Veroordeling voor cocaïnehandel. Gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 87 dagen voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden, en een taakstraf voor de duur van 100 uren, opgelegd.
Rechtbank Den Haag 3 June 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:12592
Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-05-2026
Datum publicatie
03-06-2026
Zaaknummer
09/302564-25
Rechtsgebied
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI:NL:RBDHA:2026:12592text/xmlpublic2026-06-03T09:01:442026-05-19Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Den Haag2026-05-2009/302564-25UitspraakEerste aanleg - meervoudigOp tegenspraakNLDen HaagStrafrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:12592text/htmlpublic2026-06-03T09:01:212026-06-03Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBDHA:2026:12592 Rechtbank Den Haag , 20-05-2026 / 09/302564-25 Veroordeling voor cocaïnehandel. Gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 87 dagen voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden, en een taakstraf voor de duur van 100 uren, opgelegd.
Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Meervoudige kamer Parketnummer: 09/302564-25 Datum uitspraak: 20 mei 2026 Tegenspraak De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[de verdachte]
,
geboren op [geboortedatum] 2003 in [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] . 1Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 10 februari 2026 en 6 mei 2026 (inhoudelijke behandeling). De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. Kooij en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. S.W. Teuwen naar voren is gebracht. 2De tenlastelegging Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting van 10 februari 2026 - ten laste gelegd dat: 1hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2024 tot en met 11 november 2025 te Katwijk, althans in Nederland opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, één of meer hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; subsidiair althans, indien en voor zover het vorenstaande niet lot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 oktober 2025 tot en met 11 november 2025 te Wassenaar en/of Katwijk, althans in Nederland al dan niet opzettelijk aanwezig heeft gehad 20,5 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, althans een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 2hij op of omstreeks 11 november 2025 te Katwijk, althans in Nederland om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/ofvan cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,te weten- een hoeveelheid cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet, en/of- een hoeveelheid geld in verschillende coupures en/of- een telefoon en/of- een voertuigvoorhanden heeft gehad. 3De bewijsbeslissing Zowel de officier van justitie als de raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat feit 1, primair en feit 2 wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard, met dien verstande dat de pleegperiode onder feit 1, primair, moet worden ingekort tot de periode van 7 oktober 2025 tot en met 11 november 2025. 3.1. Gebruikte bewijsmiddelen De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025382600, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 66 (voorgeleidingsdossier), pagina 1 t/m 58 (raadkamerdossier) en pagina 1 t/m 30). Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft. 1. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 6 mei 2026, voor zover inhoudende: Ik werd door iemand telefonisch gestuurd. Ik kreeg een berichtje waar ik naartoe moest rijden. Daar is dan een persoon aan wie ik moest verkopen. Het klopt dat er op 11 november 2025 drugs bij mij zijn aangetroffen. Ik had die drugs eerder die dag gekregen om te verkopen. Ik had geld nodig en deed het vanaf oktober ofzo. Op 7 oktober 2025 was er ook een deal, toen had ik ook cocaïne verkocht. Het klopt dat ik de € 490,-, die bij mij is aangetroffen op 11 november 2025, heb verdiend met de verkoop van drugs. 2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 11 november 2025, voor zover inhoudende (p. 20): Op dinsdag 11 november 2025 zag ik, verbalisant [verbalisant] een ANPR hit. Ik zag dat de hit bestond uit het onopvallend volgen van het voertuig voorzien van kenteken [kenteken 1] . Wij zagen het voertuig rijden. Het voertuig nam de afrit op de N206 van de Zeeweg in Katwijk. Hierna parkeerde het voertuig in een parkeervak. Na enkele minuten zagen wij een voertuig voorzien van kenteken [kenteken 2] aan komen rijden. De bestuurder van het voertuig [kenteken 2] had kort contact met de bestuurder van het kenteken [kenteken 1] . Hierop is het voertuig [kenteken 1] weggereden. Hierop zijn wij het voertuig [kenteken 1] gevolgd in de richting van Leiden. Wij hebben constant zicht gehad op het voertuig en het voertuig heeft geen stops tussendoor gemaakt. 