft bij uitspraak van 30 juni 2026 de officier van justitie gelast de man te vervolgen.
6.9.
De man betwist dat hij misbruik heeft gemaakt van de documenten van de moeder om de erkenning te bewerkstelligen en stelt dat de erkenning rechtsgeldig tot stand is gekomen. Hij vindt het bijzonder spijtig dat de moeder zover gaat dat zij hem zelfs beschuldigt van fraude en daarvan aangifte heeft gedaan. De moeder is kennelijk van gedachten veranderd en ziet geen andere uitweg dan hem te beschuldigen van een onrechtmatige erkenning.
6.10.
De rechtbank oordeelt als volgt. Gelet op de overgelegde stukken is de rechtbank van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de man de minderjarige zonder de uitdrukkelijke toestemming van de moeder heeft erkend op 25 oktober 2024 door gebruikmaking van een kopie van haar paspoort en een vervalste handtekening op de benodigde formulieren. De rechtbank zal het verzoek van de moeder dan ook toewijzen en de erkenning van [minderjarige] nietig verklaren.
6.11.
Omdat de nietigverklaring van de erkenning van de minderjarige, nadat de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, terugwerkende kracht heeft op grond van artikel 1:206 SBW, is de man daardoor nooit de juridische vader van de minderjarige is geweest. Ook komt het gezag dat de man als gevolg van de erkenning heeft verkregen te vervallen. De rechtbank zal de ambtenaar van de burgerlijke stand gelasten de latere vermelding betreffende de erkenning, behorende bij de akte van geboorte met aktenummer [nummer] van het jaar 2024 voorkomende in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Amsterdam, betreffende [minderjarige] door te halen.
6.12.
Vervolgens zal de rechtbank het verzoek van de man om hem vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] te erkennen beoordelen.

Vervangende toestemming erkenning

Toepasselijk recht
6.13.
Artikel 10:95, lid 1, van het BW bepaalt dat voor de vraag of erkenning door een persoon familierechtelijke betrekkingen doet ontstaan tussen hem en een kind, dit voor wat betreft de bevoegdheid van die persoon en de voorwaarden voor erkenning bepaald wordt door het recht van de staat waarvan die persoon de nationaliteit bezit. Op grond van lid 3 van het artikel is op de toestemming van de moeder voor de erkenning toepasselijk het recht van de staat waarvan de moeder de nationaliteit bezet. Ingevolge artikel 10:95 lid 4 BW is bepalend het tijdstip van de erkenning en de toestemming.

Inhoudelijk
6.14.
Artikel 1:204, lid 3, BW bepaalt dat als een man een kind wil erkennen, de toestemming van de moeder. bij een kind jonger dan 16 jaar, door toestemming van de rechtbank kan worden vervangen. Dit is mogelijk, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt. Vervangende toestemming kan alleen worden gegeven als de man hetzij de verwekker van het kind is, hetzij de biologische vader van het kind, die niet de verwekker is en in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind.
6.15.
Tussen partijen staat vast dat de man de verwekker is van [minderjarige].
6.16.
Voor de beantwoording van de vraag of de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige of de belangen van de minderjarige zal schaden, komt het aan op een afweging van de belangen van de betrokkenen. Hierbij moet als uitgangspunt worden genomen dat zowel de man als de minderjarige er belang bij heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. Het belang van de man bij de totstandkoming van een familierechtelijke betrekking kan echter niet zo zwaar wegen dat de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige of de belangen van de minderjarige geschaad zouden worden in geval van erkenning van haar door de man. Van schade aan de belangen van een kind is sprake indien er ten gevolge van de erkenning voor hem reële risico’s zijn dat hij wordt belemmerd in een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling.
6.17.
De man stelt dat zowel hij als [minderjarige] belang hebben bij erkenning van hun relatie als een familierechtelijke betrekking. De man stelt dat het van essentieel belang is voor de ontwikkeling van [minderjarige] dat zij op regelmatige basis contact heeft met haar biologische vader. Dit is niet alleen in haar belang, maar ook cruciaal voor haar identiteitsontwikkeling. Het is duidelijk dat [minderjarige] oprecht blij is wanneer zij haar vader ziet. Foto’s bevestigen dat de man eveneens gelukkig is in haar gezelschap. De man vindt het bovendien in het belang van [minderjarige] dat zij zo vroeg mogelijk gewend raakt aan verblijf zonder haar moeder bij haar vader. Ook is het belangrijk dat zij vertrouwd raakt met de omgeving van haar vader en zijn familie, net zoals zij vertrouwd is met de familie aan moederszijde. De moeder voert aan dat zij zich onveilig voelt maar uit de door haar overgelegde stukken blijkt in de opinie van de man dat haar gevoelens van angst met name voortkomen uit haar eigen mogelijk traumatische verleden. De man heeft begrip voor hetgeen de moeder in haar jeugd heeft meegemaakt, maar dat neemt niet weg dat haar persoonlijke trauma’s niet zonder meer kunnen worden gelijkgesteld aan een objectief veiligheidsrisico voor [minderjarige]. De moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling van het provisionele verzoek verklaard dat het erg goed gaat met [minderjarige]. De moeder heeft bovendien geen enkel objectief bewijs overlegd waaruit blijkt dat de man ooit fysiek of verbaal geweld heeft gebruikt tegen haar of [minderjarige]. Als er sprake geweest zou zijn van mishandeling of een onveilige situatie dan had het voor de hand gelegen dat de moeder hiervan ook melding had gemaakt. De man wil niets anders dan een liefdevolle, stabiele en betrokken vader zijn voor zijn dochter. [minderjarige] verdient het om beide ouders in haar leven te hebben.
6.18.
De moeder heeft bezwaar tegen de door de man verzochte vervangende toestemming voor erkenning van [minderjarige] en voert verweer. De moeder stelt dat de rechtbank haar toestemming behoort te onthouden, nu bijzondere omstandigheden zich hier voordoen die maken dat de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met haar kind worden geschaad of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in gedrang komt. De man heeft sinds de zwangerschap van de moeder een gedrag ten toon gespreid dat maakte dat de moeder psychisch werd geknakt en dit tot de huidige dag aanhoudt met als klap op de vuurpijl dat hij zich schuldig maakt aan valsheid in geschrifte met verstrekkende gevolgen. Het kan dan niet zo zijn dat zijn doortrapt handelen met rechtelijke instemming wordt beloond. De man doet voorkomen alsof de relatie na de bevalling is beëindigd en hij tot dan toe een liefhebbende en begripvolle partner was. Niets van dit alles is het geval. Ter onderbouwing brengt de moeder een aantal stukken in het geding. Niet alleen tijdens haar zwangerschap doch ook daarna manifesteerde zich bij de man gedrag dat maakt dat de moeder psychisch is geknakt. Zij is nog altijd wekelijks onder behandeling. Het leed dat zij onderging bracht mee dat zij bij de gemeente aanklopte voor toegang tot hulp na huiselijk geweld. De hulp werd haar toegekend blijkens het besluit van de gemeente Amsterdam d.d. 9 januari 2026.

