Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBDHA:2026:11439

Asiel Syrië - voldoende gemotiveerd dat eiser geen vrees voor vervolging heeft vanwege Koerdische afkomst en niet praktiseren Islam - onvoldoende de meest actuele informatie betrokken in de 15c beoordeling - humanitaire omstandigheden niet betrokken in de 15c beoordeling en niet na te gaan waar verweerder zich op heeft gebaseerd voor het standpunt dat de humanitaire omstandigheden niet zijn ver...

Rechtbank Den Haag 22 May 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:11439 text/xml public 2026-05-22T14:57:18 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-24 NL25.46380 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:11439 text/html public 2026-05-22T12:43:38 2026-05-22 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:11439 Rechtbank Den Haag , 24-04-2026 / NL25.46380
Asiel Syrië - voldoende gemotiveerd dat eiser geen vrees voor vervolging heeft vanwege Koerdische afkomst en niet praktiseren Islam - onvoldoende de meest actuele informatie betrokken in de 15c beoordeling - humanitaire omstandigheden niet betrokken in de 15c beoordeling en niet na te gaan waar verweerder zich op heeft gebaseerd voor het standpunt dat de humanitaire omstandigheden niet zijn veroorzaakt door strijdende partijen - 3 EVRM beoordeling ontbreekt - beroep gegrond.

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.46380
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
<?linebreak?> [eiser] ,
[V-nummer],

(gemachtigde: mr. W.A. Berghuis),

en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen van verweerder op zijn asielaanvraag en tegen het alsnog genomen besluit waarin verweerder zijn asielaanvraag heeft afgewezen.
1.1.
Eiser heeft op 22 januari 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Op 24 september 2025 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.
1.2.
Verweerder heeft met het bestreden besluit van 13 januari 2026 eisers aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Omdat eiser zich niet kan verenigen met het genomen besluit, is het beroep tegen het niet tijdig nemen van het besluit van rechtswege ook gericht tegen dit besluit.
1.3.
Op 14 april 2026 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder. Als tolk is verschenen H. Rida.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?

2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1991 en heeft de Syrische nationaliteit. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij Koerdisch is en Syrië in 2013 heeft verlaten vanwege de oorlog en de onderdrukking van Koerden. Ook heeft eiser verklaard dat hij als afvallige zal worden gezien in Syrië omdat hij de islam niet praktiseert.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eiseres bestaat volgens verweerder uit drie asielmotieven:

1. identiteit, nationaliteit en herkomst;

2. eiser is Koerd en vreest voor problemen;

3. vrees voor toegedichte afvalligheid.
3.1.
Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De overige asielmotieven heeft verweerder niet op geloofwaardigheid beoordeeld. Verweerder vindt dat eiser niet te vrezen heeft voor vervolging vanwege zijn Koerdische afkomst omdat niet is gebleken dat Koerden een verhoogd risico lopen in Aleppo en omdat de overgangsregering heeft toegezegd Koerden te zullen beschermen. Eiser heeft ook niet te vrezen voor gedwongen rekrutering, nu er sinds de val van Assad geen dienstplicht meer is en eiser nooit is benaderd door gewapende groepen. Verder heeft verweerder geconcludeerd dat eiser niet te vrezen heeft vanwege toegedichte afvalligheid omdat er geen sprake is van vervolging in Syrië vanwege het niet volgen van islamitische leefregels.
3.2.
Verder heeft eiser volgens verweerder geen gegronde vrees vanwege de algemene situatie in Syrië. Eiser loopt geen reëel risico op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld. Uit het beleid van verweerder volgt dat er sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Syrië en uit het algemeen ambtsbericht van mei 2025 blijkt een redelijke verbetering van de algemene situatie. Er is minder willekeurig geweld en het geweld wat er is, is sterk gelokaliseerd. Dat geldt ook voor eisers regio van herkomst, Aleppo. Verweerder vindt de humanitaire omstandigheden in Syrië zeer slecht, maar deze zijn slechts in (zeer) beperkte mate te wijten aan een lopend gewapend conflict en spelen daarom geen doorslaggevende rol in de 15c-beoordeling. Nu er sprake is van een lager niveau van willekeurig geweld, dient eiser aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk te maken dat hij een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Eiser heeft geen risico verhogende individuele omstandigheden aangevoerd en zijn Koerdische etniciteit is al onder Vluchtelingschap beoordeeld.