3. Het proces-verbaal van aanhouding verdachte, opgemaakt op 11 november 2025, voor zover inhoudende (p. 28 en 29): Op dinsdag 11 november 2025 kregen wij door dat onze collega's zojuist een overdracht hadden gezien inzake Opium. Wij hoorden dat de man in een Volkswagen Up stapte voorzien van het kenteken [kenteken 1] . Wij kregen zicht op het voertuig. Wij zagen dat er één persoon in het voertuig zat. Ik vorderde aan de bestuurder de uitlevering van alle drugs. Wij zagen dat de verdachte vervolgens met zijn hand via de achterzijde in zijn onderbroek reikte en daar een sok uit haalde. In de sok troffen wij verschillende ponypacks aan. Tevens trof ik een rijbewijs aan, voorzien van de volgende gegevens: [de verdachte] . In de linker broekzak van de verdachte werd een grote som geld aangetroffen in verschillende coupures. 4. De kennisgeving van inbeslagneming/eerste beslissing, opgemaakt op 11 november 2025, registratienummer PL1500-2025382600-11, (los toegevoegd) voor zover inhoudende: Registratienummer ;PL1500-2025382600-11
Categorie omschrijving : Geluid en beeldapp/drager
Object : Communicatieap (Smartphone),
Merk/type : Apple Iphone
Kleur : blauw 5. Het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, opgemaakt op 13 november 2025, voor zover inhoudende (p. 9 – 12): SIN: AATE5200NL
Omschrijving: zes gripzakjes met witte brokken. SIN: AATE5202NL
Omschrijving: zeven toegevouwen papiertjes, met wit poeder. SIN: AATE5201NL
Omschrijving: vijf toegevouwen papiertjes, met wit poeder. 6. Een NFI-rapport d.d. 13 november 2025, voor zover inhoudende (p. 28): Kenmerk: AATE5200NL
Omschrijving: brokvormig, wit
Conclusie: bevat cocaïne 7. Een NFI-rapport d.d. 13 november 2025, voor zover inhoudende (p. 30): Kenmerk: AATE5202NL
Omschrijving: poeder, wit
Conclusie: bevat cocaïne 8. Een NFI-rapport d.d. 13 november 2025, voor zover inhoudende (p. 29): Kenmerk: AATE5201NL
Omschrijving: poeder, wit
Conclusie: bevat cocaïne 9. Het proces-verbaal van aanhouding verdachte, opgemaakt op 7 oktober 2025, voor zover inhoudende (p. 31 en 32): Op dinsdag 7 oktober 2025 hoorden wij dat zojuist een vermoedelijke dealer was waargenomen. Ik hield de persoon staande. Het bleek te gaan om: [de verdachte] . Ik zag in zijn linkerjaszak, welke openstond, een zwarte sok. Ik haalde de sok uit zijn jaszak en zag dat deze was gevuld met onder andere 3 ponypacks. Ik zag in de linkerbroekzak van de verdachte veel briefgeld. Dit bleek op het politiebureau muntgeld en briefgeld te zijn met een waarde van 243,45 euro. 10. Het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, opgemaakt op 21 oktober 2025, voor zover inhoudende (p. 56 en 57): Uniek Voorwerp Nummer: AATE5138NL
Omschrijving: drie toegevouwen papiertjes met wit poeder en brokjes. Uniek Voorwerp Nummer: AATE5137NL
Omschrijving: drie blauwkleurige gripzakjes met wit poeder en brokjes. 11. Een NFI-rapport d.d. 20 oktober 2025, voor zover inhoudende (p. 22): Kenmerk: AATE5138NL
Omschrijving: poeder en brokvormig, wit
Conclusie: bevat cocaïne 12. Een NFI-rapport d.d. 20 oktober 2025, voor zover inhoudende (p. 21): Kenmerk: AATE5137NL
Omschrijving: poeder en brokvormig, wit
Conclusie: bevat cocaïne 3.2. Bewijsoverwegingen De verdachte is zowel op 7 oktober 2025 als op 11 november 2025 aangehouden na aanleiding van een vermoedelijke drugsoverdracht, waargenomen door de politie. Bij de verdachte werden op beide dagen ponypacks en gripzakjes met cocaïne aangetroffen, alsook grotere bedragen aan contant geld. Ter terechtzitting bevestigde de verdachte dat hij beide keren bezig was geweest met de verkoop van cocaïne en verklaarde hij dat hij dat deed door met een (gehuurde) auto naar afnemers toe te rijden van wie hij het adres doorkreeg middels berichtjes op zijn telefoon. De verdachte verklaarde geld nodig te hebben gehad en om die reden ‘vanaf oktober ofzo’ drugs te hebben verkocht. Aldus heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van cocaïne. Hoewel er sterke aanwijzingen zijn dat de verdachte zich ook vόόr 7 oktober 2025 bezighield met drugshandel biedt het dossier onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen vaststellen op welke datum de verdachte is begonnen. Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank daarom van oordeel dat de in feit 1, primair tenlastegelegde pleegperiode moet worden beperkt tot de periode van 7 oktober 2025 tot en met 11 november 2025. De rechtbank zal de verdachte voor de resterende periode partieel vrijspreken. De bewezenverklaarde gedragingen van de verdachte leveren niet alleen de voltooide drugshandel op onder feit 1, primair, maar ook de onder feit 2 beschreven voorbereidingshandelingen. Omdat de bewezenverklaarde gedragingen van de verdachte een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex opleveren is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van eendaadse samenloop tussen feit 1 en 2. 