Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBDHA:2026:13111

De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe, in die zin dat verzoeker niet mag worden uitgezet tot is beslist op zijn bezwaar. Verweerder wil het bezwaar van verzoeker niet-ontvankelijk verklaren, omdat hij te laat bezwaar heeft gemaakt. De voorzieningenrechter is voorlopig van oordeel dat verzoekers bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. ...

Rechtbank Den Haag 26 May 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:13111 text/xml public 2026-05-26T09:00:27 2026-05-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-24 AWB 26/5064 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Utrecht Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:13111 text/html public 2026-05-22T08:49:09 2026-05-26 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:13111 Rechtbank Den Haag , 24-04-2026 / AWB 26/5064
De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe, in die zin dat verzoeker niet mag worden uitgezet tot is beslist op zijn bezwaar.

Verweerder wil het bezwaar van verzoeker niet-ontvankelijk verklaren, omdat hij te laat bezwaar heeft gemaakt. De voorzieningenrechter is voorlopig van oordeel dat verzoekers bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Het bestreden besluit van 18 oktober 2023 is namelijk niet op de juiste wijze bekend gemaakt. Hierdoor is de bezwaartermijn aangevangen de dag nadat verzoeker bekend is geworden met het besluit, te weten 22 januari 2026. Gelet daarop heeft verzoeker met zijn bezwaarschrift van 23 januari 2026 tijdig bezwaar gemaakt.

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 26/5064
uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 april 2026 in de zaak tussen
<?linebreak?> [verzoeker] , verzoeker
V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. J. van Koesveld),

en

de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, hierna te noemen: de minister.

(gemachtigde: M. Weerman).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van 18 oktober 2023. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat onverwijlde spoed dit vereist (het voornemen is om verzoeker op

27 april 2026 uit te zetten naar Polen), doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
1.2.
In het besluit van 18 oktober 2023 heeft de minister het verblijfsrecht van verzoeker beëindigd en hem ongewenst verklaard. Verzoeker heeft hiertegen op

23 januari 2026 bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. De minister heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
Verzoeker is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe, in die zin dat verzoeker niet mag worden uitgezet tot is beslist op zijn bezwaar.

3. De voorzieningenrechter is voorlopig van oordeel dat het besluit van

18 oktober 2023 niet op juiste wijze bekend is gemaakt en dat verzoeker tijdig bezwaar tegen dit besluit heeft gemaakt. Daartoe is het volgende van belang.
3.1.
Verzoeker heeft op 9 maart 2023 het voornemen van de minister gekregen om zijn verblijfsrecht te beëindigen en hem ongewenst te verklaren. Verzoeker werd toen bijgestaan door een advocaat, mr. Nijholt. Mr. Nijholt heeft namens verzoeker een zienswijze op het voornemen ingediend. Vervolgens heeft de minister het besluit van 18 oktober 2023 naar het kantoor van mr. Nijholt gestuurd. Op 24 oktober 2023 heeft mr. Nijholt aan de minister laten weten dat hij zich onttrekt als advocaat en hij niet weet waar verzoeker verblijft.
3.2.
Met verzending naar mr. Nijholt is het besluit van 18 oktober 2023 niet op juiste wijze bekend gemaakt. Het besluit heeft verzoeker namelijk niet bereikt. Het bericht van mr. Nijholt van 24 oktober 2023 had de minister indertijd aanleiding moeten geven om het besluit op een andere manier bij verzoeker kenbaar te maken. Dit is niet gebeurd.
3.3.
Het besluit van 18 oktober 2023 is dus niet op de voorgeschreven wijze aan verzoeker bekendgemaakt. De bezwaartermijn is daarmee aangevangen vanaf het moment dat verzoeker alsnog met dat besluit bekend is geworden. Blijkens het dossier is dit op

21 januari 2026 geweest. Dat betekent dat de bezwaartermijn is aangevangen op

22 januari 2026. Gelet daarop heeft verzoeker zijn bezwaarschrift van 23 januari 2026 tijdig ingediend en is het bezwaar ontvankelijk. Het standpunt van de minister dat het bezwaar niet-ontvankelijk zal zijn en dat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding, volgt de voorzieningenrechter dus niet. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter heeft het bezwaar van verzoeker een redelijke kans van slagen. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt derhalve toegewezen.
3.4.
Gelet op de complexiteit van de zaak zal de voorzieningenrechter geen toepassing geven aan artikel 78 van de Vreemdelingenwet 2000.
Conclusie en gevolgen
4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat verzoeker niet mag worden uitgezet tot is beslist op zijn bezwaar gericht tegen het besluit van 18 oktober 2023.

5. De minister moet een proceskostenvergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 934,-.
Beslissing
De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe;

- bepaalt dat verzoeker niet mag worden uitgezet tot is beslist op zijn bezwaar gericht tegen het besluit van 18 oktober 2023;

- veroordeelt de minister tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoeker.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2026.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Artikel delen