Wat vindt eiser in beroep?

4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat hij niet te vrezen heeft vanwege zijn Koerdische afkomst. In het verleden heeft eiser veel discriminatie ondervonden en uit nieuwsberichten blijkt dat Koerden worden aangevallen, ook op de plek waar eiser naartoe zou moeten terugkeren. In de chaotische omstandigheden in Syrië is er bovendien geen bescherming van de autoriteiten mogelijk. Eiser voert ook aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat hij niet te vrezen heeft vanwege de toegedichte afvalligheid. Eiser kan zich niet houden aan de religieuze voorschriften die in Syrië gelden.
4.1.
Verder voert eiser aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een relatief laag niveau van willekeurig geweld in Syrië. Verweerder had de slechte humanitaire omstandigheden moeten betrekken in de 15c-beoordeling. Eiser heeft onder meer aangevoerd dat 90% van de bevolking onder de armoedegrens leeft en dat de interim autoriteiten voedsel- en medicijnenzendingen tegenhouden in verschillende regio’s in Syrië. Bovendien lopen burgers een risico op geweld, moord en ontvoering. Er is geen stabiele machtsstructuur waardoor er moeilijk een onderscheid gemaakt kan worden tussen gericht en willekeurig geweld. Ten slotte voert eiser aan dat verweerder de humanitaire omstandigheden in Syrië ook had moeten betrekken in de toets aan artikel 3 van het EVRM.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

5. De rechtbank geeft eiser gelijk en zal dit oordeel hieronder uitleggen.

Beroep niet tijdig beslissen

6. Omdat het beroep oorspronkelijk gericht was tegen het niet tijdig nemen van een besluit, zal de rechtbank hier eerst een oordeel over geven.
6.1.
Eiser heeft verweerder met de brief van 3 september 2025 in gebreke gesteld. Uit het bestreden besluit blijkt dat tussen partijen niet in geschil is dat op dat moment de beslistermijn was verstreken en de ingebrekestelling gelet daarop geldig was. Hierna zijn meer dan twee weken verstreken voordat eiser op 24 september 2025 beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig beslissen. Op 13 januari 2026 heeft verweerder alsnog op eisers aanvraag beslist. Omdat verweerder inmiddels heeft beslist, is het belang van eiser bij een beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag komen te vervallen. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen.
6.2.
Nu tussen partijen niet in geschil is dat de beslistermijn door verweerder is overschreden en pas na deze overschrijding een besluit op eisers asielaanvraag is genomen, ziet de rechtbank wel aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser voor het beroep tegen het niet tijdig beslissen.

Mocht verweerder vinden dat eiser niet te vrezen heeft vanwege zijn Koerdische afkomst?

7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser bij terugkeer naar Syrië geen vrees voor vervolging heeft vanwege zijn Koerdische afkomst. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat uit landeninformatie niet volgt dat iedere Koerd in Syrië, en specifiek in Aleppo, een gegronde vrees voor vervolging heeft op basis van zijn etniciteit. Verweerder heeft daar bij mogen betrekken dat de overgangsregering heeft uitgesproken minderheden, waaronder Koerden, te willen beschermen. Ook volgt uit landeninformatie niet dat Koerden vanwege discriminatie zo ernstig worden beperkt in hun bestaansmogelijkheden dat zij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kunnen functioneren. Verweerder heeft ook kunnen concluderen dat eisers vrees om gerekruteerd te worden door Koerdische strijdkrachten niet aannemelijk is, omdat Aleppo onder controle staat van het huidige regime en eiser geen aanknopingspunten naar voren heeft gebracht om te concluderen dat hij persoonlijk zal worden gezocht om gerekruteerd te worden. Ter zitting heeft eiser gewezen op een brief van Vluchtelingenwerk Nederland waaruit blijkt dat er nog gevochten wordt door Koerdische gewapende groepen. Dat er nog gevochten wordt door Koerdische gewapende groepen, maakt het voorgaande niet anders.