3.3. De bewezenverklaring De rechtbank is met betrekking tot de onder 1, primair, en 2 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat: 1hij in de periode van 7 oktober 2025 tot en met 11 november 2025 in Nederland opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 2hij op 11 november 2025 te Katwijk om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en te bevorderen, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en gelden voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,te weten- een hoeveelheid cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet, en- een hoeveelheid geld in verschillende coupures en- een telefoon en- een voertuigvoorhanden heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad. 4De strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. 5De strafbaarheid van de verdachte De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten. 6De strafoplegging6.1. De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De officier van justitie heeft gevorderd aan het voorwaardelijk strafdeel de bijzondere voorwaarden te verbinden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd. 6.2. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft de rechtbank gevraagd geen gevangenisstraf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijk deel de duur van de voorlopige hechtenis overschrijdt. De verdachte is na 93 dagen voorlopige hechtenis geschorst waarna hij zich heeft gehouden aan alle schorsingsvoorwaarden. Het reclasseringstoezicht moet nu worden voortgezet om de verdachte, een jongeman van 23 jaar, de handvatten te bieden die hij nodig heeft. 6.3. Het oordeel van de rechtbank Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking. Ernst van het feit
De verdachte heeft zich meer dan een maand lang schuldig gemaakt aan cocaïnehandel. De verdachte heeft daarmee een bijdrage geleverd aan de verspreiding van schadelijke drugs in de samenleving. Het is algemeen bekend hoezeer cocaïne verslavend is en dat (regelmatig) gebruik daarvan schadelijke gevolgen heeft voor gebruikers op lichamelijk, psychisch en sociaal vlak. Naast gevaar voor de volksgezondheid levert cocaïnehandel ook risico’s op voor de maatschappelijke veiligheid. Handel in verdovende middelen veroorzaakt vaak overlast op straat en gaat ook vaak samen met andere vormen van (gewelddadige) criminaliteit. De verdachte heeft al deze gevolgen voor de samenleving naast zich neergelegd en gekozen voor eigen geldelijk gewin. De rechtbank rekent dat de verdachte aan. Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte d.d. 31 december 2025. Hieruit blijkt dat de verdachte in 2024 vier maanden gevangenisstraf heeft gekregen wegens overtreding van de Opiumwet. Eerder in 2024 had de verdachte ook al een taakstraf gekregen voor de duur van 80 uren wegens (onder andere) overtreding van de Opiumwet. Deze veroordelingen hebben de verdachte kennelijk er niet van weerhouden zich opnieuw met drugshandel in te laten. Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies over de verdachte d.d. 22 januari 2026. De reclassering schrijft dat er, bij een veroordeling in deze zaak, sprake is van een beginnend delictpatroon. Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog. De verdachte staat ingeschreven op het adres van zijn moeder, maar verblijft daar weinig en beschikt niet over een zinvolle dagbesteding. Hij is naar eigen zeggen drugs gaan dealen om zijn gokverslaving te bekostigen. De reclassering acht de inzet van bijzondere voorwaarden noodzakelijk en adviseert onder andere een ambulante behandeling. Bij schorsing van de voorlopige hechtenis zijn de door de reclassering geadviseerde voorwaarden reeds aan de verdachte opgelegd en uit een e-mailbericht d.d. 3 mei 2026 van de toezichthouder blijkt dat de verdachte zich daaraan heeft gehouden. Het behandeltraject bij De Waag is opgestart. Ter terechtzitting verklaarde de verdachte zich aan alle voorwaarden te zullen blijven houden. Straf
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. De rechtbank acht, alles afwegende en gelet op de LOVS-oriëntatiepunten een gevangenisstraf passend en geboden voor de duur van 180 dagen, waarvan 87 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die in voorlopige hechtenis is doorgebracht. Aan het voorwaardelijk gedeelte van de gevangenisstraf verbindt de rechtbank de bijzondere voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd, met een proeftijd van twee jaar. De rechtbank acht een voorwaardelijk strafdeel passend, enerzijds om de ernst van de gepleegde feiten tot uitdrukking te brengen en anderzijds om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken. Daarnaast legt de rechtbank aan de verdachte een taakstraf op voor de duur van 100 uren, te vervangen door 50 dagen hechtenis indien de taakstraf niet naar behoren is uitgevoerd. 