De moeder is vrijwel vanaf het begin van haar zwangerschap onder behandeling. Een ernstige vertrouwensbreuk zoals die zich in de onderhavige situatie voordoet, met enorme impact op de persoon van de moeder, levert een bijzondere omstandigheid op. De moeder kan de man niet anders zien dan een bedrieger die haar psychisch verwond heeft.

Raadsonderzoek
6.19.
De Raad heeft tijdens de mondelinge behandeling een onderzoek aangeboden, Beide partijen hebben tijdens de zitting desgevraagd aangegeven hun medewerking te verlenen aan een onderzoek door de Raad.
6.20.
De rechtbank vindt het in het belang van [minderjarige] dat zij weet van wie zij afstamt en dat dit ook op haar geboorteakte wordt vermeld. De rechtbank heeft op dit moment echter onvoldoende informatie of erkenning van [minderjarige] door de man niet zodanig ontregelend is voor de moeder dat zij daardoor in een onevenwichtige psychische toestand zou komen te verkeren en daardoor de ongestoorde verhouding tussen moeder en kind zal worden geschaad. De vraag is ook of door de erkenning de moeder niet langer in staat zou zijn [minderjarige] een stabiel opvoedingsklimaat te bieden, zodat dat de rechtbank het noodzakelijk acht dat de Raad ook hier onderzoek naar gaat doen.
6.21.
De rechtbank is van oordeel dat het van groot belang is dat de Raad goed gaat kijken wat er nu in het belang van [minderjarige] is en de rechtbank hierover bericht. De rechtbank zal hierbij de Raad verzoeken in het onderzoek ook te rapporteren over het verzoek van de man om hem samen met de moeder met het gezag te belasten en ten aanzien van de door de man verzochte zorg/omgangsregeling tussen de man en de minderjarige.
6.22.
Om de rechtbank te adviseren dient de Raad de volgende vragen in het onderzoek te betrekken:

- Is het in het belang van [minderjarige] dat de rechtbank de man toestemming verleent, welke de toestemming van de moeder vervangt, om [minderjarige] te erkennen?

- Als de rechtbank vervangende toestemming verleent, is gezamenlijk gezag dan in het belang van de minderjarige?

- Is een omgangs/zorgregeling is in het belang van de minderjarige, en zo ja hoe zou deze moeten worden opgebouwd?

- Zijn er andere feiten en omstandigheden die de rechtbank bij haar oordeel moet betrekken?
6.23.
In afwachting van het onderzoek door de Raad zullen de beslissingen over de vervangende toestemming erkenning en de verzoeken van de man ten aanzien van het gezag en omgang/zorgregeling worden aangehouden.
6.24.
Dit leidt tot de volgende beslissing.
<nr>7</nr>De beslissing
De rechtbank:
7.1.
verklaart nietig de erkenning door de man van de minderjarige [minderjarige], waarvan akte is opgemaakt onder nummer [nummer] van het jaar 2024, op

25 oktober 2024 door de ambtenaar van de burgerlijke stand van Amsterdam;
7.2.
gelast doorhaling van de latere vermelding betreffende erkenning, behorende bij de akte van geboorte met aktenummer [nummer] van het jaar 2024 voorkomende in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Amsterdam, betreffende:

[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2024 te [geboorteplaats];
7.3.
draagt de griffier op, nadat deze beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Amsterdam;
7.4.
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming te Amsterdam zo spoedig als mogelijk advies uit te brengen over de hiervoor in rechtsoverweging 6.22 geformuleerde vragen;
7.5.
bepaalt dat de griffier met voormeld doel een afschrift van deze beschikking aan voornoemde Raad zal toezenden;
7.6.
bepaalt dat de behandeling omtrent het verzoek vervangende toestemming erkenning, gezamenlijk gezag en omgangsregeling danwel verdeling van de zorg-opvoedtaken, pro forma wordt voortgezet op 14 december 2026 voor uitlating Raad over de stand van zaken van het onderzoek;
7.7.
houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. L. van der Heijden, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.T.C. Duijzer, griffier, op 11 augustus 2026.

Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).Het beroep moet worden ingesteld:- door de verzoeker en de in de procedure verschenen belanghebbenden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.

Artikel delen