Mocht verweerder vinden dat eiser niet te vrezen heeft vanwege toegedichte afvalligheid?

8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ook voldoende heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Syrië niet te vrezen heeft vanwege toegedichte afvalligheid. Verweerder heeft verwezen naar passages uit het ambtsbericht en een rapport van EUAA, waaruit blijkt dat er in Syrië geen sprake is van vervolging vanwege het niet volgen van de islamitische leefregels. De rechtbank betrekt bij haar oordeel dat eiser niet duidelijk heeft gemaakt welke islamitische leefregels van kracht zijn, hoe hij met het uiten van geloof van die regels af zou wijken en waarom hij daardoor in de problemen zou komen. De beroepsgrond slaagt niet.

Heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat eiser niet te vrezen heeft vanwege de algemene situatie in Syrië?

9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in dit geval onvoldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld, nu de in het besluit verrichte ‘15-c beoordeling’ niet volledig is. Verweerder heeft namelijk bij deze beoordeling nagelaten de meest actuele informatie over de algemene veiligheidssituatie en de humanitaire omstandigheden in Syrië te betrekken.
9.1.
Verweerder heeft in het bestreden besluit op basis van zijn beleid aangenomen dat er in Syrië sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Verweerder heeft dit standpunt in het bestreden besluit gebaseerd op informatie uit het Algemeen Ambtsbericht Syrië van mei 2025. In het verweerschrift heeft verweerder gewezen op informatie over geweldsincidenten en cijfers over burgerslachtoffers tot en met december 2025. Verweerder heeft ook het standpunt ingenomen dat de humanitaire situatie in Syrië niet of nauwelijks te wijten is aan een actor die partij is bij een lopend gewapend conflict, maar juist het gevolg is van jarenlange oorlog, internationale sancties en het regime Assad. Verweerder heeft erop gewezen dat de humanitaire situatie globaal moet worden meegewogen in de ‘15c-beoordeling’ als dit een direct of indirect gevolg is van het handelen of nalaten van de strijdende partijen in een actief gewapend conflict. Daarvan is volgens verweerder geen sprake en daarom spelen de humanitaire omstandigheden geen rol in de 15c-beoordeling.
9.2.
De rechtbank is ten eerste van oordeel dat verweerder de 15c-beoordeling niet heeft mogen baseren op informatie uit mei en december 2025. Gelet op de volatiele situatie in Syrië had verweerder de huidige situatie in Syrië moeten beoordelen aan de hand van actuele bronnen en kon verweerder niet volstaan met de verwijzingen naar (verouderde) informatie. Eiser heeft zowel gedurende de asielprocedure als in beroep gewezen op actuelere openbare bronnen – waarin de situatie in Syrië wordt beschreven tot en met eind januari 2026 – om zijn standpunt te onderbouwen dat er nog gevochten wordt rond Aleppo. Ter zitting heeft verweerder erkend dat er inderdaad actuelere informatie beschikbaar is, maar dat die in de beoordeling van de aanvraag van eiser niet is gebruikt. Er is daarom sprake van een motiveringsgebrek.
9.3.
Ten aanzien van het betrekken van de humanitaire omstandigheden in de ‘15c-beoordeling’ overweegt de rechtbank verder als volgt. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat alleen humanitaire omstandigheden die momenteel worden veroorzaakt en/of in stand worden gehouden door het handelen en/of nalaten van de partijen die actief zijn in het gewapende conflict betrokken moeten worden bij de 15c-beoordeling. Maar, wederom gelet op de volatiele situatie in Syrië, had verweerder de huidige humanitaire omstandigheden in Syrië moeten beoordelen aan de hand van actuele bronnen en kon verweerder niet volstaan met de verwijzing naar (verouderde) informatie uit het ambtsbericht van mei 2025. De rechtbank overweegt daarbij ook dat verweerder niet heeft mogen volstaan met een enkele algemene verwijzing naar het algemeen ambtsbericht. Met deze algemene verwijzing kan de rechtbank namelijk niet nagaan welke humanitaire omstandigheden verweerder heeft betrokken en op basis van welke informatie verweerder tot de conclusie is gekomen dat de omstandigheden niet worden veroorzaakt of in stand gelaten door partijen die actief zijn bij een gewapend conflict. De rechtbank merkt daarbij op dat eiser onder verwijzing naar de voorbeelden opgenomen in paragraaf 2.1.6 van het ambtsbericht van januari 2026, heeft geprobeerd te onderbouwen dat conflict-gerelateerd geweld impact had op de humanitaire omstandigheden in verschillende delen van Syrië. Ook gelet hierop kon verweerder niet (blijven) volstaan met de algemene verwijzing naar het ambtsbericht van mei 2025.