7De inbeslaggenomen voorwerpen7.1. De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle geldbedragen die onder de verdachte in beslag zijn genomen verbeurd moeten worden verklaard omdat die uit de strafbare feiten afkomstig zijn. 7.2. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het geld dat in de slaapkamer van de verdachte is aangetroffen (€ 420,-, nr. 1 van de beslaglijst) terug moet naar de verdachte, omdat hij dat bedrag van zijn jongere broertje had geleend. Ten aanzien van de overige bedragen (nrs. 2, 3 en 4 op de beslaglijst) heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 7.3. Het oordeel van de rechtbank Bij de aanhoudingen van de verdachte op 7 oktober en 11 november 2025 zijn er bij de verdachte geldbedragen aangetroffen van respectievelijk € 243,45 (nrs 3 en 4 op de beslaglijst) en € 490,- (nr. 2 op de beslaglijst). De verdachte verklaarde hierover ter terechtzitting dat hij die geldbedragen had verkregen uit de opbrengst van zijn drugshandel. Daarnaast is tijdens een doorzoeking op 12 november 2025 in de slaapkamer van de verdachte een geldbedrag aangetroffen van € 420,- (nr. 1 op de beslaglijst). De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zich heeft ingelaten met drugshandel omdat hij geld nodig had. Hij heeft daarnaast geen bewijsstukken overgelegd waaruit de legale herkomst van dat bedrag zou blijken, terwijl hij blijkens zijn eigen verklaring in de periode voorafgaand aan de doorzoeking geld verdiende met drugs dealen. De rechtbank acht de verklaring van de verdachte niet aannemelijk en concludeert dat ook dit bedrag kennelijk is verdiend met de handel in drugs. De rechtbank is van oordeel dat alle geldbedragen vatbaar zijn voor verbeurdverklaring, omdat die door middel van de bewezen verklaarde drugshandel zijn verkregen. 8De toepasselijke wetsartikelen De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:
- 9, 14 a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a en 55 van het Wetboek van Strafrecht;
- 2, 10 en 10a van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden. 9De beslissing De rechtbank: verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.3 bewezen is verklaard; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt: de eendaadse samenloop van
ten aanzien van feit 1, primair: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod; ten aanzien van feit 2: om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit; verklaart de verdachte daarvoor strafbaar; veroordeelt de verdachte tot: een gevangenisstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) DAGEN; bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht; bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 87 (zevenentachtig) dagen, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde: - zich gedurende de proeftijd meldt bij GGZ Reclassering Fivoor op het adres Perzikweg 1, 2321 DG in Leiden op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht; - zich gedurende de proeftijd laat behandelen door het Ambulant Centrum van Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op diagnostiek, de psychische- en verslavingsproblematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken; - zich zal inspannen voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag; - meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen en/of een aanmelding bij en begeleiding door de materieel juridische dienstverlening van Fivoor. De veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden; - gedurende de gehele proeftijd ingeschreven staat in het Centraal Register Uitsluiting Kans Spelen (CRUKS). De veroordeelde geeft toestemming om die inschrijving te laten controleren door in het bijzijn van de reclassering in te loggen op de website www.cruksregister.nl met behulp van zijn telefoon en DigiD; geeft opdracht aan GGZ Reclassering Fivoor tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden; voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen; veroordeelt de verdachte voorts tot: een taakstraf voor de tijd van 100 (honderd) UREN; beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 50 (vijftig) DAGEN; de voorlopige hechtenis;
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; de inbeslaggenomen goederen; verklaart verbeurd de op de beslaglijst vermelde voorwerpen, te weten: een geldbedrag van € 420,- (voorwerpnummer 3416068); een geldbedrag van € 490,- (voorwerpnummer 3415708); een geldbedrag van € 240,- (voorwerpnummer 3398473); een geldbedrag van € 3,45 (voorwerpnummer 3398474). Dit vonnis is gewezen door
mr. I. Jadib, voorzitter,
mr. M. Rootring, rechter,
mr. N. Hengeveld, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. B.J. Stil, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 mei 2026.