Artikel 3 van het EVRM

10. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder ook onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Syrië geen reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM.
10.1.
De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft op 23 februari 2026 geoordeeld dat verweerder moet beoordelen of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Verweerder kan voor deze beoordeling niet slechts verwijzen naar zijn beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Het Hof van Justitie van de EU heeft eerder al geoordeeld dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 3 van het EVRM verschillen qua inhoud en dat de uitlegging van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn autonoom moet plaatsvinden.
10.2.
Daarbij is van belang dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmi twee situaties onderscheidt:- In de eerste situatie worden de humanitaire omstandigheden niet veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor.

- In de tweede situatie worden de humanitaire omstandigheden wel veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor. In de eerste situatie geldt een zwaardere toets dan in de tweede situatie en ligt de lat voor het aannemen van een reëel risico op ernstige schade hoger.
10.3.
Verweerder heeft zich in het bestreden besluit in bovenbedoelde zin niet uitgelaten over de vraag of eiser bij terugkeer naar Syrië een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Dit is een motiveringsgebrek. Ter zitting heeft verweerder zich aanvullend op het standpunt gesteld dat eiser geen omstandigheden naar voren heeft gebracht waaruit blijkt dat hij bij terugkeer naar Syrië terecht zou komen in een situatie in strijd met artikel 3 van het EVRM. Naar het oordeel van de rechtbank is dit onvoldoende om te spreken van een volledige en individuele beoordeling van de vraag of eiser een risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM, nu deze enkele stelling geen blijk geeft van het onderzoeken en betrekken van de daartoe relevante (persoonlijke en algemene) omstandigheden. De beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is niet-ontvankelijk voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen.

12. Het beroep is gegrond voor zover het is gericht tegen het alsnog genomen besluit. Dit betekent dat de rechtbank het bestreden besluit vernietigt. Verweerder moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak.

13. Omdat verweerder te laat heeft beslist en omdat het beroep tegen het bestreden besluit gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 2.335,-.
Beslissing
De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit van 26 januari 2026;

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.335,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Jans, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Dit volgt uit artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

Verweerder verwijst daarbij naar het Algemeen Ambtsbericht Syrië van mei 2025 en het Algemeen Ambtsbericht Syrië van december 2024.

Zoals bedoeld in artikel 15 van de Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking) (hierna: Kwalificatierichtlijn).

Zie paragraaf C7/33.4.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).

Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.

De rechtbank zoekt hierbij aansluiting bij de uitspraak van de meervoudige kamer van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611.

Verweerder verwijst daarbij naar het rapport van EUAA, Country Guidance Syria van 2 december 2025.

Zie ook de uitspraak van de meervoudige kamer van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611.

ECLI:NL:RBDHA:2026:3611, r.o. 7.4.

Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 17 februari 2009, ECLI:EU:C:2009:94 (Elgafaji), punt 28.

Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 28 juni 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907 (Sufi en Elmi tegen het Verenigd Koninkrijk), punt 278-283.

1 punt voor het indienen van het beroepschrift niet tijdig beslissen met een waarde per punt van€ 934,- en een wegingsfactor ½, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.

Artikel delen